Theorieën over rechtvaardigheid - Dirk Verhofstadt (red.)

Theorieën over rechtvaardigheid - Dirk Verhofstadt (red.)

Liberales is een liberale denktank die in 2016 haar 500ste nieuwsbrief publiceerde. Haar werk bevindt zich op het snijvlak tussen filosofie en politiek. Haar filosofische reflecties hebben directe relevantie voor de politiek. Thuisbasis van Liberales is het Liberaal Archief in Gent. Nadat het een aantal jaar de Popperlezingen had georganiseerd en gepubliceerd in de bundel De open samenleving onder vuur (onder redactie van Dirk Verhofstadt), is er vijf jaar lang een Rawlslezing georganiseerd. Deze lezingen, met inleidingen door kernleden van Liberales zijn gebundeld in het boek Theorieën van rechtvaardigheid. De John Rawlslezingen. Dirk Verhofstadt betoogt dat het liberalisme drie pilaren kent: vrijheid van het individu, rechtvaardigheid en democratie. Vrijheid is aan bod gekomen bij de Popperlezingen, (sociale) rechtvaardigheid komt aan bod in de Rawlslezingen. Het laat zich raden dat er nu lezingen komen met als thema democratie, al weet ik niet welke filosoof hier zijn/haar naam aan kan verbinden, misschien John Dewey?

John Rawls is een typische filosofenfilosoof. Academische filosofen zijn bekend met zijn werk, maar voor het grote publiek is hij onbekend. Liberales doet actief mee met het populariseren van het werk van Rawls, maar ik vermoed dat de taaiheid van de geschriften van Rawls geen garantie zijn voor een breed lezerspubliek. Een ander obstakel voor populariteit is dat Rawls’ filosofie technisch is en dat deze taaie theorie veel mensen niet na aan het hard ligt. Wie kijkt naar populaire filosofie ziet dat onderwerpen als levenskunst, religie en postmoderne vaagheid populair zijn. Maar populariteit zegt niet alles over belangrijkheid. Rawls en de school van de NAANT (New Anglo American Normative Theorists, met mensen als Dworkin, Scanlon, Ackerman, Pogge, Barry etc.) houden zich bezig met theorieën van sociale (of distributieve) rechtvaardigheid. Dit zijn theorieën die passen bij de sociaalliberale democratieën. Deze theoretische filosofie is tegelijkertijd heel praktisch. Het is geen metafysica of theologie, maar een politiek filosofische onderbouwing van de sociaalliberale verzorgingsstaat.

John Rawls publiceerde zijn beroemde boek A Theory of Justice in 1971. Met dat boek blaast hij de theorie van het sociaal contract nieuw leven in. Rawls komt met het krachtige idee van een hypothetisch sociaal contractmodel: met behulp van een gedachtenexperiment wil hij door middel van consensus tot een sociaal rechtvaardige ordening van instituties komen. Je moet je voorstellen hoe jij zou willen dat de samenleving geordend zou zijn als jij in de slechtst mogelijke positie in de samenleving terecht zou komen. Stel je bijvoorbeeld eens voor dat jij arme ouders hebt. Of dat je gehandicapt bent. Of dat je niet goed kunt leren. Het is rationeel om, indien jij zelf in een van deze posities zit, en je moet er rekening mee houden dat je in willekeurig welke slechtst mogelijke positie zou komen te verkeren, dat je probeert deze positie te optimaleren zodat jij zoveel mogelijk ontplooiingsmogelijkheden hebt. Dit gedachtenexperiment leidt tot een verzorgingsstaat met een sociaal vangnet en sociale voorzieningen. Het krachtige van het gedachtenexperiment van Rawls is dat het niet gaat om een streven naar gelijkheid voor iedereen (zoals in het socialisme en communisme), of naar een zo goed mogelijke positie voor degenen die al rijk zijn, zoals in het libertarisme/neoliberalisme, maar naar een zo goed mogelijk resultaat voor degenen in de slechtst mogelijke posities. Rawls introduceert het inmiddels beroemde ‘verschil principe’ (difference principle): verschillen in rijkdom zijn te rechtvaardigen zolang degenen in de slechtst af posities er beter van worden.

