Pleidooi voor het recht op actief burgerschap – Frederic Heylen

Pleidooi voor het recht op actief burgerschap – Frederic Heylen

Beknopte toelichting (300 woorden):

We zijn in een democratie allemaal politici, maar de kloof tussen burgers en de overheid lijkt groter dan ooit. Onze democratie verkeert in een diepe crisis, omwille van wantrouwen in de politiek en de Europese Unie, populisme, desinformatie, technocratie, corruptie, autoritarisme, religieus fanatisme... Al deze factoren zijn te herleiden tot twee fundamentele problemen: de uitholling van de rechtsstaat en/of een gebrek aan burgerschap.

Essentieel voor elke (rechts)staat is een gedeeld en actief burgerschap, waarbij vrije en gelijk(waardig)e burgers het fundament vormen van een hechte politieke gemeenschap. Maar dit is slechts een ideaalbeeld. Burgerschap ontstaat niet altijd vanzelf en dient gestimuleerd te worden door de overheid, minstens in 4 domeinen:

1. Burgers hebben levenslang recht op burgerschapseducatie en burgerschapsvorming over de fundamenten en het belang van onze democratische liberale rechtsstaat, zijnde het systeem van wetten en instituties dat onze vrijheid waarborgt.

2. Burgers hebben ook recht op correcte informatie en bescherming tegen desinformatie. Enkel zo kunnen zij als kritische burgers volwaardig deelnemen aan de politieke gemeenschap.

3. Artikel 21 van het UVRM spreekt reeds over een recht op deelname aan het beleid. Echte participatie betekent inspraak in het beleid en gaat verder dan het passief uitbrengen van een stem. De overheid zal burgers meer betrekken bij het beleid, op alle mogelijke en praktische manieren en niveaus (bv. burgerbegroting, burgerkabinet, burgertop).

4. Burgers hebben het recht om het heft (maar niet het recht!) in eigen handen te nemen (bv. via een burgerinitiatief, burgercollectief, burgercoöperatie, burgerplatform, burgerwetenschapsproject). De overheid moet burgers hierbij ten volle ondersteunen.

Kortom: het recht op actief burgerschap vraagt concrete inspanningen door de overheid op vlak  burgerschapseducatie, betrouwbare informatie, burgerinitiatieven en vooral meer participatie. Burgerschap is cruciaal voor het behoud van onze liberale representatieve democratie, die nog steeds de beste waarborg blijft voor een open samenleving in de 21e eeuw.

 Uitgebreide toelichting en achtergrondinformatie

 Naar aanleiding van het feit dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) op 10 december reeds 70 jaar de kerntekst is op vlak van mensenrechten, besteedt Filosofie Magazine in haar novembernummer veel aandacht aan de vraag of de rechten van het UVRM nog relevant zijn voor de 21e eeuw en of er geen nood bestaat aan nieuwe mensenrechten. Het dossier over mensenrechten bevat onder andere een voorstel van 8 cruciale actuele mensenrechten door Irena Rosenthal[1]. Op zich kan ik mij wel vinden in haar voorstel, maar het is uiteraard bedoeld als een aanzet tot verdere reflectie. Er werd immers een oproep gericht tot de lezers om zelf (actief!) mee te denken en een nieuw mensenrecht te omschrijven in max. 300 woorden (zie hierboven).

Dit was de perfecte aanleiding voor mij om de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) nog even te herlezen op zoek naar hiaten en mogelijke nieuwe mensenrechten. Volgens Paul Cliteur zouden er echter helemaal geen nieuwe mensenrechten moeten bijkomen, net omwille van hun bijzondere hogere status ten opzichte van het recht van alledag[2]. Persoonlijk vind ik wel dat er een essentiëler en noodzakelijker concept bestaat dat nog méér kan worden verankerd in het mensenrechtendiscours, namelijk het begrip ‘burgerschap’.

Democratisch burgerschap is volgens Fernando Savater “een vorm van samenleven en sociale organisatie van gelijken. (…) Zo is iedereen gelijk voor de wet, maar moet iedereen ook op dezelfde wijze de wetten naleven”[3]. Dit principe is reeds terug te vinden in artikel 7 UVRM, maar ook in artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet. Gelijk(waardig)heid voor en door de wet is één van de belangrijkste verworvenheden van de liberale democratische rechtsstaat[4].

