Kwaad. Nederlanders over immigranten - Joost Niemöller

Kwaad. Nederlanders over immigranten - Joost Niemöller

In het interviewboek dat door uitgeverij Van Praag pas in het licht werd gegeven, spreekt de vroegere journalist en romancier Joost Niemöller met eenendertig ‘autochtone’ Nederlanders over de doorgeschoten politieke correctheid en de malaise die zij ervaren bij de rituele lofzang op de ideologie van het multiculturalisme, bij de ‘zegeningen’ van de migratie, bij de ‘verrijking’ van de diversiteit en bij het vredevolle karakter van de islam. Dit werk is het eerste waarin men de gewone Nederlander daarover aan het woord laat, en dat alleen al is er de grote verdienste van. In het karakter van het boek zelf bevindt zich de dubbelzinnigheid: aan de ene kant leest het lekker weg want Niemöller kent zijn vak, maar aan de andere kant is het een moeilijk boek omdat de zeer herkenbare verhalen van al die mensen zo navrant zijn en zo ten hemel schreiend, dat men niet anders kan dan het relaas van hun multiculturele wederwaardigheden even opzij te leggen, om op adem te komen van de politiek correcte waanzin die ze in hun dagelijkse leven ervaren. Net zoals een goede romanschrijver treffen zij de kern van wat wezenlijk is, zowel sociologisch als psychologisch, vaak veel beter dan de doorgestudeerden en hun maakbaarheidssprookjes.

De era waarin wij als modernisten en postmodernisten te midden van hectische instabiliteit leven (en sommigen overleven) wordt normaliter het treffendst en eerlijkst weergegeven door romanciers. Journalisten van de mainstream media hebben immers geen idee meer waarover het gaat: they don’t have a clue’, zoals mijn vriend, de betreurde arabist Hans Jansen, het uitdrukte. Het journaille leeft immers onder de stolp en met de mentale dwangbuis van de pensée unique in een averechts humanisme, een zacht dogmatisch denken dat de nieuwe leninistische ‘pravda’ uitdraagt en via een postmodern soort agitprop als doxa aan de man wordt gebracht. Het utopische credo van waaruit onze inwisselbare journalisten vertrekken, moet noodzakelijkerwijs tot desinformatie leiden, een euvel dat ze merkwaardig genoeg juist verwijten aan al degenen die hun orthodoxie niet delen. Waarheid interesseert de journalistiek niet, al zijn ze er heilig van overtuigd dat ze een edele missie volbrengen, een zending die baadt in de post truth-wereld waarover onze wakker geschoten journalisten zo graag emmeren. Hun ‘feiten’ leggen ze te ruste in een Procrustesbed en daar wordt gemeten, gepast en rekbaar gemaakt tot ze in de zending passen van de postmoderne bobo’s, de nieuwe bourgeoisie zoals de Franse denker Christophe Guilluy ze terecht noemt. Het zijn de culturele begeleiders van de globalisering. De lezer realiseert zich dat en koopt geen kranten meer.

Politici van hun kant leven met de waan van de dag en hollen de dingen amechtig achterna, ze beseffen dat ze er nog weinig toe doen, ze meanderen dan maar pretentieus van vergadering naar vergadering, van commissie naar commissie, waar de pecunia vaak heerlijk ruikt, ook al zei de Romeinse dichter dat ‘pecunia non olet’. Het komt erop neer dat mainstream journalisten en politici vandaag redeloos, reddeloos en radeloos zijn en dat ze hun eendimensionale narratief door de keel van de lezer of de kiezer willen proppen, zoals men dat bij ganzen doet, maar dat lukt niet meer. De beide beroepsgroepen verliezen elke dag meer en meer aan geloofwaardigheid. Het internet biedt veel afval maar ook interessante informatie die we van die twee groepen niet zo gauw vernemen. Veel gewone mensen doorzien die hele politiek van willfully ignorance: het tweespan politicus-journalist wil het liefst niet kunnen begrijpen waarover het allemaal gaat en het organiseert, zoals Christophe Guilluy het mooi uitdrukt, ‘le crépuscule d’en haut’.

