Hemelbestormers - Tim Whitmarsh

Hemelbestormers - Tim Whitmarsh

In brede kringen wordt aangenomen dat het atheïsme een product is van de Verlichting die vanaf de 17de en nog meer in de 18de eeuw doorbrak in Europa. Doorgaans verwijst men naar denkers als Spinoza, Baron d’Holbach, Denis Diderot en Claude Helvétius. Het atheïsme is echter al veel ouder. De overtuiging van mensen dat er geen goden of bovennatuurlijke machten bestaan, situeert zich al in de klassieke oudheid. Het begrip atheïsme heeft trouwens een Griekse herkomst bestaande uit ‘a’ of ‘zonder’ en ‘theos’ of ‘god’. In zekere zin zou je zelfs kunnen zeggen dat het atheïsme even oud is als het theïsme waarvan het het tegendeel is. Zonder theïsme of religie zou er ook geen atheïsme of ongeloof kunnen bestaan. In zijn boek Hemelbestormers verhaalt Tim Whitmarsh, een Britse docent Oudgrieks aan de Universiteit van Oxford, over de twijfel bij heel wat oude Griekse filosofen over het bestaan van een goddelijke instantie.

Whitmarsh situeert het ontstaan van het atheïsme als een voldragen denkrichting in de loop van de zesde eeuw voor onze tijdrekening waarmee hij aangeeft dat het ongeveer even oud is als die van het Jodendom, maar alvast een stuk ouder dan het christendom en de islam. Daarbij toont hij aan dat in de regel ‘het polytheïsme (het geloof in veel goden) veel gastvrijer stond tegenover ongelovigen dan het monotheïsme’ dat al snel overging tot vervolging en onderdrukking. De Oude Grieken kenden weliswaar goden en priesters maar geen centrale theologische orthodoxie, noch een heilige schrift die voorschreef hoe de gelovigen zich moesten gedragen. Sterker nog, in heel wat oude teksten werden de goden afgeschilderd als moreel dubbelzinnig en zette men vraagtekens bij hun vermeende goddelijke eigenschappen. En er bestond de theomachie of ‘strijd van de mens tegen de goden’ die in heel wat mythen een belangrijke rol speelde. Sommigen probeerden zich de macht van de goden toe te eigenen en stelden daarmee de goddelijke ordening in vraag.

De Griekse filosofie ‘(werd) nooit gesteund of gereguleerd door de staat’, zoals dat later wel het geval was met religie toen de Romeinse keizer Theodosius in 380 het christendom uitriep tot staatsgodsdienst. Tegelijk neemt men aan dat de westerse filosofie een aanvang nam met de presocratici die de fundamenten legden voor de wetenschap en van de wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid als alternatief voor de conventionele mythologie. In die zin verwierpen ze verklaringen voor natuurverschijnselen waarin de goden een rol speelden. Denkers als Thales, Anaximander en Anaximenes baseerden hun stellingen op het universum zelf en niet op goden. Xenophanes gaf zelfs een verklaring voor het bestaan van godsdiensten, namelijk ‘de behoefte van de mens om het onverklaarbare te verklaren uit de bedoelingen van een op de mens gelijkend wezen’. Hij verwierp dan ook alle bovennatuurlijke kennis en hield zich eerder aan empirisch onderzoek. Presocratici gebruikten wel het woord god, maar dan als aanduiding van het ‘kluwen van onzichtbare krachten die de materiële wereld bijeenhoudt’.

Vanaf de vijfde eeuw voor onze tijdrekening begon de eeuw van Athene die tal van filosofen en andere denkers aantrok zoals Anaxagoras, Protagoras en Georgias. Aan de hand van het recht, de geneeskunde en de geschiedenis legt Whitmarsh uit dat men ook in die periode de klemtoon legde op materiële oorzaken en niet op mythische oorzaken. Het Atheense recht was niet theologisch maar een plek waar mensen zich persoonlijk moesten komen verantwoorden voor hun daden. Artsen stelden dat het menselijk lichaam functioneerde volgens natuurwetten. En Thucydides beschreef de Geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog als een reeks gebeurtenissen zonder interventie van de goden. Volgens de auteur is dit boek zelfs ‘het oudst bewaard gebleven atheïstische geschiedverhaal’. Sommige filosofen gingen nog verder en stelden dat religie mensenwerk was. Hoe was het trouwens mogelijk dat er een rechtvaardige en almachtige god zou bestaan terwijl er zoveel kwaad in de wereld bestaat? Voor Whitmarsh zijn dit ‘de meest expliciete uitingen van atheïsme uit de gehele oudheid’.