Het belang van burgerschap blijkt ook uit het voorstel van Rosenthal trouwens. Doorheen de verantwoording van de 8 door haar voorgestelde nieuwe mensenrechten, spreekt zij op verschillende plaatsen over burgerschap, zowel letterlijk als figuurlijk. Burgerschap komt letterlijk ter sprake bij het recht op vakmanschap: “democratisch burgerschap” en het recht op vrije tijd: “goed burgerschap”. Figuurlijk of inhoudelijk komt burgerschap aan bod bij het recht om vergeten te worden: “Democratische procedures als verkiezingen vereisen dat mensen hun eigen oordeel kunnen vormen”, het recht op de stad: “participatie van alle bewoners”, het recht op voedselsoevereiniteit: “zeggenschap (…) en inspraak (…) in landbouwbeleid”, het recht op vrije tijd: “politieke participatie”. In het daaropvolgende interview van Nina Tesselaar zegt Rosenthal bovendien het volgende: “Juridisch gezien ligt de nadruk op het vastleggen van rechten. Maar er moet ook voor worden gezorgd dat het recht voldoende leeft bij mensen. Mensenrechten moeten altijd samengaan met politiek, met politieke bewustwording, met politieke mobilisatie”[5]. Ook dit ligt volgens mij inhoudelijk in de lijn van de waarde van actief burgerschap.  

Wat vaak terugkomt, zijn de woorden ‘participatie’, ‘zeggenschap’ en ‘inspraak’. Dit is inderdaad een cruciaal onderdeel van burgerschap, en waarschijnlijk zelfs de oorspronkelijke historische betekenis ervan. Onder politieke participatie verstaat men traditioneel het actief en passief kiesrecht (het recht om te kiezen en gekozen te worden) en het recht op gelijke toegang tot de openbare diensten. Dit traditioneel participatierecht kan men reeds terugvinden in diverse mensenrechtenteksten, zo ook reeds in het UVRM. Artikel 21 UVRM luidt als volgt:

1. Ieder persoon heeft het recht deel te nemen aan het beleid van de openbare aangelegenheden van zijn land, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van vrijelijk verkozen vertegenwoordigers.

2. Een ieder heeft recht onder gelijke voorwaarden toegelaten te worden tot de openbare bedieningen van zijn land.

3. De wil van het volk vormt de grondslag van het gezag der openbare besturen; deze wil moet tot uiting komen door rechtvaardig ingerichte verkiezingen die periodiek moeten plaats vinden volgens het stelsel van gelijk algemeen stemrecht en geheime stemming of volgens een gelijkwaardige procedure, die de vrijheid van stemmen waarborgt.”

 

Hoe belangrijk dit artikel ook is voor onze democratie, het UVRM heeft juridisch gezien slechts het karakter van een beginselverklaring waaruit als zodanig geen afdwingbare rechten of andere rechtsgevolgen voortvloeien. Toch heeft het UVRM een dusdanig grote morele impact gehad waardoor de verschillende beginselen later werden verankerd in juridisch bindende en afdwingbare mensenrechtenverdragen. Zo werd het traditioneel participatierecht opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten van 19 december 1966 (BUPO), meer bepaald in artikel 25:

Elke burger heeft het recht en dient in de gelegenheid te worden gesteld, zonder dat het onderscheid bedoeld in artikel 2 wordt gemaakt en zonder onredelijke beperkingen:

a) deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden, hetzij rechtstreeks of door middel van vrijelijk gekozen vertegenwoordigers;

b) te stemmen en gekozen te worden door middel van betrouwbare periodieke verkiezingen die gehouden worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemming, waardoor het vrijelijk tot uitdrukking brengen van de wil van de kiezers wordt verzekerd;

c) op algemene voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.”