De spits van de Liberales Rawls-lezingen werd afgebeten door een nestor uit de Nederlandse politiek (D66) en jeugdboekenschrijver (Oorlogswinter, Koning van Katoren, Oosterschelde Windkracht 10, De kloof, Pjotr – ik heb hier als tiener intens van genoten!) Jan Terlouw. De bijdrage van Terlouw is meteen de meest belangrijke en fundamentele bijdrage. De andere lezingen neigen naar academisme. Terlouw betoogt dat je in het gedachtenexperiment rekening moet houden met toekomstige generaties. Dat is een module die prima past in Rawls theorie van rechtvaardigheid. Door jezelf voor te stellen hoe het is om te leven over 50, 100 of 500 jaar word je met de neus op de feiten gedrukt dat de wereld waarin je dan leeft veel minder goed leefklimaat heeft doordat generaties voor jou de aarde grondig verruïneert hebben, zoals door klimaatverandering ten gevolge van de uitstoot van broeikasgassen. Het verschilprincipe van Rawls toegepast op toekomstige generaties laat zien dat wij (huidige) generaties onze (economische) positie te danken hebben door de kosten af te wentelen op toekomstige generaties. Dat is in conflict met het differentieprincipe.

Terlouw noemt de term niet (het is een nieuw begrip in de filosofie) maar dat is een vorm van discriminatie die presentisme wordt genoemd. Presentisme is discriminatie van toekomstige generaties. Om een ander beroemd principe erbij te pakken om hetzelfde te laten zien, het schadebeginsel van John Stuart Mill: je mag alles doen, zolang je anderen geen schade berokkent. Dat doen wij dus wel! Ons huidige (neoliberale) economische systeem is gebaseerd op uitbuiting en discriminatie van toekomstige generaties. Daarmee is het economische systeem in flagrante tegenstrijd met het liberalisme! Toch zijn er niet veel liberalen die dit inzien. Dat komt omdat liberalen een morele blinde vlek hebben, namelijk toekomstige generaties. Door Terlouw serieus te nemen, blijkt dat de politici van liberale partijen géén liberalen zijn. Terlouw noemt zijn lezing dan ook terecht ‘zij die na ons komen’. In de introductietekst op de lezing van Terlouw citeert Dirk Verhofstadt de Amerikaanse politiek filosoof Thomas Paine: ‘Mensen kunnen geen mensen bezitten; en zo heeft ook geen enkele generatie het recht om te beschikken over generaties die nog moeten komen.’ Bij Rawls echter waren toekomstige generaties buiten zijn morele vizier. Terlouw eindigt, enigszins onverwacht, met een appèl aan wetenschappers: ‘Ik pleit voor een actievere rol van de wetenschappers, die het eerst en het best de problemen voor toekomstige generaties kunnen overzien. Ik vind dat ze uit hun veilige ivoren torens moeten komen en als staatsburgers op de barricaden moeten, in het besef dat hun kennis niet alleen hun eigendom is, maar toebehoort aan de hele gemeenschap. Waar kennis groeit, groeit verantwoordelijkheid.’ Deze boodschap bleek in ieder geval niet besteed aan de academici die de andere Rawlslezingen gaven.

Frank Vandenbroucke is hoogleraar, ook was hij als sociaaldemocraat actief in de politiek betrokken. Vandenbroucke focust op het concept van gelijkheid in het werk van Rawls: ‘Gelijkheid nastreven omwille van gelijkheid is vanuit het standpunt van de zwakste groep in de samenleving niet noodzakelijk efficiënt: het zou kunnen dat iedereen – ook de zwakste groep – in een volstrekt egalitaire samenleving er bijzonder slecht aan toe is. Wat voor de leden van de zwakste groep van belang is, is dat ze het zo goed mogelijk hebben.’ Vandenbroucke legt in zijn bijdrage vooral uit wat Rawls theorie is: een nuttige bijdrage aan het populariseren van Rawls. Wie niet zo bekend is met het werk van Rawls, zou met de tekst van Vandenbroucke kunnen beginnen.