Politiek is vaak alleen nog maar retoriek met obsolete zinnen. Politici slagen er niet meer in om een begin van een oplossing te bieden voor de verschillende crisissen waaronder Europa lijdt, laat staan dat men ze meester zou worden. Uit een gevaarlijke irrationele wanhoop kiezen ze de vlucht vooruit en bij gebrek aan fundamentele kennis en inzicht prefereren ze dezelfde remedies die Europa in het slop heeft gebracht. Alle geïnterviewden in dit verrassende boek wéten dat, doorzien dat apocalyptische spel en vrezen de toekomst. De cultuuroorlog die aan de gang is tussen de zogenaamde ‘deplorables’ en de weldenkende klasse wordt op vele slagvelden uitgevochten. Niemöllers boek is er zo een, en het betreden ervan stemt somber omdat voor de eerste maal openlijk over ‘omgekeerde discriminatie’ wordt gesproken, de situatie waarin de autochtoon niet langer wordt gehoord en hij zelfs als racist wordt gecriminaliseerd wanneer hij nog maar één opmerking maakt over de mislukte integratie, wanneer hij de ‘verrijking’ van de multicultuur in twijfel trekt, de immigratie van moslims dubieus acht, de islam een agressieve religie vindt, zwarte piet wil behouden, de westerse cultuur in de meeste opzichten als beter beschouwt dan andere, de media ‘gebiased’ en oneerlijk vindt (en – tussen twee haakjes – dezelfde media die daardoor enorm aan invloed verliezen en dan maar gemakshalve beginnen te oreren over ‘post truth’ of ‘fake news’, terwijl ze zelf, zoals gezegd, geen journalisten meer genereren maar ideologen) of wanneer hij sterke vermoedens heeft dat het rechtsapparaat door activistische rechters gepolitiseerd is. De veenbrand die in Europa woedt en die door de media en de politiek voorlopig onderdrukt wordt, komt in dit boek schrijnend naar voren.

Naast de journalisten en de politici zijn er de culturo’s, de nieuwe bourgeois. Die werden sinds eind jaren zestig gebaad in een sausje van cultureel marxisme, en dat denken werd doorgegeven van generatie op generatie, of om het plastisch uit te drukken: de oervader van dit neomarxisme, Paul Goossens, gaf het stokje door aan zoon Yves Desmet en die op zijn beurt werd afgelost door kleinzoon Tom Naegels. Die slaagden er zelfs in een in oorsprong christelijke krant om te turnen in een nieuw soort ‘Moniteur’ van de juiste gedachte. Het leninistische denken, waarbij het Westen gehaat werd en helemaal op de schop moest, kon men nu langzaam laten indalen bij zowat alle partijen, van links tot rechts. Die waren uit zelfhaat en schuldgevoel bereid dit beroerde drama mee te spelen. Wie niet denkt zoals het nieuwe cultureel-linkse globalistische establishment verordend heeft – van Soros tot Obama (elites waartegen de vroegere 68’ers te hoop liepen!) – moet zichzelf, zoals op de dazibao’s van de maoïstische culturele revolutie, beschuldigen van fascisme, xenofobie, racisme of – godbetert! – van islamofobie.

