Filosoof Tzvetan Todorov is overleden

Filosoof Tzvetan Todorov is overleden

De Bulgaars-Franse filosoof Tzvetan Todorov is dinsdag 7 februari 2017 overleden. Hij werd 77 jaar en laat een indrukwekkend oeuvre achter dat doordrenkt is van zijn humanistische levensvisie. Hij werd in onze contreien bekend door zijn boeken Herinnering aan kwaad, bekoring van het goede, De nieuwe wereldwanorde en Angst voor de barbaren. Wie een inzicht wil krijgen van deze boeken kan op onze website de recensies lezen. Hierna volgt een recensie van Dirk Verhofstadt.

In Herinnering aan het kwaad, bekoring van het goede analyseert Tzvetan Todorov wat naar zijn mening de essentie van de twintigste eeuw is: het kwaad. Dat wil zeggen, het totalitarisme zoals zich dat in twee vormen heeft voorgedaan, nazisme en communisme. De democratie heeft weliswaar een einde aan de totalitaire regimes gemaakt, maar de herinnering aan het kwaad wordt zowel gebruikt als misbruikt. Bovendien is de democratie ondanks - of juist door - haar overwinning niet immuun voor wat Todorov de bekoring van het goede noemt, die tot de cultus van de morele correctheid en tot rampzalige militaire interventies kan leiden. Deze verschijnselen verduidelijkt hij aan de hand van concrete voorbeelden.

Todorov blijft trouw aan zijn kritisch humanisme dat hij ook in zijn vorige werken, zoals De onvoltooide tuin, tot uitdrukking heeft gebracht. Hij wisselt zijn soms orthodoxe analyse van de twintigste eeuw af met indringende portretten van zes exemplarische eenheden die de herinnering aan het kwaad, waaronder ze persoonlijk geleden hebben, doorgeven zonder haar te misbruiken. Vassili Grossman, Margerete Buber-Neumann, David Rousset, Primo Levi, Romain Gary en Germaine Tillion. Het zijn personen die bij het Nederlandse (en Vlaamse) publiek betrekkelijk onbekend zijn, maar dankzij Todorov de plaats krijgen die ze verdienen. Ze zijn iconen van moed, mededogen en menselijkheid.

"De achttiende eeuw is door de historici aangeduid als de 'eeuw der Verlichting', zal men uiteindelijk de onze de 'eeuw der Duisternis' noemen?" zo vraagt Todorov zich in de inleiding af. De essentiële tegenstelling die in de twintigste eeuw tot uiting kwam was die tussen het totalitarisme en de democratie. In een democratie is iedereen gelijk voor de wet en hoeft niemand zich te onderwerpen aan de wil van de meerderheid. Het totalitarisme schuift het pluralisme en het individu opzij. Een kleine leidinggevende groep bestuurt dan in naam van de 'algemene wil'. Todorov zet zich vooral af tegen het historisch en biologisch sciëntisme waarbij de door de wetenschap gevonden oplossingen per definitie passen voor alle mensen, ook al veroorzaken ze het lijden of zelfs de ondergang van sommigen onder hen.

Als de wetenschap niet langer gericht is op het verwerven van kennis maar verandert in een leidraad voor de samenleving en producent van idealen dan botst ze met de democratie. Voor persoonlijke vrijheid, verdraagzaamheid en gemeenschappelijk overleg is er geen rol meer weggelegd aangezien men de waarheid in pacht heeft en die vereist alleen onderwerping en geen debat. Want waarom lastige discussies aangaan als men weet waar men naartoe moet?

Om het systeem in stand te houden moet een 'sciëntistische staat' beroep doen op terreur. Daarvoor beschikt ze over een speciaal korps van goed getrainde figuren als 'volgzame machines vrij van morele weerzin en tot alle wreedheden bereid'. Dit zagen we in de praktijk bij de Tsjeka in de Sovjet-Unie en de Gestapo in nazi-Duitsland. Elk totalitarisme is ook een vorm van manicheïsme dat de wereld in twee elkaar uitsluitende delen scheidt: de goeden en de slechten, met als doel die laatsten te vernietigen. Hitler wenste een natie en zelfs een mensheid zonder joden. Stalin verlangde een klasseloze maatschappij, dat wil zeggen zonder burgerlijke klasse.

