De ontdekking van de wereld - Peter Venmans

De ontdekking van de wereld - Peter Venmans

Een van de meest geciteerde filosofen van deze tijd is ongetwijfeld Hannah Arendt. Tijdens de voorbije jaren verscheen een groot deel van haar oeuvre in het Nederlands waaronder haar belangrijkste werken Totalitarisme, Vita Activa, Over Geweld, Over Revolutie en Eichmann in Jeruzalem. In de boekhandel ligt ook de Nederlandse vertaling van Hannah Arendt de monumentale biografie van Elisabeth Young-Bruel, een turf van ruim zeshonderd bladzijden. Even interessant is De ontdekking van de wereld waarin auteur Peter Venmans ingaat op het leven, het werk en de impact van Hannah Arendt op het hedendaagse denken en dit aan de hand van belangrijke gebeurtenissen, ontmoetingen en ervaringen in haar leven. Die ervaringen lopen opvallend gelijk met de meest dramatische gebeurtenissen van de vorige eeuw zoals de machtsovername door de nazi’s, de Endlösung en de Koude Oorlog. Zo ontleedt Peter Venmans haar joods bewustzijn, haar relatie met de beruchte filosoof Martin Heidegger, haar controversiële visie op de drijfveren van oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann, de impact van Immanuel Kant op haar denken, haar speciale verhouding met de Verenigde Staten en de positionering van haar filosofie tegenover het liberalisme en het conservatisme. Tegelijk slaagt de auteur er in om de vaak diepzinnige ideeën van Hannah Arendt met betrekking tot het kwaad, de amor mundi en haar lofzang op de publieke zichtbaarheid voor politiek en filosofisch minder beslagen lezers toegankelijk te maken.

Hannah Arendt was het kind van een volkomen geassimileerde joodse familie in Duitsland. Op jonge leeftijd verhuisde naar Königsberg, de stad waar Immanuel Kant zijn ganse leven had doorgebracht en er zijn beruchte Kritieken schreef die de filosofische onderbouwing vormen voor de Verlichting, het geloof in de rede en het streven naar individuele autonomie. In zijn Kritiek van de zuivere rede bakende Kant ondermeer de grenzen van de menselijke kennis af en verwierp hij de zekerheid dat de rede tot absolute kennis in staat zou zijn. Kennis leidt trouwens niet automatisch tot ethisch handelen. Dat werd in de loop van de twintigste eeuw pijnlijk duidelijk met Ieper, Auschwitz, Dresden en Hirsoshima als dramatische dieptepunten in de menselijke ‘beschaving’. Net die dieptepunten en in het bijzonder de Endlösung hebben het denken van Hannah Arendt zo beïnvloed. Aanvankelijk was ze zich nauwelijks bewust van haar ‘joods’ zijn en groeide ze op ‘als een gewoon Duits meisje’. Pas na de machtsovername door Hitler in 1933 werd ze pijnlijk geconfronteerd met haar afstamming en de politieke, biologische en fysieke scheidslijn die de nazi’s fanatiek en gewelddadig trokken tussen joden en niet joden.

Als studente raakte ze in de intellectuele en amoureuze ban van haar leermeester Martin Heidegger, de auteur Sein und Zeit een van de belangrijkste filosofische werken uit die tijd. Het vormde het begin van een bizarre en intrigerende relatie tussen een fervente verdediger van het naziregime en een jonge joodse intellectuele die al snel besefte dat haar leven – omwille van haar joods zijn – op het spel stond. In 1933 werd ze door de Gestapo gearresteerd omdat ze politiek vervolgde mensen geholpen had. Het lukte haar uit Berlijn naar Parijs te vluchten. Van 1935 tot 1938 gaf zij leiding aan de Parijse afdeling van de Jeugd-Aliyah, een organisatie die kinderen van joodse emigranten op een leven in Palestina voorbereidde. Van 1938 tot en met 1939 werkte ze voor de Jewish Agency in Parijs. Na de inval van de Duisters in Frankrijk werd ze opgesloten in het interneringskamp Gurs in Zuid-Frankrijk. Met behulp van het netwerk van Varian Fry slaagde ze er later in om net als Bertolt Brecht, Walter Benjamin, Alfred Döblin en de broers Heinrich en Thomas Mann naar de VS te vluchten.

