Hoe komen we van religie af? - Floris van den Berg

Hoe komen we van religie af? - Floris van den Berg

Floris van den Berg is “filosoof en dus atheïst”, zo betoogt hij zelf op de kaft van zijn boek Hoe komen we van religie af? Een ongemakkelijk liberale paradox. Hierin bespreekt de auteur strategieën om religie te ontmoedigen. Het boek is oorspronkelijk uitgebracht in 2009, maar vanwege deelname van de auteur aan het tv-programma Rot op met je religie! van de Evangelische Omroep (EO), is het boek opnieuw uitgegeven. In het desbetreffende programma gaan vier gelovigen en twee atheïsten gedurende twee weken de discussie aan over religie. Hierbij komen gevoelige onderwerpen, zoals religieuze jongensbesnijdenis, abortus, homoseksualiteit en ritueel slachten aan bod. Naar aanleiding van zijn deelname heeft Van den Berg een epiloog toegevoegd aan het boek, die deels zijn ervaringen tijdens de opnames beschrijft.

Het boek behandelt voornamelijk zaken die te maken hebben met moreel atheïsme. Dat volgt uit het feit dat van den Berg als ethicus vooral geïnteresseerd in het leed dat religie veroorzaakt: “Als religie betrekkelijk onschuldig was, zoals het geloof in vliegende schotels, zou ik er persoonlijk niet zo’n belangstelling voor hebben”. De constatering is echter dat religie vaak niet onschuldig is, en tot veel schade leidt. Hoewel de aandacht voornamelijk moet uitgaan naar de kwaadaardigste uitwassen van religie, bepleit de auteur dat ook liberale vormen van religie niet ontzien moeten worden. Hij beschrijft religie als een ziekte die varieert van hinderlijk tot levensbedreigend: de levensbedreigende symptomen moeten eerst geheeld worden, maar de hinderlijke symptomen verdienen ook de aandacht. Daarnaast is het zo dat veel relatief liberale gelovigen alsnog voor schade zorgen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan religieuze jongensbesnijdenis, een zeer gebruikelijke ingreep onder joden en moslims.

Van den Bergs opvattingen over religie passen duidelijk in de nieuw atheïstische stroming, die voornamelijk bekend is door de werken van Richard Dawkins, Daniel Dennett, Sam Harris en Christopher Hitchens. Met deze nieuwe atheïsten deelt Van den Berg dat hij religie niet alleen als onwaar, maar ook als moreel verwerpelijk beschouwt omdat het tot veel pijn en ellende leidt: “Religie is niet de bron van alle kwaad, maar wel van veel door mensen veroorzaakte pijn en ellende.” In het eerste hoofdstuk constateert Van den Berg echter terecht dat veel nieuw atheïstische boeken te kort schieten, omdat ze geen oplossing bieden om van de negatieve effecten van religie af te komen: “Scherpe religiekritieken […] gaan niet in op manieren om ons van religie te verlossen. Als van religie is vastgesteld dat het iets slechts is, en dat is het geval zoals uit veel Nieuw-Atheïsme-boeken overduidelijk blijkt, dan is het tijd om een stap verder te gaan en liberale mogelijkheden te vinden om ons vrij te maken van religie en bijgeloof”.

Van den Berg bespreekt in het tweede hoofdstuk zeventien strategieën om van religie af te komen, die allen voldoen aan het klassiek liberale schadebeginsel dat John Stuart Mill beschrijft in zijn boek On Liberty (1859): de vrijheid mag alleen ingeperkt worden om te verhinderen dat andere individuen schade wordt berokkend. De voorgestelde strategieën betreffen vooral secularisme op meerdere niveaus. Zowel onderwijs, politiek als publieke debatten dienen volgens Van den Berg seculier te zijn, opdat individuele vrijheid en autonomie optimaal gewaarborgd worden.