Todorov werkt deze zienswijze verder uit in de beschrijving van de levensloop van zes opmerkelijke figuren. Steeds opnieuw tonen ze aan hoe dicht het communisme en het fascisme tot elkaar stonden. Deze visie is belangrijk omdat ze regelrecht ingaat tegenover diegenen die het marxime steeds hebben verdedigd als zijnde de tegenpool van het fascisme. Onder hen tal van linkse intellectuelen zoals Jean Paul Sartre en Maurice Merleau-Ponty die met hun vergoeilijking van de misdaden van Lenin, Stalin, Mao en Castro in wezen tal van mensen, waaronder heel wat schrijver-collega's, overlieten aan hun miserabel lot.

De eerste figuur is Vasili Grossman, een van de grootste schrijvers van de twintigste eeuw. Hij was van joodse afkomst en had de Sovjet-Russische nationaliteit. Hij is een van de weinige schrijvers die op eigen kracht de overgang van onderworpenheid naar opstandigheid heeft doorgemaakt. Eerst geëerd maar nadien uitgestoten door het systeem. In 1960 voltooide hij het boek Leven en noodlot waarin hij de waarheid aan bod bracht. Zijn manuscripten werden aangeslagen, maar uiteindelijk verscheen het toch na zijn dood in 1980 in Frankrijk. Het beschrijft dat de slachtoffers van het nazisme en van het bosjewisme gemeenschappelijke kenmerken hebben. Ze worden 'gestraft' voor wat ze zijn, niet voor wat ze doen.

Voor Grossman is het duidelijk: Kolyma en de Solovki-eilanden zijn het Russische equivalent van Buchenwald en Dachau. Weliswaar bestonden er in de Sovjet-Unie geen vernietigingskampen, maar het leven had ook daar geen enkele waarde en miljoenen stierven er aan honger, uitputting en ontbering, maar ook ingevolge massale executies. Opvallend is dat na de oorlog de nazi-figuren aan de kaak werden gesteld, maar de Sovjetleiders niet. In tal van landen is het negationisme bij wet verboden, maar de ontkenning van de communistische misdaden blijft alsnog volstrekt geoorloofd.

Bij de tweede figuur Margarete Buber-Neumann worden de overeenkomsten tussen de communisten en de fascisten nog duidelijker. Net na de inval en verdeling van Polen tussen de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland werden in 1940 in Brest-Litowsk gevangenen uitgewisseld. Voormalige Duitse en Oostenrijkse communisten en joden die onder de naziterreur naar de Sovjet-Unie emigreerden werden gearresteerd en uitgeleverd aan de nazi's. De meesten werden gefusilleerd of kwamen om in een concentratiekamp. Margarete Buber-Neumann was samen met haar man Heinz Neumann lid van de Duitse communistische partij. Ze slaan op de vlucht naar Zwitserland. Hitler vraagt hun uitlevering maar ze kunnen weg naar de Sovjet-Unie.

Als Neumann beseft dat de Sovjet-Unie evenzeer een bloedige dictatuur is en veraf staat van de idealen waarvoor hij steeds gevochten heeft wordt hij opgepakt en in 1937 doodgeschoten. Een jaar later wordt Grete als een 'maatschappelijk gevaarlijk element' opgepakt. Ze verdwijnt in het Siberische kamp van Karaganda samen met 170.000 andere gedetineerden. Op 8 februari 1940 wordt ze overgeleverd aan de nazi's en komt ze terecht in het concentratiekamp van Ravenbrück. Ze overleeft en schrijft in 1948 het boek Als Gefangene bei Stalin und Hitler; eine Welt im Dunkel. Bij de nazi's worden gevangenen behandeld als Untermenschen, in de Sovjet-Unie als slaven. Sommigen hebben haar vergeefs trachten te belasteren. Ze stierf kort na de val van de Berlijnse Muur.