Het is dezelfde sfeer zoals die door Koestler zo illustratief geschetst werd in zijn magistrale roman ‘Darkness at Noon’, het is er de postmoderne versie van: een politiek correcte inquisitie doet mensen zwijgen of doet ze bekennen een racist te zijn. Ze worden niet murw geslagen met de vuist zoals de eerlijke communist Roebasjov, maar men bombardeert ze met een niet-aflatend discours van politiek correcte riedels. Op die manier wordt degene die niet op de uitgezette gramsciaanse paden wandelt als ‘illiberaal’ gekwalificeerd en wordt de free speech om zeep geholpen: die geldt nog alleen voor wie de orwelliaanse ‘novlangue’ hanteert (de lingua Unia), of voor wie nog maar eens een nieuwe oecumenische remedie voorstelt die in het conceptuele kader van het Westen past- waardoor men bijvoorbeeld de ware aard van de islam nooit zal kunnen begrijpen. Er bestaan al karrenvrachten boeken over hoe het er vandaag in de Angelsaksische wereld op de universiteiten aan toegaat in verband met het eclipseren van de vrije gedachte: men is er volautomatisch pro-islam en contra Israël. De erg agressieve aanvallen op het politiek incorrecte denken komen steevast van zogenaamde antifascisten en gaan vaak met geweld gepaard. In Europa, maar ook mondiaal, is er het toenemend succes van de islamitische kijk op de geschiedenis, zoals die gereflecteerd wordt in de internationale instellingen. De zwaar bevochten moderniteit, een prachtige resultante van de vroegere godsdienstoorlogen, staat zwaar onder druk – en dat is een understatement. In de kranten en van onze cultuurmarxisten vernemen we er niets van. In het boek van Niemöller des te meer.

Zoals gezegd: slechts een handvol romanciers zien, al van in de negentiende eeuw, waar het kalf gebonden ligt. Wie vandaag een mix zou kunnen maken van Fjodor Dostojewski, Alexandr Solzjenitsyn, George Orwell, Victor Klemperer, Jean Raspail, Czeslav Milosz, Imre Kertész, Boualem Sansal, Hafid Bouazza, V.S. Naipaul, Naslima Tasreen, Jabbour Douaihy, Abdelrahman Munif, Yasmina Khadra, Rabee Jaber, Adonis, Houellebecq and the like, zou een helder inzicht krijgen in de situatie waarin we ons vandaag bevinden, en die is niet fraai. De doorsnee journalist of politicus leest deze grote en kleine reuzen niet, en het is verwonderlijk en tegelijk inspirerend hoe velen uit dit interviewboek de inzichten van deze auteurs delen, zonder ook maar één van deze schrijvers te kennen, laat staan er één bladzijde van te hebben gelezen. Daarom situeer ik vele statements van deze autochtonen binnen de nieuwe Verlichting. De heersende pensée unique is dan de contra Verlichting.

Het Westen is aan een transformatie bezig op velerlei gebied, maar de Europese bevolkingen willen deze veranderingen duidelijk niet en grijpen terug naar concepten als identiteit en soft patriottisme. De EU biedt alleen maar een zwakke postideologie met een interne markt en een gemeenschappelijke munt, en dat is blijkbaar niet geruststellend. De parafernalia die sommigen er coûte que coûte aan willen opdringen om het kapseizende schip op te tuigen, overtuigen niet. De economie is niet voldoende, de cultuur is terug, en daarmee kunnen de globalistische elites niet uit de voeten. Deze cultuuroorlog en deze nieuwe cultuurkamp hadden ze in al hun kosmopolitische verwaandheid en met hun fly over-mentaliteit immers nooit verwacht. De meeste mensen verafschuwen en doorzien ‘le grand remplacement’, die eeuwige maakbaarheidsgedachte van links die door alle partijen van het politieke spectrum werd geïnterioriseerd en die in een grondige vervanging voorziet van het autochtone door het allochtone.