Onderwijs mag volgens van den Berg wel over religie gaan, maar de overdracht van op bewijs gegronde kennis moet centraal staan, en er mag dus geen religieuze indoctrinatie plaatsvinden. Dit houdt dus in dat religieuze scholen verboden zouden moeten worden, omdat er kennis wordt achtergehouden en onwaarheden worden verteld: “Op calvinistische christelijke scholen is de evolutieleer vrijwel taboe – ze wordt bestempeld als ‘slechts een theorie’. Sommige islamitische scholen verbieden muziek, seksuele voorlichting en illustraties in schoolboeken. En er is een probleem met objectieve kennisoverdracht over de holocaust, de staat Israël, Anne Frank en homoseksualiteit”. De auteur merkt terecht op dat ouders niet het recht zouden moeten hebben om hun kinderen op te schepen met onwaarheden door ze bloot te stellen aan religieus onderwijs. Empirische kennis is tenslotte niet hetzelfde als geloof, en het onthouden van wetenschappelijke kennis beperkt kinderen in hun ontwikkeling. In een open samenleving is het namelijk van belang dat iedereen een vrije toegang tot informatie heeft, zonder censuur.

Op staatsniveau dienen religie en staat strikt gescheiden te zijn volgens de auteur. Hij pleit voor een shift van een multiculturele staat, waarin religie gesubsidieerd en gerespecteerd wordt, naar een neutrale, seculiere staat. Religie zou als privézaak beschouwd moeten worden, en geen privileges moeten krijgen. Dit houdt dus onder andere in dat religieuze onderwijsinstellingen geen financiering van de overheid dienen te krijgen. Wat betreft partijen met een religieuze grondslag is van den Berg er niet geheel uit: “Politieke partijen zouden niet op religieuze leerstellingen gebaseerd dienen te zijn, maar dat is de liberale paradox: mensen kunnen goed geïnformeerd en in alle vrijheid kiezen om op onzinnige gronden een clubje, inclusief een politieke partij, op te richten”. Wel meent de auteur dat politici in functie geen religieuze argumenten dienen te gebruiken, omdat de argumenten voor iedereen begrijpelijk dienen te zijn. Het is dus van belang dat er een gemeenschappelijk vocabulaire is in de politiek en het publieke debat, dat niet-religieus van aard is en daarnaast op morele secularisme is gebaseerd. Filosoof Paul Cliteur noemt dit een moreel Esperanto, en Van den Berg meent dat het kan helpen om tot afspraken te komen in een multireligieuze maatschappij.

Wat betreft een ontmoedigingsbeleid meent Van den Berg dat de regering dezelfde opstelling ten opzichte van religie moet aannemen als ten opzichte van roken: privégebruik is toegestaan voor volwassenen, maar gebruikers moeten worden voorgelicht en andere individuen moeten worden beschermd voor meeroken. De aanpak van religie zou echter iets milder zijn, omdat mensen wel toegestaan moet worden om hun geloof of symbolen daarvan in het openbaar kenbaar te maken. Van den Berg wijst er terecht op dat religieuze symbolen, zoals een hoofddoek, niet verboden hoeven te worden in openbare ruimtes. Dit valt tenslotte onder de vrijheid van expressie. Daarnaast is het onmogelijk om vrijheid op te leggen aan anderen. Als mensen ervoor kiezen om onvrij te zijn, moet dit kunnen, zolang ze ook het recht hebben om eruit te stappen. De overheid heeft dus als taak om individuele vrijheid en autonomie te waarborgen, maar als mensen vrijwillig kiezen om hierin beperkt te worden, moet dat kunnen.

Een belangrijke rol is volgens Van den Berg weggelegd voor intellectuelen en wetenschappers. Zij dienen religie te onderzoeken, bekritiseren in het publieke debat, positief atheïsme te propageren en alternatieven te bieden voor de religieuze moraal. De auteur stelt hiervoor een humanistische ethiek voor, die hij universeel subjectivisme noemt. Deze ethiek is gebaseerd op een gedachte-experiment, die als uitbreiding van John Rawls’ A Theory of Justice (1971) beschouwd kan worden en die door Van den Berg uitgebreider uiteengezet is in zijn boek Filosofie voor een betere wereld (2009). De centrale vraag is: stel dat je niet weet hoe je geboren wordt (bijvoorbeeld als vrouw of homoseksueel) en waar je geboren wordt (Saoedi-Arabië of Nederland), in wat voor soort samenleving zou je terecht willen komen?