Gemeenschappelijke kenmerken van totalitaire regimes waren de intimidatie, het gebruik van eufimismen (zoals de Endlösung) en de propaganda. Door de greep van de machthebbers op de herinnering kregen totalitaire regimes greep op het heden. Dat is een groot verschil met de democratie waar men het recht heeft om zelfstandig kennis te verwerven en toegang te krijgen tot het verleden. De belangrijkste taak van het ondergrondse verzet in de Sovjet-Unie, de samizdat, was dan ook de reconstructie van het verleden als daad van verzet tegen de macht. Daarbij vochten ze een dubbele strijd: enerzijds tegen hun onderdrukkers zelf en anderzijds tegen westerse opiniemakers die het communisme bleven verdedigen. Tal van westerse intellectuelen als Eduard Herriot, Romain Rolland, Bernard Shaw en later Jean-Paul Sartre werden uitgenodigd in de toenmalige Sovjet-Unie en keerden enthousiast terug nadat ze 'modelkampen voor de heropvoeding' hadden bezocht.

Ze bleven blind en doof voor de waarheid ook toen die via allerlei kanalen het westen binnensijpelde. Na de oorlog was anti-fascisme de enige politiek correcte houding. Daardoor won het communisme aan prestige. Huidige moralisten wijzen naar Pinochet als toonbeeld van kwaad, maar nooit naar Castro, Stalin en Mao. Meer nog, jarenlang werden de sceptici van het communisme verdacht van fascistische sympathieën. Een typisch voorbeeld was de slachting van duizenden Poolse officiers in Katyn die 45 jaar lang in de schoenen van de nazi's werd geschoven maar (intussen feitelijk bewezen) gebeurde door de sovjets. De ethiek was in het communisme volledig ondergeschikt aan de politiek.

Een type voorbeeld was David Rousset, eerst actief als socialist, later als trotskist. In 1943 als verzetsman opgepakt en in Buchenwald opgesloten. Na de oorlog richt hij met een groep ex-gedeporteerden een Commission International Contre le Régime Concentrationnaire op om de nog actieve kampen in de Sovjet-Unie aan te klagen. Het wordt een soort Amnesty International avant la lettre. Het is een moedige daad waardoor hij fel wordt aangevallen ondermeer door Sartre en Merleau-Ponty. Het Comitee publiceert getuigenissen over de kampen in de USSR en China, en over de vervolgingen in Spanje, Griekenland, Tunesië en Algerije. Hiermee doorbreekt Rousset de stereotypie van de nationaliteiten en zet zich af tegen het communistische determinisme op politiek vlak. Voor hem zijn individuen belangrijker dan ideologiën. Het collectieve ideaal bestaat in de vrijheid van het individu: dat is de les die Rousset eenmaal uit de kampen geeft, en waarmee hij de waarheid boven de trouw aan allerlei ideeën of organisaties plaatst.

In een volgend deel waarschuwt Todorov voor het risico van het 'heilig verklaren' van de slachtoffers en het 'banaliseren' van het kwaad. De herinnering aan voorbij geweld geeft immers voedsel aan tegenwoordig geweld: dat is het mechanisme van de wraak. Dit zien we in de praktijk in Noord-Ierland met zijn fameuze Oranjemarsen die steevast uitlopen op nieuw geweld en in het Israëlisch-Palestijns conflict waar het principe van 'oog om oog' wordt toegepast. Ghandi waarschuwde vroeger reeds dat dit kan leiden tot een blinde wereld. Tegen die houding plaatst hij de figuur van Primo Levi. Een Italiaanse jood die in 1944 gedeporteerd werd naar Auschwitz.