Paul Cliteur houdt zich niet bezig met sociale rechtvaardigheid. Cliteur focust op de noodzakelijk minimale (omgangs)regels die nodig zijn om in vreedzaamheid met elkaar in vrijheid samen te leven. Cliteur is een liberaal die staat in de Milliaanse traditie van een zo groot mogelijke vrijheid van ieder individu, mits die vrijheid de vrijheid van anderen niet schaadt. In zijn tweede grote werk, Political Liberalism (1993), houdt Rawls zich hier mee bezig: hoe kunnen we in een liberale samenleving omgaan met mensen die er totaal verschillende ideeën op na houden, inclusief illiberale ideeën? In hoeverre moet de staat zich bemoeien met of grenzen stellen aan deze illiberale opvattingen en praktijken? Cliteur noemt in zijn inleidende woorden dat er werk is verricht om de theorie van Rawls uit te breiden naar niet-menselijke dieren. Cliteur verwijst hier naar mijn dissertatie (onder begeleiding van Paul Cliteur) Harming Others. Universal Subjectivism and the Expanding Moral Circle. Een populair-filosofische versie van mijn Rawlsiaanse theorie is verschenen als Filosofie voor een betere wereld. Cliteur focust echter in zijn Rawlslezing op het probleem van multiculturalisme. Hij wijst erop dat algemeen wordt onderkend dat Rawls twee verschillende filosofische theorieën heeft uiteengezet, die moeizaam (of wellicht in het geheel niet) met elkaar in overeenstemming zijn te brengen. Rawls I is de universele theorie van rechtvaardigheid zoals uiteengezet in A Theory of Justice en Rawls II gaat over politiek liberalisme, dat wil zeggen hoe mensen met verschillende opvattingen met elkaar kunnen samenleving. Dat laatste zette Rawls uiteen in Political Liberalism (1993) en The Law of Peoples (1999).

Cliteur bepleit in zijn werk de noodzakelijkheid van een moreel Esperanto. Dat moreel Esperanto heeft twee aspecten. Enerzijds gaat het erom dat wanneer morele kwesties bediscussieerd worden de argumenten voor iedereen toegankelijk moeten zijn, dus zonder verwijzing naar een religie (want dat kan niet door iedereen worden gedeeld). Morele argumentaties dienen aldus in een moreel Esperanto plaats te vinden. Ten tweede houdt het ideaal van moreel Esperanto in dat er een minimale set van gedeelde liberale waarden en normen is om überhaupt met elkaar te kunnen samenleven en om in een moreel Esperanto met elkaar te kunnen discussiëren. Cliteur betoogt dat Rawls II teveel neigt naar multiculturalisme en dat Rawls een te kleine set aan liberale kernwaarden noodzakelijk acht. In Political Liberalism is Rawls pragmatischer en realistischer dan in A Theory of Justice.

Cliteur betreurt dit en is van mening dat Rawls II neigt naar multiculturalisme en dus naar het tolereren van intolerantie waarmee de fundamenten van de liberale democratie in gevaar komen. Hoe een open samenleving moet omgaan met intoleranten is een kernthema van Karl Popper. Het lijkt erop alsof Cliteur eerder een Popperlezing geeft, dan een Rawlslezing. De bijdrage van Cliteur is verdienstelijk omdat Rawls II nogal eens wordt gebruikt in het publieke debat om multiculturalisme te bepleiten, of althans om kritiek op het multiculturalisme te temperen. Cliteur wijst erop dat de sociaalliberale democratische rechtstaat niet onschendbaar is, maar fragiel en dat deze moet worden gekoesterd, onderhouden, bewaakt en verdedigd. Cliteur werkt aan de voorwaarden om überhaupt aan sociale rechtvaardigheid te kunnen werken.