 

Op basis van het voorgestelde recht op actief burgerschap heeft iedere burger recht op méér dan nu is voorzien in het UVRM en het BUPO. Iedere burger verdient ondersteuning én bescherming door de overheid in alle mogelijke aspecten van zijn/haar burgerschap. De overheid moet burgers maximaal ondersteunen om op te groeien of te evolueren naar actieve en kritische burgers. Mogelijks zijn er nog andere aspecten, maar ik stel concreet voor om 4 specifieke aspecten van burgerschap te verankeren onder het recht op actief burgerschap, namelijk educatie, informatie, participatie en actie (zie beknopte toelichting hierboven).

Dergelijk uitgebreid recht op actief burgerschap wordt niet opgenomen in het voorstel van nieuwe mensenrechten volgens Rosenthal. Betekent dit misschien dat zij dit begrip van burgerschap als verworven of vanzelfsprekend beschouwd? Ik geloof niet dat dat de reden is. Het is duidelijk dat Rosenthal de mening over het fundamentele belang van burgerschap deelt, zo blijkt uit voormelde verwijzingen naar dit begrip. Daarom ben ik er des te meer van overtuigd dat we alle middelen moeten aanwenden om het ideaal van een actief en gedeeld burgerschap zo veel als mogelijk te verwezenlijken.

Of mensenrechten hiervoor het enige of het meest doeltreffende middel zijn, is allesbehalve zeker. Rosenthal meent terecht dat we geen al te hooggespannen verwachtingen moeten hebben van mensenrechten[6]. Dit blijkt ook uit het artikel van Sjoerd de Jong over de scepsis van vele filosofen en intellectuelen bij de totstandkoming van het UVRM 70 jaar geleden. Zo zag Mahatma Gandhi geen heil in rechten zonder plichten: “Van mijn analfabete, maar wijze moeder heb ik geleerd dat rechten alleen kunnen worden ontleend aan plichten die goed zijn nagekomen. Zelfs het recht om te leven komt ons alleen toe wanneer we onze plicht doen als wereldburgers”. Hoewel de Jong een punt heeft als hij meent dat Gandhi eerder klinkt “als een conservatieve deugdenethicus dan als een verlichte pleitbezorger van mensenrechten”[7], maakt Gandhi volgens mij wel het cruciale punt dat rechten en plichten noodzakelijkerwijs hand in hand gaan.

Ook het UVRM spreekt niet enkel over rechten, maar ook over plichten in artikel 29, lid 2:

2. In het uitoefenen van zijn rechten en in het genot van zijn vrijheden is iedereen slechts onderworpen aan de beperkingen die door de wet uitsluitend werden ingevoerd om de erkenning van en de eerbied voor de rechten en vrijheden van andere te verzekeren en ten einde te voldoen aan de rechtmatige eisen van de moraal, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische maatschappij.”

Met ieder (mensen)recht komt een plicht, namelijk het respecteren van de fundamentele rechten en vrijheden van andere burgers. Net daarin ligt ook ieders individuele vrijheid. “Vrijheid is het recht om alles te doen wat de wet toestaat,” wist Montesquieu[8]. Deze reciprociteit van juridische erkenning of gelijkwaardigheid voor en door de wet is een hoeksteen van de liberale democratische rechtsstaat, zoals reeds aangehaald (artikel 7 UVRM). Het ‘recht om rechten te hebben’, zoals Hannah Arendt dit noemt, is terug te vinden in artikel 6 UVRM: “Een ieder heeft overal recht op de erkenning van zijn rechtspersoonlijkheid”.

Meer nog, het recht op actief burgerschap brengt volgens mij ook bepaalde burgerplichten met zich. Deze gedachte vindt men terug in het ietwat vreemd geformuleerde artikel 29, lid 1 UVRM:

1. De enkeling heeft verplichtingen tegenover de gemeenschap in wier schoot alleen een vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid mogelijk is.

Hoewel deze formulering volgens mij te veel overhelt naar het communitarisme, lees ik hierin een liberale visie van de individuele burger die ook de plicht heeft om actief te participeren in de politieke gemeenschap waarvan hij onvermijdelijk deel uitmaakt. Actief burgerschap omvat in die zin dus ook begrippen als burgerzin (civic mindedness) en burgerplicht (civic duties).