Hij overleefde en schreef naast vele andere boeken de meesterwerken Is dit een mens, Het respijt en De verdronkenen en de geredden. Daarin heeft hij het niet over het goede 'wit' en het slechte 'zwart', maar over 'de grijze laag'. "Ieder van ons kan in potentie een monster worden", aldus Levi die vermoedt dat Auschwitz nergens toe gediend heeft. Iets wat door het massaslachtingen van de Rode Khmers en de genocide in Rwanda bewaarheid werd. Levi stelt dat niet alleen de daders schuldig zijn maar vooral de onverschilligheid en bewuste onwetendheid. De mens is geen eiland, dus wat anderen overkomt gaat ons rechtstreeks aan. Hoe kunnen we nog onze keus om niets te doen bij nieuwe rampen rechtvaardigen?

Over hetzelfde onderwerp schreef ook Romain Gary. Als jood geboren in Rusland en na omzwervingen in Vilnius, Warschau en Frankrijk sluit hij zich aan bij France Libre van Charles De Gaulle en strijdt hij de hele oorlog in de luchtmacht. Nadien begint hij te schrijven. "De nazi's waren menselijk. En het menselijke in hen was hun onmenselijkheid", aldus Gary. Daarmee doorbreekt hij de idee van het absoluut goede en kwade. Ook partizanen geraakten besmet door het kwaad waartegen ze streden. Daaruit besluit Gary dat het aanzetten tot heldendom verkeerd is. De overwinnaars lopen immers het gevaar verblind te blijven en het kwaad alleen bij 'de anderen' te zien en het in zichzelf te negeren.

"De bommen die ik van 1940 tot 1944 boven Duitsland heb laten vallen, hebben misschien een Rilke, een Goethe of een Hölderlin in de wieg gedood", waarmee hij aangeeft dat zelfs de rechtvaardigste zaken niet altijd vrij van schuld zijn. Gary trok dit later door naar het meer actuele racisme dat hij bij geen enkele groep als een exclusieve eigenschap zag. Zijn essentiële boodschap is dat het verleden niet het heden mag verduisteren; niet dat het verleden onbelangrijk is maar het mag nooit een verantwoording worden voor nieuwe onrechtvaardigheid. "Het leven is er om steeds opnieuw begonnen te worden."

In een volgend deel wijst Todorov op vormen van het kwade die in naam van democratieën begaan worden. Zo deed de democratie beroep op de grootste geleerden ter wereld voor de ontwikkeling van de atoombom. Was het nodig om hem te gebruiken? Voorstanders beweren dat daarmee vele Amerikaanse slachtoffers voorkomen werden maar dit gaat over potentiële doden terwijl nu echte mensen gedood werden. Een ander voorbeeld is de kwestie in ex-Joegoslavië dat na de dood van Tito in 1980 een omslag kende van communisme naar nationalisme, met finaal de eis: één etnie, één staat. Onder Slobodan Milosovic leidde dit tot een politiek van etnische zuiveringen. Het westen greep in teneinde 'het beletten van de schendingen van de rechten van de mens in de provincie Kosovo'. Naderhand bleek echter dat die interventie juist bijgedragen heeft tot de vorming van etnisch homogene staten.

Todorov heeft het vooral moeilijk met begrippen als 'humanitaire bommen' (voor slachtoffers bestaat geen verschil tussen totalitaire en humanitaire bommen) en 'ethische oorlog'. Een oorlog is nooit ethisch omdat ze de dood en het leed van onschuldige mensen veroorzaakt. Daarom pleit hij voor andere middelen, zoals onderghandeling, druk en verleiding. In landen als China, India en Rusland die de mensenrechten schenden in Tibet, Kashmir en Tsjetsjenië komt de internationale gemeenschap niet tussen. Blijkbaar gebeurt het alleen tegen landen die weinig of geen bondgenoten hebben.