Van den Berg concludeert dat mensen zouden kiezen voor een staat waarin ook rekening wordt gehouden met minderheidsgroepen en de mensen die het slechts af zijn, omdat men rationeel niet in een slechte situatie terecht wil komen. Bij het universeel subjectivisme staat het individu centraal: “Het universeel subjectivisme probeert vrijheid van het individu te maximaliseren, niet die van de groep, want het is altijd denkbaar dat sommigen in die groep niet willen wat de groep wil”. Het mooie van universeel subjectivisme is dat het een universele theorie is: in principe zouden alle rationele mensen tot dezelfde conclusie komen. Dit maakt het een sterk wapen tegen moreel relativisme, dat vaak onterecht gebruikt wordt om kritiek op religieuze, door god opgelegde, ethiek te weerleggen.

Het derde hoofdstuk gaat dieper in op de paradox van de vrijheid door de ethiek van de hoofddoek te behandelen. Van den Berg meent dat de hoofddoek een ethische kwestie is “omdat de hoofddoek het zichtbare gedeelte is van het islamitische indoctrinatieproces”. Hij wijst erop dat de hoofddoek in veel gevallen geen volledig vrije keuze is, omdat sociale druk een grote rol speelt. Daar komt bij dat het ook een religieuze plicht is. De hoofddoek is daardoor volgens Van den Berg een symbool geworden van de vraag hoe ver we moeten gaan om individuen tegen indoctrinatie en groepsdruk te beschermen. Hiervoor voert hij onder andere het werk van Ayaan Hirsi Ali en Chahdortt Djavann aan, twee vrouwen die zelf onder islamitische indoctrinatie hebben geleefd. Zij menen beide dat het raar is om met een beroep op vrijheid een symbool van onderdrukking te dragen. Dit is echter een te generaliserend beeld van de hoofddoek in mijn opinie. De hoofddoek zou je kunnen duiden als een symbool van de relatie tussen vrouwen en geïnstitutionaliseerde religie, waar in sommige gevallen onderdrukking een rol speelt. Zoals Van den Berg namelijk zelf ook toegeeft, zijn er in het westen veel moslima’s die bewust kiezen voor het dragen van een hoofddoek. Het gelijkstellen van de hoofddoek aan onderdrukking is dus iets te simplistisch.

De paradox die Van den Berg beschrijft is een lastige. In een liberale samenleving wil je vrijheid van expressie van het individu zo veel mogelijk waarborgen. Daaronder valt ook de kledingkeuze. Hij trekt echter in twijfel in hoeverre de keuze voor het dragen van een hoofddoek vrijheid betreft: “Of er altijd wel sprake is van een reële keuzevrijheid van moslimmeisjes en moslimvrouwen om uit eigen vrije wil een hoofddoek te dragen, daarover bestaat in liberale kring gerede twijfel”. Als dit inderdaad het geval is, is de vrijheid van het individu in het geding. Van den Berg pleit op dit punt voor laïcisme, een sterke vorm van secularisme: op scholen en in openbare ruimtes dienen geen religieuze symbolen, zoals de hoofddoek, aanwezig te zijn, om de neutraliteit van de staat te garanderen en de vrijheid van kinderen te garanderen. Kinderen zijn nog niet in staat om een autonoom oordeel te vellen over het dragen van religieuze symbolen, en een verbod op religieuze symbolen op scholen kan voorkomen dat ze verplicht worden tot het dragen van symbolen, zonder dat het een weloverwogen keuze is.