 

Het komt er dus op aan om actief burgerschap te stimuleren. Elk politiek bestel is maar zo sterk als de politieke bereidwilligheid en vaardigheden van haar burgers. Terwijl traditioneel bij burgerschap eerder aan participatie wordt gedacht, denk ik dus dat we ook moeten kijken naar welke opvoeding een behoorlijke participatie bewerkstelligt. Onze kinderen zijn de grootste groep nieuwkomers in onze maatschappij[9]. We zijn het dus aan het voortbestaan van onze vrije samenleving verschuldigd om hen dan ook wegwijs te maken in de werking van onze liberale democratie. Onze kinderen moeten opgeleid en opgevoed worden om democratische burgers te worden, zonder dat er evenwel sprake mag zijn van indoctrinatie, propaganda of politieke correctheid. Op dit punt wil ik o.a. verwijzen naar het pleidooi van Patrick Loobuyck voor zogenaamde LEF-lessen[10]. Het pleidooi voor burgerschapseducatie als opleiding tot actieve en kritische burgers vindt bovendien ook steun in de preambule van het UVRM:  

De algemene vergadering bevestigt dat zij deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens beschouwt als zijnde het gemeenschappelijke ideaal te bereiken door alle volken en alle naties opdat alle personen en alle lichamen der maatschappij, deze verklaring gestadig voor de geest hebben, zich zouden beijveren om, door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen (…).”

Maar ook na de meerderjarigheid zou dit recht op burgerschapseducatie voortgezet kunnen worden. Burgers zouden levenslang een coherent aanbod aan burgerschapsvorming mogen verwachten. Uiteraard geldt dit zeker ook voor nieuwe Nederlanders of Belgen. Zij zijn nog minder vertrouwd dan onze kinderen met onze liberale democratische rechtsstaat en, meer specifiek, met onze fundamentele rechten en vrijheden. Daarom is de overheid het aan zichzelf verplicht om hen niet aan hun lot over te laten, maar om hen actief in te schakelen in educatieve inburgeringstrajecten, met respect voor bepaalde tradities uit hun land van herkomst, maar zonder enige toegeving op de fundamentele rechten en vrijheden van het land van aankomst.

Aansluitend op het laatste punt inzake nieuwkomers, wil ik toch reeds een mogelijk misverstand de wereld uit helpen. Men zou verkeerdelijk kunnen denken dat het recht op actief burgerschap ook het recht omvat om dat burgerschap te verwerven. Burgerschap is geen synoniem van nationaliteit, hoewel er vaak spraakverwarring is. (Staats)burgerschap omvat minstens het stemrecht, nationaliteit in essentie slechts het recht op een paspoort. Noch vloeit uit het recht op actief burgerschap enig recht op asiel of enig verblijfsrecht voort. Iemand die illegaal op het grondgebied verblijft, kan uiteraard geen burger zijn, maar blijft uiteraard wel een mens. Meer nog, iemand die wel legaal op het grondgebied van een staat verblijft, zij het omwille van een asielprocedure of omwille van een naturalisatie, is daarom op zich nog geen actieve burger. Ook het UVRM spreekt over asiel en nationaliteit. Zo kent artikel 14, lid 1 een recht op asiel toe in geval van vervolging. Artikel 15 luidt dan weer als volgt:

“1. Ieder mens heeft recht op een nationaliteit.

2. Niemand mag willekeurig worden beroofd van zijn nationaliteit, noch van het recht van nationaliteit te veranderen.”

Zowel het recht op asiel als het recht op nationaliteit moeten duidelijk onderscheiden worden van het recht op actief burgerschap, dat ultiem het recht omvat voor iedere burger om op eender welke manier actief deel te nemen aan de liberale democratie, gekoppeld aan de plicht tot respect voor de democratische rechtsstaat en de fundamentele rechten en vrijheden die daarin voor iedere (andere) burger gelden. Het UVRM heeft hiervoor de blauwdruk geleverd.

