Wat is populisme? - Jan-Willem Müller

Wat is populisme? - Jan-Willem Müller

Zolang populisten binnen de grenzen van de wet blijven, moeten ze op een democratische manier worden bestreden. Het is geen goed idee om populisten uit te sluiten. Ze vertegenwoordigen nu eenmaal een deel van de kiezers. Maar populisten moeten vooral een koekje van eigen deeg krijgen. Feiten bestrijden met feiten, de taal spreken die ook zij spreken. En we moeten vooral nagaan waar het misliep. De democratische krachten binnen de maatschappij moeten proberen uit te vissen wat de bezorgdheden en vragen zijn van de mannen en vrouwen die kiezen voor het populisme. En als het even kan, daar een antwoord op bieden.

Dit is kort gezegd de slotboodschap van het zeer lezenswaardig boekje What is populism? dat de Duitse politicoloog Jan-Werner Müller (Princeton University) eind 2016 publiceerde en waarvan in februari 2017 een Nederlandse vertaling is verschenen. Het kan ongetwijfeld geen toeval zijn dat net nu dit werk verschijnt. Het begrip ‘populisme’ is dezer dagen niet uit de lucht. Politieke figuren als Trump, Sanders, Le Pen, Wilders en Orban worden er in een adem mee vernoemd. En er gaat geen politiek interview in krant, op radio of televisie voorbij of er wordt wel met het begrip gegoocheld.

Maar waar gaat het eigenlijk allemaal over? Populisme is volgens deze auteur een vlag die vele ladingen dekt. Er is niet zomaar een eenduidige definitie te geven. Merkwaardig genoeg zijn populistische politici zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde te vinden. Reeds eind de jaren 1960, zo stelt hij, probeerden politicologen vat te krijgen op het begrip, helaas zonder veel resultaat. Wat wel duidelijk is volgens Müller, is het feit dat populisten beweren dat zij, en alleen zij, spreken in naam van het hele volk. Dit ‘volk’ is een fictief gegeven, ongrijpbaar, ondefinieerbaar en onmeetbaar. Maar het is er, het is een gevoel dat bestaat. Het is misschien vooral te zien als een negatief gegeven: wie niet met is, is meteen ook tegen. Het pluralistische denken wordt onder de mat geschoven. Een belangrijk element bij het afbakenen van het begrip is ook het verzet van populisten tegen de heersende elites (al is niet iedereen die tegen elites is, ook meteen een populist).

Anders dan misschien vooraf kan worden gedacht zijn populisten niet per definitie tegen het idee van de politieke vertegenwoordiging. Maar zij geven er volgens deze auteur wel een eigen accent aan. Representatie is goed zolang het maar ‘de juiste’ vertegenwoordigers zijn die ‘de juiste’ mensen vertegenwoordigen om ‘de juiste’ beslissing te nemen en ‘het juiste’ te doen. Müller haalt in dat verband ook het voorbeeld aan van een referendum. Een volksraadpleging (what’s in a name) lijkt het summum van de democratie. Maar het eenvoudigweg goedkeuren van een reeds vooraf gedefinieerde vraag is niet te vergelijken met het democratische proces. In dat proces bespreken vertegenwoordigers van het volk voorstellen in een langdurige, vast beschreven procedure.

Niet onbelangrijk bij populistische groeperingen is leiderschap. In een politieke partij wordt in fases gewerkt, waarbij uiteindelijk een kopman of kopvrouw naar voren komt. Bij populistische partijen is er een veel striktere lijn. Op basis van een onduidelijke (eigenlijk zelfverklaarde) algemene wil van het volk neemt iemand de leiding op zich en duldt nadien ook weinig tegenstand. Tussenschotten zoals middenveld en media zijn niet meer nodig. Het volk heeft een rechtstreekse band met zijn vertegenwoordiger. Müller haalt in dat verband mensen aan als Beppe Grillo (Italië) of Geert Wilders (Nederland). Zij leiden hun organisatie met strakke hand leiden en dulden weinig inspraak. Ook Donald Trump verschijnt hier ten tonele met zijn gedrag op Twitter. Hij brengt de boodschap van het volk over, zonder inbreng van de media.