In het vierde hoofdstuk probeert Van den Berg het succes van religie te verklaren aan de hand van de mementheorie, beschreven door evolutiebioloog Richard Dawkins in The Selfish Gene (1976). Het is een uitbreiding van de evolutietheorie die verder gaan dan genetische evolutie: in de mementheorie staat de reproductie van ideeën (memen) centraal. De auteur merkt zelf al op dat het idee van memen nog niet erg geaccepteerd is in de academische wereld. In mijn optiek zijn hier goede redenen voor. Het concept van memen is een interessante analogie, die kan helpen om het verspreiden van ideeën op basaal niveau te begrijpen. Het heeft echter geen toegevoegde wetenschappelijke waarde. Wetenschapsfilosoof en evolutiebioloog Massimo Pigliucci stelt terecht dat we geen idee hebben van de fysieke eenheid van memen, en dat we niet weten wat een meme succesvol maakt. We kunnen dus wel met terugwerkende kracht stellen dat een meme succesvol is, maar we hebben eigenlijk geen idee hoe dat komt. Op basis van de mementheorie kunnen dus geen falsificeerbare voorspellingen gemaakt worden.

Van den Berg stelt dat de mementheorie een verklarende naturalistische theorie van religie is: “De mementheorie geeft een naturalistische verklaring voor het fenomeen religie en in daardoor een kritiek op de waarheidspretenties van religies”. Het wordt vervolgens niet echt duidelijk waarom religie zo’n succesvol meme is. De auteur vermeldt wel dat religie bepaalde sociaalpsychologische functies vervult, maar vraagt zich vervolgens terecht af waarom die functies met irrationele denkbeelden vervuld zouden moeten worden. Dit is dus geen logische verklaring voor het succes van het religie-meme. Op dit punt moet ik concluderen dat de mementheorie van religie geen toegevoegde waarde heeft, omdat het niet duidelijk maakt waarom religieuze denkbeelden succesvol zijn. Een specifiekere benadering is bijvoorbeeld de biologisch antropologische invalshoek die evolutiebioloog Carel van Schaik en historicus Kai Michel in Het Oerboek van de Mens (2016) gebruiken om de bijbel te analyseren in het licht van de neolithische landbouwrevolutie. In hun boek worden zowel biologische en culturele factoren als cognitieve mechanismen gebruikt om de ontwikkeling van religie te duiden.

In de epiloog beschrijft Van den Berg zijn ervaringen van deelname aan het tv-programma Rot op met je religie! Het doel van de auteur was om het debat aan te gaan over thema’s die gevoelig liggen bij gelovigen en hun ideeën ter discussie te stellen. De conclusie is echter teleurstellend: de gelovige deelnemers waren niet vatbaar voor argumenten. Ze leven in een ander paradigma en rationaliseren hun dogma’s. Dit sluit mooi aan bij het eerdere pleidooi voor een moreel Esperanto: een gemeenschappelijke taal, die gebruikt kan worden om op een neutrale manier met elkaar in discussie te gaan over gevoelige onderwerpen. De ervaringen van Van den Berg laten zien dat dit hard nodig is. Zo wordt zijn betoog voor het verbod op jongensbesnijdenis door een joodse deelnemer beantwoord met de absurde stelling dat besnijdenis “een heel mooi ritueel” is en dat het een manier is om jongetjes welkom te heten op de aarde. De vraag is alleen of het voor religieuze mensen wel mogelijk is om zo’n moreel Esperanto, dat onafhankelijk is van hun religie, te gebruiken. Hoewel deelname aan het programma dus een teleurstelling was met betrekking tot inhoudelijke discussies, eindigt van den Berg toch positief. Ondanks de meningsverschillen en ruzies over verscheidene onderwerpen, is het namelijk wel gelukt om gedurende twee weken op een vreedzame en vriendelijke manier met elkaar samen te leven: “De kloof tussen onze opvattingen werd groter, maar er bleef een hangbrug over de kloof die ons met elkaar verbond”.