In die zin zijn mensenrechten zoals vervat in het UVRM dus een fundamentele veruitwendiging van de grondwaarden van onze liberale democratie. Maar een democratie die haar kernbegrippen niet verduidelijkt of deze niet beschermt of cultiveert, geeft ruimte aan hen die haar geen goed hart toedragen. Of om Bastiaan Rijpkema te parafraseren: zo’n democratie is niet weerbaar[11]. Bovendien is een democratie maar zo sterk en weerbaar als de gevoel van burgerschap dat leeft bij haar individuele burgers. Vandaar mijn pleidooi voor een nieuw (of beter: uitgebreid) recht op actief burgerschap.

 

Tot slot nog een woordje over de 70e verjaardag van het UVRM, dat op 10 december 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Deze datum is tevens de Internationale Dag van de Rechten van de Mens. Binnenkort wordt symbolisch op 10 en 11 december 2018 in Marrakech een nieuwe beginselverklaring genaamd ‘Global Compact for Safe, Orderly and Regular Migration’ ondertekend, met uitdrukkelijke verwijzing naar het UVRM. Zoals reeds aangehaald was en is het UVRM eveneens slechts een beginselverklaring die als zodanig geen rechtsgevolgen doet ontstaan. Volgens de Belgische rechtspraak alvast, kan de schending van het UVRM niet worden ingeroepen als grond tot cassatie of als grond tot vernietiging van een handeling van een administratieve overheid[12]. Los van de politieke commotie over het Global Compact (die zich vooral toespitst op de mogelijke juridische draagwijdte en de al te positieve appreciatie van migratie), laat ik u tot slot met volgende retorische vraag: zou het UVRM als fundamenteel democratische tekst met dezelfde optimistische ingesteldheid als 70 jaar geleden opnieuw kunnen worden aangenomen in het huidige geopolitieke klimaat?

Frederic Heylen

Kernlid Liberales – Notarieel jurist


Voetnoten:

[1] I. Rosenthal, “Dit zijn de 8 mensenrechten die we nú nodig hebben”, Filosofie Magazine november 2018, 18-24.

[2] N. Tesselaar, “Geen nieuwe mensenrechten”, https://www.filosofie.nl/nl/artikel/50254/index.html.

[3] F. Savater, Vrijheid, Gelijkheid, Burgerschap: Zakwoordenboek voor mensen van morgen, Bijleveld, 2009, 9.

[4] M. De Vos, “De rechtsstaat: vrijheid onder het recht” in L. Neels, T. Beeckman, M. De Vos en I. Van de Cloot, De Verlichting uit evenwicht, Kalmthout, Van Halewyck, 2016, 37.

[5] N. Tesselaar, “Vrij van vrees en gebrek”, Filosofie Magazine november 2018, 26.

[6] N. Tesselaar, “Vrij van vrees en gebrek”, Filosofie Magazine november 2018, 26.

[7] S. De Jong, “Hoe filosofen níét bijdroegen aan de mensenrechten”, Filosofie Magazine november 2018, 31-32.

[8] F. Grapperhaus, Rafels aan de rechtsstaat, Amsterdam, Prometheus, 2017, 89.

[9] P. Loobuyck, Samenleven met gezond verstand, Kalmthout, Polis, 2017, 19.

[10] P. Loobuyck, Meer LEF in het onderwijs. Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie voor iedereen, Brussel, VUBPRESS, 2014. Zie ook: A.C. Grayling, Democracy and Its Crisis, London, Oneworld Publications, 2017, 131, 161, 186-187; F. Savater, De waarde van het opvoeden, Utrecht, Bijleveld, 2013, 148-151, 183-184.

[11] A. Ellian, G. Molier, B. Rijpkema (red.), De strijd om de democratie. Essays over democratische zelfverdediging, Amsterdam, Boom, 2018.

[12] Zie o.a. Cass. 15 maart 1965, Pass., 1965, I, 764; R.v.St., 9 februari 1966, De Meyer, nr. 11.634.

Print Friendly and PDF
De legalisering van drugs is geen wondermiddel - David Van Turnhout

De legalisering van drugs is geen wondermiddel - David Van Turnhout

Moet Zwarte Piet een Verlichte Piet worden? – François Levrau

Moet Zwarte Piet een Verlichte Piet worden? – François Levrau