Toch ontstond er een tegenbeweging zoals te lezen valt in het papyrus Derveni waarin men tekeerging tegen zij die ‘niet geloven’. Er kwam zelfs een decreet dat zich keerde tegen asebie of goddeloosheid, het tegengestelde van eusebeia of vroomheid. Er zouden processen wegens asebie hebben plaatsgevonden tegen Anaxagoras, Diagoras, Socrates en Theodorus van Athene. Het is in die periode, zo schrijft Whitmarsh, dat het atheïsme werd gebruikt als een aanklacht, namelijk als ‘een politiek geïnspireerd verlangen om mensen te stigmatiseren’. Het meest beruchte proces was dat tegen Socrates. Hij zou de goden die de staat erkende, niet hebben erkend en nieuwe goden geïntroduceerd hebben (en daarmee de jeugd bedorven hebben). Dat stond radicaal tegenover de toenmalige ideeën dat ‘het geloof in de goden absoluut noodzakelijk is voor het functioneren van een rechtvaardige samenleving’. Hier zien we de hand van Plato die in het tiende deel van zijn boek Wetten strenge straffen voorschreef voor hen die zich bezondigden aan godslastering. Er mag maar één godsdienst zijn en dat is de staatsgodsdienst.

Whitmarsh beschrijft daarop het hellenistisch tijdperk, de periode vanaf de veroveringen door Alexander de Grote tot de Romeinse inlijving van Griekenland en het Midden Oosten waarin de Griekse cultuur een grote verbreiding kende, ook buiten Griekenland. In die periode ontstonden diverse filosofische scholen: stoïcijnen, cynici, sceptici en epicuristen. De eerste groep omarmde de theïstische filosofie van Plato (en Aristoteles) en bepleitte onderwerping aan een god. De cynici daarentegen hadden sterk agnostische visies en vonden theologische discussies gewoon oninteressant. De sceptici keerden zich tegen de dogma’s. Een van hen was Clitomarchus die een werk schreef Over atheïsme dat helaas verloren ging maar weerklank vond in de teksten van Sextus Empiricus. De epicuristen werden aanzien als bestrijders van de goden. Dat komt aan bod in het gedicht De rerum natura van Lucretius die stelde dat Epicurus zich keerde tegen ‘het valse geloof dat ons onderdrukt door middel van angst voor de dood, straf en het hiernamaals’. Men ziet god niet ‘als een bovennatuurlijk iets, maar als een mens die bovenmenselijke prestaties heeft geleverd’.

In zijn laatste deel verhaalt Whitmarsh over het Romeinse Rijk waar verschillende religies naast elkaar bloeiden, maar naarmate men politiek meer centraliseerde (in de vierde eeuw) de weg insloeg van de theocratie. De keizers werden vaak al tijdens hun leven vereerd als goden al bestond er in de prechristelijke periode ook een beweging die een wereld zonder goden propageerde. Dat waren geen echte atheïstische scholen, aldus de auteur, maar eerder een geheel van teksten die in de loop van de voorbije tijden over dit onderwerp verschenen en waar geestesverwanten kennis konden van nemen. Toch waren er ook tijdens de Romeinse periode uitgesproken atheïstische filosofen. Whitmarsh verwijst onder meer naar een zekere Aëtius die kritische vragen stelde bij de mogelijkheid dat goden zouden kunnen bestaan. Hoe kan een god almachtig zijn als er zoveel onrecht in de wereld is? En er was Lucianus van Samosata die sarcastisch deed over religieuze instituties. Ook uit andere teksten blijkt dat het atheïsme in die periode een wijdverspreid verschijnsel was in het Romeinse keizerrijk.

De neergang kwam er gelijktijdig met de opkomst van het christendom. Onder Constantijn werd het christendom aanvaard naast de andere religies maar kreeg het al een centrale plaats in het beleid. In 380 riep keizer Theodosius I het christendom uit tot officiële godsdienst waaraan alle onderdanen zich moesten onderwerpen. Al wie dat niet deed, werd bedreigd ‘met straffen van God en de wereldlijke overheid’. De tot dan vervolgde kerk werd vanaf dan zelf een vervolgende kerk. De slachtoffers waren niet alleen de andersgelovigen maar ook de atheïsten. ‘De kerstening van het Romeinse Rijk maakte voor meer dan een millennium een einde aan het serieuze filosofische atheïsme,’ zo schrijft Whitmarsh. Juist hier ligt het misverstand dat het atheïsme als levensbeschouwelijke stroming een relatief modern gegeven is. Met Hemelbestormers is dit misverstand van de baan. Whitmarsh schreef een dijk van een boek waarin hij met verve de protagonisten van het atheïsme in de klassieke oudheid terug in beeld brengt. Dit boek is dan ook belangrijk voor al wie meer wil weten over het ontstaan van het secularisme dat aan de grondslag ligt van de meest humane staten die we vandaag kennen.

 

Tim Whitmarsh, Hemelbestormers, Ambo/Anthos, 2016

Recensie door Dirk Verhofstadt

mailto:verhofstadt.dirk@telelenet.be

Print Friendly and PDF
Geluk. Een geschiedenis - Darrin McMahon

Geluk. Een geschiedenis - Darrin McMahon

After the Open Society - Karl Popper

After the Open Society - Karl Popper