Ondanks haar joods zijn bleef ze binnen de joodse denken een aparte plaats bekleden. Zo was Hannah Arendt zich aldus Venmans wel bewust van de massale medeplichtigheid van haar ex-landgenoten aan het nationaal-socialisme, maar verwierp ze de notie van ‘collectieve verantwoordelijkheid. ‘Landen, culturen of volkeren zijn niet aanspreekbaar, individuen wel’. In The Origins of Totalitarism verwerpt ze ook de theorie van de eeuwige jodenhaat en de zondeboktheorie. Arendt ziet het moderne antisemitisme eerder in verhouding ‘met specifieke historische omstandigheden, vooral met het ontstaan van de Europese natiestaten’. Een echte natiestaat kan ‘pas ontstaan na een lang proces van centralisatie, volksopvoeding, zuivering en uitsluiting’, zo parafraseert Venmans Arendt, en de joden werden daar als niet-nationale bevolkingsgroep het eerste slachtoffer van, hoezeer ze zich ook assimileerden. Neem de Duitse joden die tijdens de Eerste Wereldoorlog voor ‘hun Duitse vaderland’ vochten en sneuvelden. Voor Hitler had dit later geen enkele betekenis. Theodor Herzl zag de assimilatie reeds na de Dreyfus-affaire als een mislukking en begon te pleiten voor een eigen joodse natie. Met het eerste ging Arendt akkoord, met de territoriumkwestie had ze geen affiniteit. In die zin overwoog ze nooit om naar Palestina te emigreren, zag ze snel in dat de vorming van een joodse staat problemen zou opleveren (wat met de Palestijse bevolking?) en pleitte ze voor een binationale joods-Arabische staat. Achteraf bleek hoe profetisch haar waarschuwing was aan het adres voor een eenzijdige herzliaanse koers.

De felste botsing met de joodse gemeenschap kwam echter met haar boek over Eichmann in 1961. In de glazen kooi in de rechtbank van Jeruzalem zag ze een onopvallende man, de verdachte van de grootste georganiseerde moordpartij in de geschiedenis. Iemand die beweerde dat hij zich niets te verwijten had want hij had steeds scrupuleus de wet gevolgd. Arendt zag hem als een bureaucraat die geen bloed aan zijn handen had maar moordde met woorden, handtekeningen en telefoontjes, en gebruikte als ondertitel voor haar boek De banaliteit van het kwaad. Het veroorzaakte een golf van (joods) protest die ze manmoedig trotseerde. Ze voerde ook kritiek op de ‘joodse raden’ die zich schuldig hadden gemaakt aan medewerking aan de uitroeiing. Maar wat men haar vanuit joodse hoek het meest kwalijk nam, ‘is dat zij de joden de uniciteit van hun lijden ontzegde’, aldus Venmans. Men verweet haar een gebrek aan ‘liefde voor het joodse volk’ en Arendt beaamde dat, want ‘liefde is volgens haar voorbehouden aan de privésfeer’. Al deze zaken, de verwerping van de natiestaat, het feit dat alleen individuen verantwoordelijk zijn voor hun daden en het beperken van liefde tot het terrein van de privésfeer, demonstreren haar pleidooi voor de uniciteit van de mens, en tegelijk haar kantiaanse geloof in het universele wereldburgerschap. Mensen worden niet geboren als lid van een volk, religie of cultuur maar als burger van de wereld met een reeks onvervreemdbare rechten en vrijheden.

In die zin blijft het onbegrijpelijk dat ze nooit definitief afstand heeft genomen van Martin Heidegger die zich zelf nooit verontschuldigd heeft voor zijn nazi-sympathieën. Integendeel, naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag schreef ze een dubbelzinnige hommage over de man die met zijn uitspraak ‘De wil van de Führer is wet’, het pad effende voor de talloze monsterlijke misdaden die gepleegd werden. Het is juist op basis van dit juridisch en moreel bedenkelijke argument dat Eichmann, en met hem miljoenen anderen, hun geweten konden uitschakelen en deelnemen aan massamoord. Dat Arendt zich na de oorlog inzette voor de rehabilitatie van een man die de afschaffing van de academische vrijheid afkondigde en geobsedeerd was door het begrip ‘zuiverheid’ staat haaks op haar eigen geschriften. Venmans schrijft dat Hannah Arendts verwerking van Heideggers nazi-periode ‘nogal teleurstellend’ was. Die beoordeling is te mild voor een intellectuele van het kaliber van Arendt die zelf aan den lijve ondervonden had hoezeer Heideggers ideeën miljoenen geesten vergiftigde. Het gaat hier niet om een gebrek aan moed of een teveel aan respect, zoals sommigen beweren. Haar terughoudendheid tegenover Heidegger was gewoon een schande.

Haar aparte houding binnen het joodse denken betekende niet dat Arendt zich niet bewust was van de enorme impact van de Holocaust. Haar openbaring van het ‘radicale kwaad’ ontsproot in het najaar van 1943 toen ze kennis kreeg van de concentratie- en uitroeiingskampen met Auschwitz als voornaamste symbool. De totalitaire uitschakeling van mensen die niet passen binnen de ‘volmaakte’ maatschappij gebeurt volgens Arendt in drie stappen: het uitschakelen van de juridische persoon, het produceren van levende lijken en de ‘ontindividualisering’. Als voorbeeld verwijst ze naar de ‘muzelman’, zoals beschreven door Primo Levi, als mensen in wie de goddelijke vonk is uitgedoofd. Die ontmenselijking klonk ook door in de taal. In de taal van de Derde Rijk had men het niet over mensen, maar over ‘materiaal’ en ‘producten’.