Het komt neer op een demonische synergie tussen de denkbeelden van Coudenhove-Kalergi en Schäuble, een mix van naïef en utopisch idealisme van na de tweede wereldoorlog en de politiek correcte waanzin van het spreken over de inteelt van een vermoeid Europees continent en de revitalisatie ervan door ‘omvolking’ en ’Ueberfremdung. Op die manier worden migranten en paupers gebruikt als voertuig van een militante linkse ideologie. Links is niet genereus (want dat zou pardonnabel zijn), maar instrumentaliseert de migrant en de vluchteling om zijn eigen ideologie die antiwesters is te voltrekken (Kant draait zich om in zijn graf). Het is de ultieme zet op zijn bekende machiavellistische schaakbord via o.m. het eisen van open grenzen en een zogenaamde generositeit zonder limieten. Die moet dan wel van de staat komen, want zelf neemt haast niemand van die zogenaamde humanisten een vluchteling in huis. Men sentimentaliseert de illegaal (want de meesten zijn geen vluchteling, zoals men ondertussen weet), men schreit bittere tranen, maar de eigen leefwereld stelt men niet in vraag, want die is door en door bourgeois geworden. Tijdens dat proces van migratie en bootvluchtelingen, een crimineel samenspel van mensensmokkelaars, ngo’s en politici, wordt voortdurend een orwelliaanse terminologie gehanteerd en alles door elkaar gemixt, waarbij de argeloze lezer of kijker door de bomen het bos niet meer ziet.

De voorbeelden zijn legio in dit embroglio, zeker als er moslims bij betrokken zijn, maar ik geef er één. In Gaza zijn volgens de mainstream media hardliners aan het bewind, terwijl Iran als gematigd regime wordt bestempeld en de Saoedi’s hervormers blijken te zijn, terwijl ze alle drie heel wat kenmerken met het nazisme gemeen hebben. Er heerst in dit verband niet alleen totaal onbegrip over de islam, maar vooral de al dan niet gewilde onwetendheid en de daaruit volgende verdwazing is stuitend en eigenlijk onbegrijpelijk, zodat iedereen over dat systeem een mening kan hebben, zonder ook maar één soera uit de koran te hebben gelezen, of hadiths te hebben bestudeerd, of sira’s te hebben gelezen, of predikingen te hebben beluisterd, of pamfletten of kranten uit die wereld te hebben gelezen. De islam is dan ook de enige ‘religie’ die als ideologie overal mee wegkomt, dat alleen al is verbijsterend. De haat zit in de islam ingebakken en wie anders vertelt, speldt de beate goegemeente wat op de mouw. Iedereen is geïnfecteerd met de idee dat het wel los zal lopen en men dist dan een anekdotisch verhaal op over zijn moslimbuur.

Al het voorgaande leest men in de interviews met autochtonen in het waarheidslievende boek van Joost Niemöller, dat in bepaalde boekhandels in Nederland zelfs niet kan worden gekocht. Het is een ziekte van het Westen de ostentatieve haat niet te willen zien en de waarheidszoeker daaromtrent te stigmatiseren. En zoals germanofobie Auschwitz niet heeft veroorzaakt, zo heeft islamofobie de gruweldaden van de islam niet getriggerd. Dat heeft het heilige boek met zijn onveranderlijke kern namelijk zelf gedaan. Maar deze uitspraak is vloeken in de moskee. Moslimterrorisme veroorzaakt islamofobie, niet omgekeerd. De puinhopen die werden gecreëerd door dat niet te erkennen, zijn elke dag te zien en te voelen, ondanks de vele miljarden euro’s waarmee in Europa de sociale vrede werd afgekocht van de islam. Historici zullen er zelfs over honderd jaar niet in slagen nog maar een begin van een analyse of verklaring te geven van het absurdistan waarin we ons vandaag bevinden, een situatie waarin het haatzaaien volledig aan de verkeerde kant wordt gesitueerd.