Een interessant gegeven duikt op wanneer een populistische beweging aan de macht komt. Gaat het hen dan af zoals iedere protestpartij? Zwichten zij onder de last van de verantwoordelijkheid en moeten zij toegevingen doen? Müller noemt dit in het licht van de recente populistische trends een illusie (er kan worden opgemerkt dat een aantal feiten die zich intussen in de Verenigde Staten hebben voorgedaan na het verschijnen van het boek zijn stelling ten dele onderschrijven, in zijn inleiding voor de Nederlandstalige editie verwijst hij er naar).

De auteur ziet een steeds terugkerend patroon eenmaal de macht is veroverd. Om te beginnen wordt het staatsapparaat volledig naar de eigen hand gezet, vervolgens zorgen populisten dat de eigen mensen flinke voordelen krijgen en tot slot doeken zij (kritische) NGO-organisaties op. Dit wordt verduidelijkt aan de hand van de situatie in Hongarije. Eenmaal aan de macht plaatste Orban zijn mannetjes in de ambtenarij, steunde hij een nieuwe klasse die de christelijk-nationale cultuur verdedigde en verweet hij ngo’s marionetten te zijn van buitenlandse krachten.

Maar wat doen wij dan met de terechte opmerking dat deze technieken eigenlijk niet zoveel verschillen van wat ook in democratische politieke systemen gebeurt (de voorbeelden liggen te grabbel in de recente actualiteit …)? Daar is Müller toch nog hoopvol: controlerende organen zorgen er voor dat in democratische systemen de leiders niet zo maar wegkomen met zogenaamd ‘cliëntelisme’. In een populistisch systeem is het eenvoudig: het volk zorgt voor legitimatie. Müller merkt in de marge fijntjes op dat populisten net hetzelfde doen als het ‘corrupte establishment’ dat zij zo hebben verfoeid. Alleen… zij komen er mee weg, in naam van het volk.

Het boek gaat tot slot ook in op de kwestie waarom net nu populistische partijen of groepen de wind in de zeilen hebben. Wat Europa betreft heeft de politicoloog een interessante stelling. In reactie op de gevolgen van de totalitaire systemen van het interbellum plooiden de West-Europese democratieën zich volledig terug. Er werden grendels en controlemechanismen ingebouwd in de democratische systemen. Had het volk immers niet bewezen dat het niet voor zichzelf kon instaan?

Naarmate de Europese Unie groeide, helde de balans over naar de andere zijde. De technocratie woog steeds meer. De afbrokkelende welvaartstaat, de immigratieproblematiek en vooral de foute aanpak van de eurocrisis tastten het geloof in deze manier van werken steeds verder aan. De afstand tussen de technocraten en wat zich in werkelijkheid afspeelde, creëerde op die manier gewoon de voorwaarden waarop het populisme verder kon bouwen. Opmerkelijk: hoewel de opvattingen van technocraten en populisten lijnrecht tegenover elkaar staan, hebben ze in essentie een grote zaak gemeen: zij claimen beide de juiste oplossing te zijn.

In een boek van nauwelijks 100 bladzijden kunnen zeker niet alle nuances gevat worden. Politicoloog Müller schreef met dit wetenschappelijk essay over populisme echter een werk dat nagels met koppen slaat en aan te bevelen is voor wie de mechanismen van het populisme wil doorgronden.


Recensie door Peter Laroy

De recensent is directeur van het Liberaal Archief

J.-W. Müller, Wat is populisme? Nieuw Amsterdam, 2017, 14.99 euro, ISBN 9789046822364. Vertaling van What is populism?, University of Pennsylvania Press, 2016.

Links

mailto:Peter.Laroy@liberaalarchief.be

Broederschap. Pleidooi voor verbondenheid - Frans Timmermans

Broederschap. Pleidooi voor verbondenheid - Frans Timmermans

Vrij met kerstmis, niet met het offerfeest - Koert Van Espen

Vrij met kerstmis, niet met het offerfeest - Koert Van Espen