Land van belofte - Joseph Pearce

Land van belofte - Joseph Pearce

De uitroeiing van de Europese Joden wordt algemeen beschouwd als het grootste dieptepunt in de menselijke geschiedenis. Zes miljoen mensen werden toen omwille van hun Joodse achtergrond vermoord. De Endlösung zorgde ervoor dat de historische Joodse aanwezigheid en invloed op zowel het sociale, economische als culturele leven in vooral Centraal- en Oost-Europa verdween in de nevelen van de geschiedenis. In zijn boek Schemerland vat de Vlaamse auteur Piet De Moor deze aderlating treffend samen: ‘Het verlies van de joden kan niet worden goedgemaakt (…) ze waren immers de overbrengers van de ideeën in Europa, ze legden de banden tussen de Europese landen, ze waren de vertalers van de Europese cultuur’. De nazi’s en hun aanhangers vermoordden massaal de Joden en vernietigden hiermee niet alleen een belangrijk en vruchtbaar onderdeel van de Europese cultuur maar doofden daardoor ook onherroepelijk de tolerante, kosmopolitische en creatieve ziel van Oost-Europese steden als Krakow, Boedapest, Odessa, Kiev, Warschau, Breslau en talloze andere steden en gemeenten. Bovendien ontwrichtten ze hiermee de levens van miljoenen Joodse mensen en hun nakomelingen. Die sloegen in alle richtingen op de vlucht voor de nazistische waanzin of moesten noodgedwongen blijven, waardoor ze een quasi zekere dood tegemoet gingen.

Over de Joodse diaspora, de verstrooiing of verspreiding van het volk van de Joden over verschillende delen van de wereld, verschenen reeds tal van publicaties en dagboeken. Een van de meest beklijvende is alvast Een verhaal van liefde en duisternis van de Israëlische auteur Amos Oz waarin hij verhaalt over zijn vader, moeder, grootouders, ooms en tantes, vrienden en kennissen en tal van andere Joden die in het begin van de jaren dertig door het antisemitisme in grote delen van Europa op de vlucht sloegen naar Palestina. Maar even ontroerend is Land van Belofte van de Vlaams-Britse schrijver Joseph Pearce die bekend werd met zijn romans Het belang van Edward Lindeman, Met gebalde vuisten, Maanzaad en Vaderland, stuk voor stuk aangrijpende verhalen tegen de achtergrond van de twintigste-eeuwse geschiedenis. Daarnaast is Pearce ook een gewaardeerde recensent, vooral van boeken over de geschiedenis van de twintigste eeuw in het algemeen en de Holocaust in het bijzonder. Om zijn interesse hiervoor te begrijpen moet men evenwel Land van Belofte. Een familiekroniek lezen, een boek dat hij reeds tien jaar geleden schreef maar dat nu opnieuw wordt uitgegeven. En terecht.

Net als de familieleden van Amos Oz, raakten de voorouders van Pearce verstrikt in de dodelijke antisemitische spinnenweefsels van de voorbije twee eeuwen. De auteur vernam pas op zijn veertiende dat zijn vader geen Brit was maar een Duitser van Joodse afkomst, die een jaar voor het uitbreken van de oorlog naar Engeland vluchtte en er een andere naam en identiteit aannam. Zijn vader Werner was in 1938, kort voor de beruchte Kristallnacht waarbij de nazi’s massaal Joodse winkels en synagogen aanvielen, de ruiten verbrijzelden en in brand staken, naar Engeland geëmigreerd. Tien jaar later trouwde hij met een Vlaams meisje en bekeerde zich tot het katholicisme. Intussen had hij ook al zijn Joods-Duitse naam Werner Peritz omgezet in Vernon Pearce. Op zijn 43ste besloot Joseph om zijn Joodse verwanten op te zoeken. Een bijzonder moeilijke opgave want zijn familie bleek uiteengeslagen door de Tweede Wereldoorlog en leeft verspreid over de hele wereld: tantes en neven wonen in Engeland, de Verenigde Staten, Israël, Bolivia, Australië en Zuid-Afrika. En toch bestond er één groot aanknopingspunt: Wroclaw, de voormalige prachtige Duitse stad Breslau waar voor de oorlog een grote Joodse gemeenschap woonde.

