Publieke vijanden - Michel Houellebecq & Bernard Henri Lévy

Publieke vijanden - Michel Houellebecq & Bernard Henri Lévy

Michel Houellebecq en Bernard-Henri Lévy zijn twee Franse schrijvers met uitgesproken, controversiële en doorgaans tegengestelde meningen. De eerste maakte naam als auteur van De wereld als markt en strijd en Elementaire deeltjes waarin hij fel tekeerging tegen de vroegere activisten van mei ’68 die nu zo mooi in de pas lopen van de kapitalistische consumptiemaatschappij. In 2001, nog voor de aanslagen van 11 september, beschreef hij in zijn boek Platform een daad van moslimterrorisme en in een interview noemde hij de islam ‘de stomste religie’ die er bestaat. Een aantal Franse moslimorganisaties daagden hem voor de rechter, maar de auteur werd vrijgesproken. Sindsdien wordt hij echter uitgespuwd door vooral linkse critici. Bernard-Henri Lévy is zowat zijn spiegelbeeld. Als vooraanstaande filosoof (een van de leiders van de ‘Nouvelle Philosophie’) die op de bres staat voor de mensenrechten wordt hij door heel wat Franse intellectuelen en opiniemakers op handen gedragen. Maar ook hij krijgt steeds meer vijanden omwille van zijn uitspraken pro Israël en zijn kritiek op de uitwassen van de islam. ‘Het islamisme is het totalitarisme van deze tijd’, zo verklaarde hij. Houellebecq en Lévy begonnen in 2008 een briefwisseling die uitmondde in het prikkelende boek Publieke vijanden. Een steekspel in brieven.

Houellebecq zet al in zijn eerste brief de toon en omschrijft Lévy met sarcasme als een ‘intimus der machtigen, sinds uw kindertijd badend in obscene rijkdom’ (een salonsocialist) en zichzelf als een ‘proleet’ maar wel met één gemeenschappelijk kenmerk: ‘wij zijn allebei tamelijk verachtelijke figuren’. Zo begint een steekspel met wederzijdse onderhuidse verwensingen die echter verrassend snel omslaan in een bepaalde samenhorigheid. Niet dat de protagonisten elkaar sparen of bewieroken. Soms is één uitspraak van de recht-voor-de-raap schrijvende en redenerende Houellebecq voldoende om de gevoelige Lévy in vuur en vlam te zetten. Zo schrijft de cynicus dat hij geen hoge pet heeft van het engagement van de joodse filosoof, dat hijzelf ‘door niets algemeens of universeels (of bijzonders of plaatselijks) echt kan worden geroerd’ en dat hij altijd wantrouwen koestert ‘tegen mensen die de wapens opnemen, voor welke zaak dan ook’. En hij citeert Goethe dat hij ‘liever onrecht dan wanorde’ heeft. Het levert hem een forse bolwassing op van Lévy die heftig riposteert dat ‘een orde die zich met onrecht voedt geen recht van bestaan heeft’ en dat het terloopse citaat als een ‘onmiskenbare echo van het mechanisme van de Dreyfus-affaire’ klinkt. Het is een van de weinige keren dat Houellebecq uit het lood geslagen wordt en in de verdediging zit.

Meestal is hij in de briefwisseling juist de aanvaller en raakt de kritiek van Lévy zijn door cynisme ongevoelig geworden geest niet. Zo voelt hij zich beter in Ierland omdat hij er veel minder belastingen moet betalen, hij ergert zich aan al die verbodsbepalingen in Frankrijk met betrekking tot roken en denkt met plezier terug aan een avondje uit in een uitgangsbuurt in Moskou met enkele blondines, want zo schrijft hij dubbelzinnig, de Russen ‘bezitten een levenslust die wij kwijt zijn’. Lévy, die de ernst zelve is en toegeeft dat hij geen enkele humor heeft, trapt in de val en gaat als een bezetene te keer tegen het poetinisme, de vuile oorlog in Tsjetsjenië, de moord op de journaliste Anna Politkovskaja en het toenemende racisme in Rusland. Houellebecq, die zichzelf omschrijft als een ‘niet geëngageerde intellectueel’, veegt het allemaal kurkdroog van tafel met de stelling dat de grootste armoede in Moskou verdwenen is en dat Poetin door de groeiende middenklasse in zijn land op handen gedragen wordt. Dat het geen echte democratie is, vindt hij niet erg want hij heeft zelf nooit het gevoel gehad in een democratie te leven. Al die politieke partijen stellen volgens hem toch maar hetzelfde voor en dus stemt hij helemaal niet.