De rode draad in het boek is de bescherming van kinderen. Van den Berg pleit hartstochtelijk voor een opvoeding vrij van religie, zodat indoctrinatie zo veel mogelijk voorkomen kan worden. Dit betreft onder andere een verbod op bijzonder onderwijs. Ten grondslag aan zijn argumentatie ligt dat een liberale samenleving moet opkomen voor individuele vrijheid. Dat houdt dus ook in dat kinderen niet de dupe mogen zijn van hun (religieuze) ouders. Het is echter begrijpelijk dat religieuzen niet staan te springen voor de ideeën van de auteur, aangezien ze waarschijnlijk grote gevolgen zouden hebben voor het succes van hun religie. Zoals van den Berg zelf zegt: “Het paradoxale is dat als kinderen in hun jeugd genoeg ruimte wordt gelaten om zich vrij te ontwikkelen […] er maar een heel geringe kans is dat ze zullen kiezen voor een religieuze traditie. […] Religies en tradities moeten met de paplepel ingegoten worden, anders beklijven ze niet.”

Een kritische noot die ik wil plaatsen betreft de toon van het boek. Het is duidelijk dat onderwijs een belangrijke rol speelt bij het afkomen van religie in de visie van Van den Berg. Ik neem aan dat de auteur met zijn boek de lezers, waaronder mogelijk religieuzen, wil onderwijzen over atheïsme en de negatieve effecten van religie in onze samenleving. Bij onderwijs is het echter van belang om rekening te houden met de mogelijke doelgroep. Ooit sprak astrofysicus Neil DeGrasse Tyson tijdens een debat Richard Dawkins aan op het feit dat Dawkins vooral waarheden aan het publiek vertelde, maar niet probeerde te onderwijzen. Dit punt gaat ook op voor Hoe komen we van religie af?. Onderwijzen houdt in dat je zowel kennis verspreidt, als raakvlakken met de beoogde doelgroep probeert te vinden. Die combinatie zorgt ervoor dat de kennis die je wilt overbrengen ook daadwerkelijk impact heeft. Hoewel het boek voornamelijk gericht is op atheïsten met een sterkte opvatting over religie, kan ik me voorstellen dat sommige lezers, zowel religieuzen als atheïsten zonder uitgesproken mening over religie, juist afgestoten worden wanneer Van den Berg religieuzen bestempelt als geesteszieken of religie vergelijkt met kanker. Dat is zonde, want mogelijk zijn er best lezers die in staat zijn om uit hun religieuze paradigma te komen als ze geconfronteerd worden met nieuwe feiten en duidelijke argumenten. Het is uiteraard aan de auteur om de schrijfstijl te kiezen, maar het risico is dat je vooral preekt voor eigen parochie.

Hoe komen we van religie af? is een bevlogen betoog voor liberalisme, humanisme en kritisch denken. Het boek is vlot geschreven en de auteur gebruikt duidelijke metaforen en vergelijkingen om zijn punten toe te lichten. De argumentaties van Van den Berg zijn goed te volgen, en hij besteedt veel aandacht aan de situaties waarin vrijheden botsen, zoals in het geval van indoctrinatie van jonge kinderen. Terecht wordt er gewezen op de tekortkomingen van veel nieuw atheïstische werken en biedt het een aantal goed beredeneerde mogelijkheden om secularisme verder door te voeren. Dit is naar mijn mening het sterkte gedeelte van het boek. Om de vrijheid van het individu te maximaliseren in een liberale samenleving, is het van belang dat de privileges van religie in onze samenleving worden onderkend. Van den Berg zet met dit boek de eerste stap, maar er valt nog een hoop te winnen.


Recensie door Tom Roth

De recensent is student Environmental Biology aan de Universiteit Utrecht.

Floris van den Berg, Hoe komen we van religie af? Een ongemakkelijke liberale paradox, 2017, 155 p.

Links

mailto:info@liberales.be

De verhouding van staat en religie - Dirk van der Blom

De verhouding van staat en religie - Dirk van der Blom

De Romanovs - Simon Sebag Montefiore

De Romanovs - Simon Sebag Montefiore