Het is die surreële toestand die in deze interviews alarmerend aan bod komt. Deze gewone, al te gewone en bescheiden mensen, wéten dat niet Trump of de Brexit verantwoordelijk is voor IS en dat extreemrechts zich in de kern van de islam situeert en niet in Europa. Ze zijn geleerder dan de meeste Europese en Amerikaanse sociologen en politicologen, want die hebben op de ideologenmarkt een roze bril gekocht en willen die graag regenboogkleurig houden door alleen maar een zogenaamd ‘gematigde islam’ te zien. Ze willen graag alles wat ze dan extreem noemen als niet-islamitisch afdoen. Deze ‘academici’, die niet gespecialiseerd zijn in de islam, vertrekken vanuit hun algemene schema’s, waardoor ze zich als heuse theologen kunnen opstellen. Ze leven in een euforische wereld waarin de oecumene gevierd wordt middels de leugen. Ze zijn gelukkig met zichzelf in hun kokette kabouterpaddenstoel waarin de pensée unique fanatiek rondzoemt; daar werd onlangs nog onderzoek naar gedaan, en jawel, zelfs in de Nederlandse linkse Volkskrant stond het verslag: de sociale wetenschappen zijn linkse hobbyclubs, die studies publiceren op de maat van hun gezindte.

De enkele conservatieve denkers in die branche durven zich in dat wereldje niet te uiten - maar dat wist dat ‘ordinaire grauw’ uit Niemöllers interviewbundel al héél lang. Alleen, ze mochten het nooit zeggen: waarover men niet spreekt. Alleen de kongsi van de weldenkenden mag het uitleggen, en nog het liefst in Terzake of De Afspraak waar zelfs de schijn van onpartijdigheid niet langer wordt opgehouden. Het eerste het beste sneeuwvlokje mag het dan bij een Trudeau-achtige jongen komen uitleggen. Het moet tenslotte fatsoenlijk, behapbaar en ideologisch correct blijven. Daarom juist hebben de oude media met hun voorgekauwde staatsideologie volledig afgedaan en hebben de sociale media zo’n immens succes, want daar hoor je nu en dan hoe het er in de wereld echt aan toegaat…

Wilden de communisten het Westen breken op een doorzichtige manier, dan plannen deze neomarxisten, de een al meer bewust dan de ander, het op een wijze die op het eerste gezicht erg aantrekkelijk en humanistisch lijkt. Vanuit onze christelijk-humanistische denkkaders lijkt dit volstrekt aanvaardbaar. Maar deze dynamiek is dodelijk voor een beschaving die zich wil handhaven met criteria die haar à la limite kapot maken en waarbij vreemd genoeg een vanuit zijn oorsprong - in onze termen - radicaal rechtse islam een bondgenoot vindt in westers links, een synergie die door alle partijen wordt versneld. Het staat koket het onvoorwaardelijk op te nemen voor wat van buiten komt, voor degene die door de radical chic tot de ‘Ander’ (met hoofdletter) wordt getransformeerd, waardoor die een nieuw soort heilige wordt - een erfenis van de Litouws-Franse filosoof Levinas, die reflecteerde op de tweede wereldoorlog. Bij ‘die Ander’ bevindt zich een overtal van jonge economische vluchtelingen, testosteronbommen met een volslagen andere cultuur, aangetrokken door de materiële artefacten van onze beschaving, maar nauwelijks door zijn waarden. Jihadisten die zich onder hen mengen zijn extreemrechtse doodseskaders. Die werden toentertijd door links bekampt in Zuid-Amerika, maar ze worden nu vergoelijkt door elke band met de islam af te wijzen!

Het bewijst allemaal hoe doodlopend de politieke weg is, hoe ver van de wereld politici zijn geraakt en hoe een dosis voluntarisme (met eigen liturgische teksten en een heel pantheon van geloofsartikelen) niet zal volstaan om ons uit het moeras te trekken, maar hoe het eerder tot verdere uitputting zal leiden. Dostojewski wist het al: het kwaad bestaat, maar men moet het (h)erkennen. Orwell vond er de juiste woorden en karakterisering voor en Houellebecq beschreef het profetisch. Experimenteren met je bevolking is zo’n kwaad en herinnert aan de duisterste tijden van stalinisme en nazisme met hun verplaatsing van grote groepen mensen. Van Europa via perverse volksverhuizingen Eurabië maken - wat nu aan de gang is -, met alle geïmporteerde waanzin van dien en met de nefaste introductie van het endemisch geweld van de islam, is een misdaad tegen de menselijkheid. Men noemt het ook de ‘Trudeauïsering’ van de politiek met fancy begripjes als ‘verbinden’ en ‘le mouvement de l’espoir’, zouteloze begrippen die de permanente oorlog van de islam (futuhat) met de ‘infidels’ moet toedekken. ‘Understanding Dhimmitude’ van Bat Ye’or zou voor alle politici, journalisten en culturo’s van het goedmensenfirmament dan ook plichtlectuur moeten zijn.