Joseph Pearce vertelt zijn queeste vooral aan de hand van het leven van zijn grootmoeder Else Durra, die samen met haar man Felix Peritz vlak voor de oorlog naar Palestina wist te ontkomen, na de dood van haar man bij haar zoon introk in Vlaanderen, en uiteindelijk uitweek naar haar zuster Edith in het Boliviaanse La Paz waar ze op 56-jarige leeftijd zelfmoord pleegde. In het begin van zijn reis zit de auteur vol vragen over het waarom van die wanhoopsdaad. Hij trekt naar Latijns Amerika waar zijn nieuwsgierigheid naar de geschiedenis van zijn voorouders alleen maar toeneemt en hij stilaan maar zeker een zicht krijgt op de enorme familiestamboom waarvan hij een van de jongste loten is. Het lot van zijn verwanten, van betovergrootvader tot achterneven, is verwikkeld in de latente aanwezigheid van de haat van de lokale bevolking tegenover de Joden die in de jaren dertig een moorddadig karakter kreeg, en die van niemand hulp kregen. Het klinkt verbijsterend, maar de families Peritz en Durra hadden dat niet zien aankomen. Ze waren juist Polen (waar regelmatig pogroms plaatsgrepen) ontvlucht naar Pruisen, hadden onder keizer Wilhelm II burgerrechten verworven, namen Duitstalige namen aan, assimileerden zich en voelden zich op en top Duitsers. Sterker nog, tijdens de Grote Oorlog streden ze als overtuigde patriotten voor hun ‘vaderland’. Felix kreeg zelfs het IJzeren Kruis tweede klasse. Natuurlijk bestond er antisemitisme, maar ze voelden zich aanvaard en dus veilig.

Achteraf gezien lijkt dat zo onlogisch, maar Joseph Pearce geeft goed aan hoe zelfs de grootste Duitse vooruitgangsoptimisten in die tijd de meest verwoede jodenhaters waren. ‘Zij applaudisseerden toen de joden gelijke burgerrechten verwierven en voorspelden dat er spoedig geen joden meer zouden zijn. Ze zouden zich emanciperen waarna ze zich van hun religieuze ketenen zouden bevrijden en versmelten met de ene, grote, nationalistische Duitse familie. Toen de joden die voorspelling niet snel genoeg vervulden, sloeg het begrip om in ressentiment.’ De Joods-Duitse filosoof Max Scheler beschreef reeds in 1912 het ressentiment of de rancune als een belangrijke kracht in het onderscheid dat bepalend is voor het menselijk gevoelsleven: dat tussen verstand en hart. De families Peritz en Durra konden, net als talloze andere Joden, gewoon niet begrijpen dat ze gevaar liepen. Ze hadden volgens de auteur immers al lang voor het nationaal conservatieve kamp gekozen, beschouwden hun religie als een privé-kwestie en keken net als de Duitsers en Polen neer op de Ostjuden met hun vreemde gewoontes en kledij. Het doet me denken aan een observatie van de schrijver Béla Zsolt die tijdens de Hongaarse Holocaust zelfs gevechten zag tussen orthodoxe en geassimileerde Joden. Die laatsten verweten de orthodoxen dat ze zich niet hadden willen aanpassen en dat de Endlösung daarom hun straf was.

Maar ze bleven in Duitsland, hopend dat de storm zou overwaaien alhoewel vanaf de machtsovername door de nazi’s op 30 januari 1933 tot 1937 al meer dan 2000 anti-joodse maatregelen waren genomen. Tal van Joden waren al in elkaar geslagen en vermoord zonder dat de daders hiervoor gestraft werden. De meeste Joden bleven zelfs nog, toen op 15 september 1935 de rassenwetten van Nurenberg hen tot minderwaardige burgers herleidden. Pas de Kristallnacht op 9 november 1938 moet heel wat vermeende zekerheden aan diggelen geslagen hebben. Toen de nazi’s die dag de winkel van een vriend van grootvader Peritz aan diggelen sloegen hoorde men de schimpscheuten van de Berlijners. ‘Net wat je verdient, jood’, zo riepen ze. Een dag later werden meer dan 20.000 Joden opgepakt en in concentratiekampen opgesloten. Toen gingen de ogen van de Joden open en sloegen ze massaal op de vlucht, voor zover dit nog mogelijk was, want de nazi’s legden hen steeds zwaardere voorwaarden op en de geallieerde landen weigerden schandelijk hun deuren te open voor deze mensen in nood. Neef Hans Peritz bleef samen met zijn moeder en broer radeloos achter. Hans belande in Auschwitz, terwijl zijn moeder en broer naar Isbica bij Lublin werden weggevoerd en daar doodgeschoten. Hans overleefde de gruwel, trouwde met een Joodse medegevangene, zat twee jaar in een kamp voor Displaced Persons in Beieren en trok later naar Pittsburgh in de VS. Joseph ging hem daar opzoeken. Deze confrontatie is de meest aangrijpende in het boek.

