De euro - Joseph Stiglitz

De euro - Joseph Stiglitz

De invoering van de euro had als doel de Europese economie te versterken en was een middel om tot meer maatschappelijke en politieke integratie te komen in Europa. Afgaand op het BBP van de eurolanden heeft de invoering van de euro echter niet geleid tot deze verwachte verhoging van de welvaart. De eurolanden blijken het namelijk slechter te doen dan de EU-landen buiten de eurozone. Hoewel het BBP van de Europese landen zonder euro voor de periode sinds de economische crisis (van 2007 tot 2015) is toegenomen met 8,1 procent, is deze toename in de eurolanden slechts 0,6 procent. Deze vaststelling heeft de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz ertoe aangezet om hierover een boek te schrijven. Volgens hem zijn de problemen van de euro volledig terug te brengen tot de constructie ervan. Zo omschrijft hij de euro als een politiek project, gedreven door economische ideologieën, maar niet gesteund op economische funderingen. Meer nog, de constructiefouten in de eurozone hebben volgens hem de eurocrisis zelfs in de hand gewerkt.

Om te begrijpen wat deze constructiefouten juist zijn en waarom deze een grote impact hebben, is belangrijk te weten wat de implicaties zijn van een muntunie op het fiscaal en monetaire beleid van de deelnemende landen. Wanneer verschillende landen een gemeenschappelijke munt hebben, betekend dit dat er een vaste wisselkoers heerst tussen deze landen. Als gevolg hiervan kunnen deze landen hun munt niet meer devalueren wanneer ze geconfronteerd worden met een economische schok. In een muntunie zoals de eurozone is het monetair beleid ook gemeenschappelijk. In de eurozone is het monetair beleid overgeheveld naar de Europese centrale bank. Wanneer er grote economische verschillen bestaan tussen de landen in een muntunie – zoals het geval is in de eurozone –, kan het gevoerde monetaire beleid ook nooit voordelig zijn voor alle landen. Stiglitz toont dit aan door te verwijzen naar Griekenland.

Als reactie op de eurocrisis had Griekenland – als ze niet tot de eurozone hadden behoord – haar munt kunnen devalueren, wat positief zou zijn geweest voor onder meer hun toerisme en export, aangezien hun munt dan goedkoper zou worden. Daarnaast had de Griekse centrale bank de Griekse economie kunnen stimuleren door de rente te verlagen. Als gevolg van deze beperkingen, stelt Stiglitz, rest eurolanden voornamelijk fiscaal beleid als optie om uit een recessie te geraken. Maar door toedoen van de convergentiecriteria in het verdrag van Maastricht, zijn ook hier grenzen aan gesteld (de 3 procentregel voor het begrotingstekort en de 60 procentregel voor de overheidsschuld). Daarom is besparen op de overheidsuitgaven, het verhogen van de belastingen en het uitvoeren van een interne devaluatie grosso modo wat overblijft qua opties.

De gebreken in de euroconstructie zijn aan het licht gekomen door de eurocrisis. Er zou dus gesteld kunnen worden dat deze problemen niet zouden zijn opgetreden als er geen crisis was geweest. Maar volgens Stiglitz heeft de constructie van de eurozone net bijgedragen tot het ontstaan van deze crisis. Dankzij de gemeenschappelijke munt daalde de rente op de obligaties van de meeste eurolanden zeer sterk, waardoor de investeringen en de consumptie in deze landen sterk toenamen. Dit effect was zeer groot, zo werden in Spanje in de jaren voor de crisis meer huizen gebouwd dan in Frankrijk, Duitsland en Ierland bij elkaar. Met andere woorden: dankzij de euro werd de (overheids)schuld in sommige eurolanden groter, waardoor ze kwetsbaarder waren toen de eurocrisis uitbrak.