Daar tegenover stonden de daders die Arendt als ‘gedachteloos’ omschrijft, want alleen ‘mensen die nadenken vormen een bedreiging voor het totalitarisme’. Alleen wie denkt komt op het morele domein. Juist daarom bewonderde Arendt zozeer Socrates, het toonbeeld van de denkende mens die zekerheden afwees. Het spoort met Poppers falsificatiemethode en doet Arendt besluiten dat ‘twijfelaars en sceptici in die totalitaire omstandigheden moreel veel betrouwbaarder zijn dan mensen met een vastomlijnde morele doctrine’. Volgens haar was Kant samen met Socrates ‘misschien wel de enige filosoof van belang die niet bezweek voor de verleiding van de macht’. De plicht als mens om het goede te doen stond ook bij haar centraal. Juist daarom stoorde het haar dat Eichmann zich in zijn verdediging beriep op diezelfde kantiaanse gedachten (ik heb mijn plicht gedaan). Heel scherp toont ze aan dat de oorlogsmisdadiger de essentie van Kants moraal niet begreep. ‘In de kern staat niet onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, maar juist het tegenovergestelde ervan: de vrijheidsgedachte’, namelijk de moed om zelfstandig te denken als wapen tegen slaafse navolging, gedachteloosheid en moordende onverschilligheid. Du kannst, denn du sollst.

In 1951 verkreeg de statenloze Hannah Arendt, een prototype van een ‘displaced person’, het Amerikaans staatsburgerschap. In deze melting-pot van culturen, het tegendeel van de homogene natiestaat, kon ze het goed vinden. Temeer omdat dit land – in tegenstelling tot zowat alle Europese landen – erin geslaagd was een politieke ruimte te creëren waarin de vrijheid niet werd versmacht. In die zin zag ze de Amerikaanse Revolutie als veel geslaagder dan de Franse. Die laatste mondde immers snel uit in terreur en dwang tot vorming van ‘de nieuwe mens’. Dat neemt niet weg dat ze ook kritiek had op de oppervlakkigheid in de VS, het conformisme en vooral de reductie van de vrijheid tot vrij ondernemerschap. Volgens Venmans zou Arendt zich nooit neergelegd hebben bij politiek handelen dat gebaseerd is op leugens, zoals ten tijde van de oorlog in Viëtnam, maar tegelijk wijst hij erop dat Arendt dit nog ‘vrij onschuldig’ vond in vergelijking met wat onder het totalitarisme gebeurde waar de leugen geperfectioneerd was. Toch werd ze zich steeds meer bewust van het gevaar van de manipulatie door de media. Een profetische waarschuwing in het licht van de oorlog in Irak die begonnen werd op basis van het voorwendsel dat er massavernietigingswapens waren.

Zo komt Venmans bij de vraag of Hannah Arendt nu links of rechts, liberaal of conservatief was? Eigenlijk baseerde ze zich niet zozeer op een vastomlijnde doctrine. Arendt zou zich eerder verwant gevoeld hebben met Albert Camus die het als zijn eerste ethische taak vond om de wereld niet erger te maken dan ze al was. Dat lijkt me in haar geval te weinig ambitieus. Mijn inziens sloot ze als denkster ook aan bij Karl Poppers visie in zijn boek De Armoede van het Historicisme. “Als we de wereld niet opnieuw in het ongeluk willen storten, moeten we onze dromen over het gelukkig maken van de wereld opgeven. Maar we moeten desondanks toch wereldverbeteraars blijven – maar bescheiden wereldverbeteraars. We moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen; en daarbij moeten we steeds de ogen open houden voor de onvermijdelijke ongewilde gevolgen van ons ingrijpen, die we nooit geheel kunnen voorzien en die maar al te vaak de balans van onze verbeteringen passief doet staan.”

Arendt kwam op voor de individuele vrijheid. Tegelijk besefte ze het belang van de mensenrechten, maar die werken niet omdat ze niet afdwingbaar zijn. De rechtelozen van deze aarde hebben niets aan ‘goed menende liberale internationalisten’. Dat klopt, vandaar ook de noodzaak van instellingen als het Internationaal Strafhof. Volgens Venmans zag Arendt heel scherp de paradox in dat ‘een verantwoordelijk individu zich alleen kan ontwikkelen met behulp van door anderen aangereikte keuzen’. Het is een stelling die binnen liberale kringen opgang maakt, zoals bij Amartya Sen, Fernando Savater en Martha Nussbaum. De ideeën van Arendt waren destijds niet populair, zo schrijft Venmans, omdat ze wars stonden op de tijdsgeest. Die tijdsgeest is door de globalisering echter razendsnel aan het veranderen. Het toenemende besef dat zowel vrijheid als rechtvaardigheid nodig zijn voor vrede en welvaart, en dat de wereld opnieuw het politieke handelen moet ontdekken, maakt haar werk alleen maar actueler.

 

Peter Venmans, De ontdekking van de wereld, Atlas, 2005

Recensie door Dirk Verhofstadt

Print Friendly and PDF
Botsende beschavingen - Samuel Huntington

Botsende beschavingen - Samuel Huntington

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders - Paul Cliteur

Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders - Paul Cliteur