Zoals veel overlevenden van de Holocaust kan Hans moeilijk over het verleden praten. Vanaf 1 september 1939 mochten Joden na acht uur ’s avonds niet meer op straat gaan, ze moesten hun radio’s en telefoontoestellen inleveren, werden uitgesloten van het openbaar vervoer, werden naar Judenhäuser verplaatst, moesten dwangarbeid verrichten en werden vanaf 19 september 1941 verplicht de jodenster dragen. Enkele maanden later werden alle Joden uit Breslau afgevoerd naar Auschwitz en Theresienstadt. Na een selectie werden zijn moeder van 46 en zijn broer van 16 jaar doodgeschoten. ‘Ik herkende de schoenen van mijn broertje’, zei Hans, ‘en zag de kleren van moeder overal verspreid liggen. Die beelden heb ik nooit meer van me kunnen afzetten.’ Zelf overleeft hij de gruwel, vaak door hulp van kennissen uit Breslau, soms door puur geluk. Hij verloor er ook zijn geloof. Wie kan nog in de Messias geloven? In Auschwitz was hij alvast niet aanwezig. En Breslau ging mee ten onder in de waanzin van Hitler. De stad werd verdedigd door de fanatieke Gauleiter Karl Hanke die, overeenkomstig Hitlers Nero-bevel, de stad zelf vernietigde en waarbij honderdzeventigduizend burgers omkwamen. Joseph keerde er enkele keren met zijn vader terug, maar die vindt er geen houvast meer.

Gaandeweg raakt Joseph Pearce ook geïntrigeerd door het jodendom dat, in tegenstelling tot het katholicisme met aan het hoofd die ‘onfeilbare paus’, geen hiërarchische structuur kent. Dat maakt dat Joden vrije denkers zijn en zelfs in discussie gaan met hun God. Maar zijn reis naar Ramat-Gan in Israël, de stad waar zijn grootouders tien jaar lang woonden, is een afknapper. Nergens voelde hij zich zo ontheemd als in het Beloofde Land. ‘Het geroep om bevestiging van de joodse zuiverheid en de haast fanatieke smeekbeden om solidariteit deden me huiveren’, schrijft de auteur. ‘Als ik al iets joods had, deed Israël zijn best om het te vernietigen.’ Ontroerend is de lijdensweg van zijn grootmoeder die uiteindelijk zelfmoord pleegt. Joseph ziet ze als een verschoppeling, losgerukt van Breslau en nadien van al haar familieleden. Uit de vele brieven die Joseph van zijn verwanten over heel de wereld kreeg, bleek dat ze wanhopig poogde ‘haar familie in de diaspora bijeen te houden’. Na haar dood vallen alle contacten weg. Wat overblijft van die omvangrijke familie, van die vele bijzondere mensen met hun specifieke talenten en gebreken, staat nu in dit indrukwekkende boek. Bij elk bezoek aan het graf van een van zijn familieleden legde Joseph Pearce een steentje op het graf. Hij stopte als het ware zichzelf in de steen die weer en wind doorstaat en zegt daarmee dat hij ze niet zal vergeten. De doden leven zolang we over hen spreken. Deze machtige familiekroniek maakt hen onsterfelijk.

 

Joseph Pearce, Land van belofte. Een familiekroniek, Houtekiet, 2009

Recensie door Dirk Verhofstadt

Print Friendly and PDF
Een tip van de sluier - Karin Heremans

Een tip van de sluier - Karin Heremans

Wij en ik - Saskia De Coster

Wij en ik - Saskia De Coster