Hij wijst ook op de onverschilligheid die landen als Frankrijk en de Verenigde Staten bij de genocide in Rwanda hebben getoond. Blijkbaar was de vrees voor eigen slachtoffers groter dan de wil om tienduizenden mensenlevens te redden. Alleen een universele rechtspraak zou kunnen maar daar is een universele staat en een universele politie voor nodig. Todorov wijst zo'n universele staat af om 'niet te bezwijken voor de verleiding het paradijs op aarde te bouwen'. We kunnen de mensheid niet van al haar kwalen genezen.

Tenslotte bespreekt hij het levensverhaal van Germaine Tillion die als verzetsvrouw wordt opgepakt en gedeporteerd naar Ravenbrück. Na de bevrijding in 1954 vertrekt ze als etnologe naar Algerije. Zo wil ze 'de ander leren kennen' en relaties leggen tussen ons en hen. Tijdens Frans-Algerijnse strijd weigert ze kamp te kiezen, maar komt ze op voor gerechtigheid. Ze ziet dat vooral 'vernedering' een gevaar betekent en oorzaak is van haat en geweld. Na de oorlog werkt ze samen met internationale organisaties tegen de slavernij, voor verdediging van de minderheden, tegen honger en tegen de barbaarse 'clitoridectomie'. Uiteindelijk ziet Tillion in de mensheid twee minuscule minderheden. Aan de ene kant de wrede bruten en aan de andere kant mensen die grote moed betonen. Daartussen is er de overgrote meerderheid van mensen die normaal geen vlieg kwaad doen, maar bij de minste crisis gevaarlijk kunnen zijn. Ze betoont veel mededogen, en ondanks de nazi-barbarij lukt het haar 'de tocht door het kwaad' af te leggen zonder erdoor besmet te raken, en zelfs een gewaarwording van vreugde op ons over te brengen, aldus Todorov.

Het moderne humanisme onderscheidt zich door twee kenmerken, schrijft Todorov. Het eerste is 'het erkennen van de gruwelen waartoe de mensen in staat zijn'. Het tweede is 'de bevestiging dat het goede mogelijk is'. Totalitaire regimes ziet hij niet snel terugkomen, maar ook voor de democratie schuilen er drie gevaren. De eerste is de 'identiteitsontsporing', want identiteit is onmisbaar voor elk maatschappelijk bestaan. Het lijkt me een bizarre uitspraak want juist een collectief identiteitsgevoel kan gevaarlijk zijn. Uiteindelijk ziet de auteur dat ook want hij erkent dat lid zijn van een gemeenschap wel een recht maar geen plicht is.

"De gemeenschappen zijn binnen de democratie welkom, maar alleen op voorwaarde dat ze geen ongelijkheden en geen onverdraagzaamheid genereren." De tweede is de 'moraliserende ontsporing'. Ook hier nuanceert hij snel door te wijzen op de dwingende noodzaak van een breuk tussen het politieke en het theologische. Alleen wijst hij op het gevaar van de 'bekoring van het goede'. "Het verlangen naar heiligheid kan meer beter een privé-aangelegenheid blijven", stelt Todorov. En de derde is de 'instrumentele ontsporing', waarbij men zich nog enkel bekommert om de middelen die tot een doel leiden, zonder dat men zich afvraagt of dat doel legitiem is. Dit staat haaks op de humanistische gedachte dat de mens zelf het hoogste doel van ons handelen is.

Elke mens is eindeloos kwetsbaar en eindeloos waardevol, zo eindigt Todorov dit magistrale boek waarin hij aantoont dat in die 'duistere twintigste eeuw' ook enkele hoopvolle lichtpuntjes bestonden.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Tzvetan Todorov, Herinnering aan het kwaad, bekoring van het goede, Atlas, 2002

Wohin die Erinnering Führt - Saul Friedländer

Wohin die Erinnering Führt - Saul Friedländer

Jackie - Pablo Larrain

Jackie - Pablo Larrain