Tussen en onder de pletwals van deze circulaire elites moeten de ‘chavs’, de ‘deplorables’, de héél erg modale man of vrouw én de politiek incorrecten zich staande proberen te houden. De loser van de globalisering leest misschien geen romans, maar weet desalniettemin zeer goed waarover het gaat. Zijn kijk op de multicultuur en de islam getuigt van veel meer inzicht en van minder wegkijkerij dan dat van de intellectuele patsers. Dat merk ik niet alleen aan de ondertussen talrijke reacties die ik op mijn boeken krijg en aan de respons tijdens de vele lezingen voor het ‘veld’. De gewone leerkracht, verpleger of politieagent die met zijn laarzen in de maatschappelijke modder staat, beseft immers precies waarover het gaat, en waarover hij niet spreken mag. De toegelaten en alles versmachtende taal is voorbehouden aan de nieuwe hogepriesters die, zoals bij de Egyptenaren en de Romeinen, niet mogen worden tegengesproken, op straffe van uitsluiting en broodroof, of erger.

Bij deze weggezette mensen regeert de angst, de woede, de machteloosheid, de moedeloosheid en de wanhoop, sentimenten die de elites nuffig versteld doen staan en die ze met veel laatdunkendheid behandelen. Zij immers zijn nog nooit in een banlieue of in een no-gozone geweest (in Frankrijk zijn er ondertussen meer dan 600), zij vertolken immers als narcistische hyperhumanisten het juiste orwelliaanse woord en de correcte ideologie. Hun hoofd is ‘a gated community’ waarin elk discordant geluid vrolijk of agressief wordt weggewuifd. Ze kunnen zich de e-mail niet voorstellen van de leerkracht die me met het schaamrood op de wangen meldt dat wél de islamleraar met sympathie voor de Moslimbroederschap, maar niet ik in zijn school mag komen. De afspraak om er te spreken in het kader van een oecumenisch programma werd ooit gemaakt door een brave leerkracht die nog geloofde dat de vrijheid van spreken nog altijd van kracht is. Die afspraak wordt nu gecancelled door een directie die ondertussen behoort tot de bekende klerken die verraad plegen. Al deze Charlies zijn plots geen Charlies meer.

Het is precies over deze morele linkse gevangenschap (door zowat iedereen geïnterioriseerd) dat het weergaloze boek van Joost Niemöller gaat. Hij interviewde 31 mensen (velen wilden, maar durfden niet en trokken zich uiteindelijk terug!). Zij vertolken wat ik elke dag ervaar en hoor. Het zijn navrante verhalen over hun groeiende frustraties omdat ze niet durven te vertellen wat ze horen en zien over het multiculturalisme, de islam, migratie en de verkrachting van de freedom of speech. De deugbrigades liggen immers immer op de loer. Die zijn niet zo talrijk maar ze roepen en tieren zo woest en agressief over (haast altijd vermeend) racisme en islamofobie (sluw aangewend door de Organization of the Islamic Cooperation, want wie zou er geen angst hebben van de islam in actie?!) dat de geïntimeerde burger beaat zwijgt en zijn gevoelens opkropt.