Hoogleraar Philippe Van Parijs kende John Rawls persoonlijk. Hij correspondeerde met Rawls over het manuscript van diens boek The Law of Peoples. Van Parijs gebruikt de Rawls lezingen om twee brieven van hem aan Rawls en een brief van Rawls aan hem openbaar te maken. Hoewel dat op zich interessant kan zijn voor academisch specialisten, is de toegevoegde waarde aan dit boek gering. Toch noem ik een punt uit de brief van Rawls. Rawls spreekt over ‘het idee van een realistische utopie’. Als politiek filosoof zoekt Rawls naar een haalbare rechtvaardige wereld. Streven naar een utopische wereld die rechtvaardig is, is een mooi streven, zeker wanneer dat – in theorie – tot de mogelijkheden behoort: ‘Ik maak mij geen illusie dat dit ooit realiteit wordt – en zeker niet snel – maar het blijft mogelijk, en dus past het binnen wat ik noem het idee van realistische utopie.’

De vijfde lezing is door hoogleraar filosofie Patrick Loobuyk. De benadering van Loobuyk sluit naadloos aan bij het thema van Cliteur: hoe gaan we om met fundamenteel botsende opvattingen in een liberale democratie? Loobuyk is veel positiever over Political Liberalism (Rawls II) dan Cliteur. Rawls in Political Liberalism: ‘Hoe is het mogelijk dat er op een duurzame manier een stabiele en rechtvaardige samenleving kan bestaan met vrije en gelijke burgers wiens redelijke, religieuze, filosofische en morele doctrines diepgaande van elkaar verschillen?’ Rawls gaat in Political Liberalism uit van ‘the fact of reasonable pluralism’. Een fundamentele vraag is: hoeveel pluralisme kan er zijn in een liberale democratie, of, om Paul Cliteur aan te halen: hoe moet er omgegaan worden met intolerantie in een tolerante samenleving? Loobuyk meent dat Rawls I en Rawls II wel degelijk een krachtig liberalisme (à la Cliteur) voorstaat:

Doctrines die ingaan tegen de morele wortels van het liberalisme, vrijheid en gelijkheid, kunnen geen vrij spel krijgen. Tegen mensen die handelingen willen stellen die de basisvrijheden van anderen schenden, moet de overheid optreden. Wie tegen de politieke idee van vrijheid en gelijkheid handelt, kan door de overheid gestraft of in zijn/haar handelen beperkt worden. Onredelijke doctrines, we kunnen hierbij denken aan nazisme, racisme en salafisme, vormen volgens Rawls ‘een bedreiging voor democratische instituties’ en moeten bestreden worden met de middelen die een open samenleving daartoe ter beschikking heeft staan.

Bij de opsomming van ‘onredelijke doctrines’ van Loobuyk voeg ik toe: neoliberalisme (waarbij uitbuiting van de derde wereld, en het milieu plaatsvindt), soortisme (discriminatie jegens niet –menselijke dieren) en presentisme (het discrimineren jegens toekomstige generaties door uitbuiting van het milieu). De toevoeging van deze drie illiberale doctrines hebben echter een vertrekkende gevolg voor onze samenlevingen. De opsomming die Loobuyk geeft is veilig en conservatief: iedereen is het daar roerend mee eens (in ieder geval de toehoorders bij de Rawlslezing). Het blijft voor liberale denkers een enorme blinde vlek) ondanks dat Cliteur het aanstipt) dat soortisme net zo verwerpelijk is als racisme (en dus, dat veganisme een noodzakelijk deel uitmaakt van de liberale ideologie).

Loobuyk maakt ook een mooie brug tussen Rawls en Popper (tussen de Popper- en de Rawlslezingen): Staatsneutraliteit impliceert geen ‘anything goes’ . De liberale democratie moet zich weerbaar opstellen tegen het gedachtegoed dat haar bedreigt. Hier geldt ‘intolerantie voor de intolerantie’. In De open samenleving en haar vijanden verwoordt Karl Popper het zo: ‘Indien we onbeperkte verdraagzaamheid zelfs uitstrekken tot dezulken die onverdraagzaam zijn, als we niet bereid zijn een verdraagzame samenleving te verdedigen tegen de woedende aanvallen der onverdraagzamen, dan zullen de verdraagzamen vernietigd worden, en verdraagzaamheid mét hen.’