De mooiste fragmenten zijn alvast die waarin de twee schrijvers hun families, in het bijzonder hun vaders beschrijven. Vader Lévy als een bourgeois, maar die de bourgeoisie minachtte. Een schaker, selfmade man ‘bezield door onverzettelijke trots’. Vader Houellebecq een rasechte proletariër, ook een schaker, later skileraar, een man die alles in zijn leven had opgeofferd om ‘van niemand afhankelijk te zijn’. Een libertariër, aldus de zoon. De uiteenlopende geschiedenis van hun beide families is volgens Houellebecq dan ook de reden van hun verschillende visies op Frankrijk, een land dat wat hem betreft duidelijk kan gestolen worden, en schuldgevoel heeft hij daarover niet. Wél beseffen ze beide het gevaar van de ‘terugkeer van het religieuze’ en stellen ze vast dat ze op dat vlak dezelfde vijanden hebben.

Houellebecq verwijst naar allerlei vuilspuiters en leugenaars op internetsites, bij Le Canard enchainé en Le Monde diplomatique. ‘Daar zie je dat de tegennatuurlijke samenzwering van ultralinks en radicaal islamisme’, en hij schrijft vlijmscherp dat ‘elke antisemitische gewelddaad of moord die zich in de Franse voorsteden voordoet of zal voordoen, een beetje op hun conto kan worden geschreven’. Lévy is het met hem eens en heeft het over ‘het islamo-gauchisme, de nieuwe grote alliantie van nieuwe roden en nieuwe bruinen’, alhoewel hij nuanceert en stelt dat hij een zorgvuldig onderscheid maakt tussen de islam (die hij in gematigde vorm verenigbaar ziet met de democratie) en het islamisme. Beiden verdedigen ook het recht van de Nederlandse Ayaan Hirsi Ali om zich kritisch uit te laten over de islam.

De schrijvers hebben het nog over hun grote literaire voorbeelden, hun ware drijfveren (waarbij ze proberen om te focussen op de minder fraaie kanten ervan) en over hun eigen integriteit. Het intellectuele steekspel hebben de protagonisten zes maanden volgehouden. Dat is ook genoeg want de lezer proeft op het einde dat het vet van de soep is. Maar de confrontatie tussen de twee schrijvers is best interessant. Het geeft een goed beeld van de maatschappelijke thema’s die in Frankrijk aan de orde zijn en hoe ze op verschillende manieren bekeken worden. Op de ietwat naïef voluntaristische, geëngageerde en theatrale manier van Lévy die in zijn strijd voor de grote idealen geen grote woorden schuwt, of op de bijtende, sarcastische ongemanierdheid van Houellebecq die lak heeft aan idealen en zijn mond niet spoelt alvorens iets te zeggen. Volledige betrokkenheid tegenover volledige onverschilligheid als twee kanten van eenzelfde medaille.

 

Michel Houellebecq & Bernard-Henri Lévy, Publieke vijanden, De Geus & De Arbeiderspers, 2009

Recensie door Dirk Verhofstadt

Print Friendly and PDF
Eichmann in Jeruzalem - Hannah Arendt

Eichmann in Jeruzalem - Hannah Arendt

The Theory of Moral Sentiments - Adam Smith

The Theory of Moral Sentiments - Adam Smith