Een ander effect dat speelde was de impact van de interne devaluatie die Duitsland heeft doorgevoerd. Dit zorgde voor goedkope export vanuit Duitsland met grote overschotten op de Duitse handelsbalans als resultaat. Als gevolg hiervan moesten de andere Europese landen gezamenlijk een tekort op de handelsbalans hebben. Volgens Stiglitz is het handelsoverschot van Duitsland zeer problematisch. Een handelstekort wegwerken is namelijk moeilijker dan een handelsoverschot wegwerken. Duitsland zou makkelijk de lonen kunnen verhogen om zo de vraag naar zowel binnenlandse als buitenlandse producten te doen toenemen. Maar binnen de eurozone is er echter niets gedaan om handelsoverschotten te beteugelen.

Vaak wordt gesteld dat het handelstekort van de Zuid-Europese landen te wijten is aan slecht beleid. Maar hier is Stiglitz het niet met eens. Ook Noord-Europese landen zoals Finland en Ierland zijn geconfronteerd geweest met hoge werkloosheid en een toename van hun schuld door de crisis. Ook wordt vaak geopperd dat andere landen eveneens een interne devaluatie zouden kunnen doorvoeren om hun competitiviteit te versterken. Als antwoord hierop haalt Stiglitz terecht aan dat van een muntunie wel meer verwacht mag worden dan loonsverlagingen als optimale methode om competitief te blijven. Als alle landen dit beleid zouden uitvoeren, zou het natuurlijk ook geen enkel effect meer hebben, buiten dat het zal leiden tot een race to the bottom. Na een uitgebreide beschrijving van de constructiefouten wordt door Stiglitz ingegaan op de maatregelen die nodig zijn om de eurozone wel te laten werken.

Cruciaal bij de meeste maatregelen die hij voorstelt, is dat de huidige economische integratie zal moeten samengaan met meer politieke integratie. Zo is er volgens hem een bankenunie nodig die een gemeenschappelijke depositiegarantie voor alle banken in de eurozone moet combineren met gemeenschappelijk bankentoezicht en afwikkelingsprocedures. De gemeenschappelijk depositiegarantie is hierbij voor hem essentieel. Een tweede oplossing is de invoering van gemeenschappelijk schuldpapier zoals euro-obligaties. Daarnaast zullen er ook Europese landoverschrijdende investeringen nodig zijn. Voor de nationale begrotingen zou het dan weer mogelijk moeten worden gemaakt om een onderscheid te kunnen maken tussen consumptie- en investeringsuitgaven, zodat de investeringen niet zouden vallen onder de convergentiecriteria. In zijn boek gaat Stiglitz nog verder in op zeer veel andere maatregelen die zouden kunnen worden doorgevoerd, waaronder vergaande maatregelen op het gebied van herverdeling in de eurozone. Hij betwijfelt echter of er een draagvlak is voor deze hervormingen en acht daarom het splitsen van de eurozone in verschillende zones met elk hun eigen munt als een meer haalbare optie.

In een groot deel van het boek behandelt Stiglitz ook de programma’s die door de Trojka – de Europese Commissie, de ECB en het IMF – aan Griekenland werden opgelegd. Dit soort programma’s roept volgens hem de vraag op in welke mate de (al dan niet aanwezige) voordelen van economische integratie opwegen tegen het verlies van economisch zelfbeschikkingsrecht. Deze programma’s gingen volledig in tegen de visie van de democratisch verkozen Griekse regering. Maar toch kon de Griekse regering niets anders doen dan ze uit te voeren. Ook hier manifesteert het gebrek aan politieke integratie zich. Daarnaast blijken de programma’s die door de Trojka aan Griekenland werden opgelegd ook helemaal niet te werken. Sinds de start van de Griekse programma’s is het Griekse BBP met 25% gedaald en is er een jongerenwerkloosheid van meer dan 60% ontstaan.