Voor Loobuyk is Rawls de ideale filosoof (waaruit blijkt dat Loobuyk blijft volharden in de morele blinde vlekken van Rawls). De positie van Rawls kent critici. Voor de één is zijn politiek liberalisme nog te multicultureel omdat het inderdaad veel ruimte laat voor diversiteit en ruimte biedt aan levensoriëntaties die niet allemaal even liberaal zijn. [Dit is de kritiek van Paul Cliteur – FvdB] Voor de ander is zijn politiekliberalisme nog te seculier omdat Rawls wel degelijk liberale voorwaarden stelt aan diversiteit. Wat die voorwaarden zijn en hoe die zich vertalen naar politiek heikele kwesties binnen de multiculturele samenleving, daarover zwijgt Rawls en de lijn van Loobuyk is zwalkend tussen liberalisme en multiculturalisme (in tegenstelling tot Cliteur die expliciet kiest voor liberalisme).

Het is verdienstelijk van Liberales om door middel van de Rawlslezingen het debat een sociaal rechtvaardige samenleving binnen een liberaal kader aan te zwengelen. Theorieën over rechtvaardigheid past binnen de zogenaamde Gent-Leidse School waarbij filosofie praktisch wordt toegepast om de idealen van de Verlichting te bevorderen. Tot die school behoren Dirk Verhofstadt (UGent) en Paul Cliteur (ULeiden). De filosofie van Rawls verdient het om zich over en breed publiek te verspreiden. Het boek met de verzamelde Rawlslezingen is interessant voor studenten en filosofisch geïnteresseerden. Het boek is geen introductie in het werk van Rawls, zoals John Rawls: An Introduction (2009) door Percy B. Lehning. Persoonlijk vind ik het jammer dat, met uitzondering van Jan Terlouw en de opmerking over dieren van Paul Cliteur, de lezingen van Rawls zo conservatief zijn en de kritiek op de beperkte cirkel van Rawls (zoals onder andere verwoord door Martha Nussbaum in Frontiers of Justice: Disability, Nationality, Species Membership). De verzamelde Rawlslezingen laten zien dat de theorie van Rawls nog steeds een houvast geeft om na te denken over sociale rechtvaardigheid.

Dirk Verhofstadt schrijft in het voorwoord: ‘Uit de diverse lezingen blijkt immers dat rechtvaardigheid niet alleen nodig is om zoveel mogelijk mensen de kans te geven hun vermogens te ontwikkelen, maar dat het ook cruciaal is om te komen tot echte vrijheid. De vrijheid om zelf bewuste keuzes te kunnen maken.’ Waar politici nogal eens zwalken met realisme en pragmatisme, geeft Rawls houvast: het gaat om het optimaliseren voor de positie van degenen die het slechtst af zijn. Dat kan niet vaak genoeg gezegd worden. Een wereld waarin we streven naar het verbeteren van de positie van degenen die in een slechtst mogelijk positie zitten (inclusief de arme varkens in Tielt!) is een betere wereld. Zo’n betere wereld is een realistische utopie. Helaas voor vele liberalen en Rawlsianen maakt veganisme hier noodzakelijk onderdeel uit. Het maakt mij moedeloos dat dit bij een intellectuele elite zoals de auteurs van deze bundel maar niet door wil dringen. Wat is dan het nut van filosofie?

 

Dirk Verhofstadt (red.), Theorieën over rechtvaardigheid. De John Rawlslezingen, Liberaal Archief, Gent, 2017

Recensie door Floris van den Berg

De recensent is filosoof en auteur van onder andere ‘Beter weten. Filosofie van het ecohumanisme’ en ‘De vrolijke feminist’.

mailto:florisvandenberg@dds.nl.

Lenin in de trein. De reis naar de revolutie- Catherine Merridale

Lenin in de trein. De reis naar de revolutie- Catherine Merridale

Down to Earth - Renata Heinen en Rolf Winters

Down to Earth - Renata Heinen en Rolf Winters