Het fascisme van de black blocks en bijna de hele antiracistische beweging heeft zich, zonder dat ze zich daar ook maar één moment van bewust zijn geweest, vermomd in antifascisme, en men komt ermee weg, ook als dat met heftig geweld gepaard gaat. Ze hebben op die manier in fine een verbond gesloten met het racaille van de banlieues. De media berichten er weinig over, tenzij het spectaculaire items zijn, maar een diepgravend onderzoek naar het samengaan van deze islamitische gangsters en degenen die het Westen haten onder het mom van antiracisme, heb ik nog niet gelezen. Deze linkse hobbyisten met hun cultuur van intolerantie en de symbiotisch gegroeide zittende klasse van ‘bemiddelaars’ die ze te eigen bate hebben opgericht, hebben de werkelijkheid meesterlijk naar hun hand gezet. Ze zijn de maakbaarheidsfetisjisten van de postmoderne samenleving, even gevaarlijk als de vroegere leninisten, trotskisten, stalinisten of maoïsten. Ze representeren een gevaarlijk regressief links dat van censuur, ooit het stokpaardje waartegen studenten rebelleerden, zijn waarmerk heeft gemaakt.

Zo werd het legaat van Mario Savio door de postmoderne gauchisten op de mestvaalt gegooid. Er ontstond vanaf de jaren tachtig een soort nieuwe nomenklatoera met neostalinistische apparatsjiks die via de lange mars door de instellingen elke partij infiltreerden en doortrokken van hun gauchisme. Men bezette media atque academia, waardoor die allemaal dezelfde gemakzuchtige clichés begonnen te orakelen. Het multiculturalisme, met zijn krankzinnige safe spaces en zijn genderobsessie, is dan ook de voortzetting van hun totalitaire politiek met andere middelen. Niet voor niets noemde de Franse socioloog Jules Monnerot - in 1949! - het communisme ‘de islam van de twintigste eeuw’, net zoals Winston Churchill Mein Kampf de nieuwe Koran noemde, al staat er in de Koran dan wel meer antisemitisch gebral dan in Mein Kampf!

Wie Niemöllers boek leest, kan niet anders dan al deze verhalen mondjesmaat tot zich te nemen, want geen lezer houdt het vol ze achter elkaar te lezen, want dan is de depressie nabij – en veel van dit soort mensen wordt inderdaad depressief in hun radeloze onmacht. Het Westen lijdt, zo schrijft Thierry Baudet, aan een auto-immuunziekte: ons afweersysteem, datgene wat ons zou moeten beschermen, heeft zich tegen ons gekeerd. Wie dat stilaan begint te begrijpen en vandaag eindelijk over ‘achterlijkheid’ spreekt (maar dat stelde ik al tien jaar geleden), kan niet anders dan wat maatregelen voor te stellen, maar vecht uiteindelijk de vorige oorlog uit en probeert amechtig nieuwe denkschema’s uit om het gevaar te bezweren, want met het actuele wettenarsenaal en de bekende verdragen schiet men hopeloos te kort. Daarin is het Westen immers sterk: in wat stoere taal, in zelfbedrog, in eufemiseren. Dit gebeurt via een byzantinistische scholastiek die de cognitieve dissonantie moet wegnemen én ook via de bekende multiculturalistische bezweringen. Dàt is ‘le mal européen’: feitenresistentie en wegkijkgedrag met betrekking tot de malaise van de multicultuur en de islam, een ideologie waarop het westen is ingeplugd en waaraan het verslaafd lijkt. Vandaag is Rousseaus ’nobele wilde’ vervangen door de ’gematigde moslim’ (Hafid Bouazza), en die orwelliaanse retorica wordt als geruststellend aangezien.