Een van de rode lijnen doorheen het betoog van Stiglitz, is de impact die ideologie volgens hem heeft gehad op zowel de constructie van de eurozone als op de programma’s van de Trojka. Consequent heeft hij het hier over de economische doctrine van het neoliberalisme, wat hij omschrijft als een blind geloof in de werking van de mark, waarbij een zo vrij mogelijke markt een doel op zich wordt. Hierover stelt hij dat het eigenlijke doel van de economie – en dus van de vrije mark – het verhogen van de welvaart zou moeten zijn. Dat perfecte marktwerking niet bestaat is al sinds lang geweten. Markten kunnen falen en dit heeft grote impact op het welzijn van de burgers. Hier haalt hij dan ook terecht aan dat de markt een middel moet zijn en niet een doel. Een andere constante doorheen het boek, is dat bij zo goed als alle voorstellen die hij doet, een grote rol is weggelegd voor de overheid. Hierbij lijkt hij een groot vertrouwen te hebben in de werking van de overheid, waarbij de vraag kan worden gesteld of dit geloof niet even (of zelfs nog meer) in vraag moet worden gesteld als een te groot vertrouwen in de markt.

De conclusie van Stiglitz over de euro is zeer duidelijk. Volgens hem zijn er maar twee mogelijke antwoorden voor de problemen: meer Europa, of minder Europa. Een behoud van de eurozone zoals ze is, zal een verdere integratie enkel in gevaar brengen. Zelf kiest Stiglitz dan ook voor meer Europa om de problemen op te lossen. Het boek wordt zeer interessant wanneer Stiglitz ingaat op de vraag waarom hij het Europese project zo belangrijk vindt. Hiervoor haalt hij het belang van de Verlichting aan, die in Europa is ontstaan en heeft geleid tot een steeds hogere levensstandaard, tot de moderne wetenschappen en technologie, en aan de grondslag lag van het idee van fundamentele mensenrechten die voor iedereen gelden. Om tot politieke en sociale systemen te komen die de verlichtingswaarden weerspiegelen, heeft Europa vaak voorgelopen stelt Stiglitz. Ook nu zal een verenigd Europa beter in staat zijn om in overeenstemming met deze verlichtingswaarden te reageren op de problemen waar de wereld vandaag de dag mee geconfronteerd wordt zoals klimaatverandering en terrorisme. Daarom vindt hij het belangrijk dat het Europese project slaagt. Essentieel hierbij is, volgens hem, dat er gedeelde welvaart heerst binnen Europa.

Hier komt Stiglitz tot de essentie van zijn betoog. De euro was gericht op de verwezenlijking van meer welvaart, maar de resultaten hiervan zijn zeer teleurstellend. Dat het verhogen van de welvaart het eigenlijke doel was van de euro lijkt vaak te worden vergeten. Als gekeken wordt naar de desastreuse impact die de besparingsprogramma’s van de Trojka hebben gehad op het leven van zovele burgers in Griekse, Spanje, Portugal, enz., kan de vraag worden gesteld welk doel men hier voor ogen had. Ging het hier nog steeds om de welvaart van de Europese burgers, of was de euro hier een doel op zich geworden?

Met zijn boek wil Stiglitz waarschuwen voor de impact die de euroconstructie zoals ze nu is, kan hebben op het voortbestaan van Europa. De ondertitel van het boek zegt het dan ook duidelijk: ‘Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt’. Dat de euro zal blijven bestaan in de huidige vorm lijkt momenteel zeer onwaarschijnlijk. Daarom is het belangrijk dat de verschillende hervormingen die de euro zou kunnen ondergaan grondig worden geanalyseerd. Iedereen die zich hierin wil verdiepen zal veel hebben aan de analyses en de voorstellen uit dit boek van Stiglitz. En deze analyses zijn nodig, want als we het Europese project willen doen slagen, zal dit enkel mogelijk zijn als iedereen hier beter van wordt of op zijn minst, als niemand er slechter door wordt. Aangezien de euro hier momenteel niet in slaagt, is een hervorming dan ook broodnodig.


Recensie door Johannes Derboven

Joseph Stiglitz, De euro: Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt, Athenaeum, 2016

Links

mailto:johannes.derboven@gmail.com

Kwaad. Nederlanders over immigranten - Joost Niemöller

Kwaad. Nederlanders over immigranten - Joost Niemöller

Iraaks-Koerdische journaliste Shifa Gari overleden

Iraaks-Koerdische journaliste Shifa Gari overleden