Wat de geïnterviewden in Niemöllers boek graag zouden willen doen maar al lang niet meer durven, is aantonen dat de ‘gesubsidieerde gekwetsten’ en onze wegkijkers de liberale rechtsorde om zeep helpen en ons een burgeroorlog inrommelen. Die kunnen we als door en door gepacificeerden nooit winnen, zeker niet als we gebiologeerd rond de hete brij blijven cirkelen: de dichter Hölderlin noemde dat ‘Die Flughöhe der Adler’, een etherische hoogte die weldadig aandoet, maar die niet vol te houden is. Hoe zouden we dat nog kunnen formuleren? Laten we een beroep doen op een ervaringsexpert, Boualem Sansal. Op het hoofd van deze Algerijnse romancier staat een fatwa, maar wie is daar nog om bekommerd? Toen Rushdie slachtoffer werd van Khomeini’s fatwa stond de wereld terecht in rep en roer en namen de intellectuelen nog het voortouw. Dat is lang geleden. Maar wat zei Sansal nu eigenlijk? “Qu’est-ce qu’un islamiste? C’est un musulman pressé”. Er is dus maar één islam, iets wat elke moslim me zou nazeggen, want stellen dat er islam is en islamisme maakt hem terecht boos.

Het maken van een onderscheid tussen – zeg maar – islam en salafisme, is een westerse Spielerei, want dat laatste vertegenwoordigt gewoon de zuivere islam en die blijft aantrekkelijk. Wie er niet aan toegeeft, doet dat ondanks de islam. Zou men nu durven te beweren dat Boualem Sansal niet weet waarover hij spreekt? Of zou ook Hamed Abdel-Samad verkeerd zijn met zijn kwalificatie van de islam als fascisme, of Abdel Wahab Meddeb met zijn uitspraak over ‘la maladie de l’islam’? Geen van die auteurs heeft het over radicalisme of extremisme of wahhabisme of salafisme. Ze hebben het gewoon over de islam. En al die boze Arabische vrouwen à la Wafa Sultan en Zineb El Rhazoui? Weten die het ook niet? Laten we die niet beter aan het woord?

De ‘gewone’ mensen, die als ervaringsexperts door Joost Niemöller werden geïnterviewd, weten dat al lang. Nu nog de boven ons gestelden. Die leven immers in een schijnwereld van fake news waarin politiek correcte leugens en sprookjes hun vertellen dat als men maar méér van hetzelfde aanwendt, een oplossing mogelijk is. In die zin is de politieke incorrectheid de correctie van de publieke leugen (Nausicaa Marbe) en van de wenswereld van fanatieke never grown ups. Het is de verdienste van de mensen die in dit interviewboek hun biecht spreken, dat ze de newspeak van de gevestigden (de ‘vested interests’) met hun gezond verstand-taal doorbreken. Dat is pas verfrissend en het lucht ook op voor de lezer, die dit soort common sense al lang niet meer gewoon is.

Ik heb nog één bittere waarschuwing voor wie het boek wil lezen: je moet een sterke maag hebben, en een ijzig hart, want de narratieven van deze mensen zijn ten hemel schreiend in hun triestig makende oprechtheid, hun schrandere doorzicht en hun irreversibele gelijk. Mensen naar wie nooit geluisterd wordt, mogen bij Niemöller zeggen wat er op hun vaak gebroken en bezwaarde hart ligt. Dat is nieuw, want de mainstream media hebben maar één antwoord als zwaktebod op deze terechte analyses: populisme, waarbij ondertussen iedereen de populist is geworden van de ander. Verder verwijderd van de waarheid kan men niet zijn. De Schotse historicus Niall Ferguson drukte het zoals altijd pittig uit: “In verband met de overwinning van Trump had ik in plaats van naar mijn Harvard collega-professoren beter naar de gepensioneerde New Yorkse politieagenten geluisterd.” Die laatste quote had ook in het boek van Niemöller kunnen staan.


Recensie door Wim van Rooy

Joost Niemöller, Kwaad. Nederlanders over immigranten, Uitgeverij van Praag, 2017

Links

mailto:wimvanrooy@gmail.com

Een woord een woord - Frank Westerman

Een woord een woord - Frank Westerman

De euro - Joseph Stiglitz

De euro - Joseph Stiglitz