Dat 'andere' liberalisme - Daniël Boomsma

Dat 'andere' liberalisme - Daniël Boomsma

“Zijn wij geestverwanten? De VVD en D66 vinden elkaar niet, zichzelf wel liberaal. Dat geeft te denken.” Aldus H.A.M. Hoefnagels in het Liberaal Reveil in 1980 (1), in reactie op het essay Liberalisme in Nederland (2) van toenmalig D66 Tweede Kamerlid Elida Tuinstra. En het geeft tot op de dag van vandaag te denken. De woorden van Hoefnagels hebben gaandeweg een bijna algemene zeggingskracht gekregen: ze verwijzen ook nu op een heel kernachtige manier naar de houding van twee partijen, die zich allebei erfgenamen noemen van de brede stroming die het liberalisme heet, maar elkaar die erfenis ontzeggen. Die oude en rijke dialoog tussen de twee partijen is een onlosmakelijk onderdeel van de geschiedenis van beide partijen. Het vijftigjarig bestaan van D66 vormt een goede aanleiding om de moeizame relatie tussen de twee partijen wat betreft dat liberalisme nog eens te belichten. Het essay van Elida Tuinstra vormt daarbij een goed vertrekpunt. Dat stuk was in zekere zin typerend voor het meningsverschil niet alleen over wat liberalisme is, maar hoe tot een definitie ervan te komen.

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig begon D66 zich al veel meer dan voorheen te associëren met de liberale erfenis. In 1967 had VVD-oprichter P.J. Oud al met recht opgemerkt dat “het Appèl [aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie] […] in wezen liberaal” was (3).  En al hield D66 in de beginjaren alle ‘ismen’ op grote afstand en bekritiseerde het het politieke spectrum als geheelde partij kon in historisch licht niet heen om het feit dat haar manier van denken verwant was aan de zuiver liberale ideeënwereld – dat wat later zou uitmonden in het sociaal-liberalisme. Langzamerhand zouden vele D66’ers ook tot die conclusie komen, waaronder voorman Jan Terlouw (4), en dus ook Elida Tuinstra, die daarmee aansluiting vond – en vindt – bij wat inmiddels een lange traditie is binnen D66.

In haar essay noemde Tuinstra D’66 een “moderne liberale partij”, met wortels in de oude traditie die zo’n sterke nadruk legde op de mens als individu. Tuinstra komt tot die conclusie via een analyse van de tijd van de oprichting van de partij. Ze schrijft over de “de vriendelijke rust” die zich over het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog verspreidde. Over de zelfvoldaanheid die tot gevolg had dat de gevestigde politiek “de geestelijke en culturele veranderingsprocessen die in gang waren gezet” niet opmerkte, over dat de mensen langzamerhand niet zonder meer vertrouwden, geloofden, of gezag accepteerden (5). Een verzet kwam op gang tegen “de ondoorzichtigheid van het bestuur” (6), en het gebrekkige democratische gehalte van de maatschappij.

In die tijd van groeiend onbehagen werd D66 opgericht, en in de eerste programma’s en partijnota’s  waren al “ liberale trekken” te herkennen zoals de “sterke nadruk op het individu, staatsrechtelijke hervormingen, invloed van de burgers op het bestuur, openbaarheid en controle van de macht” (7). Bovendien was het geen toeval, schrijft Tuinstra, dat veel van de nieuwe Democraten afkomstig waren van de VVD en JOVD, waaronder medeoprichters Nypels en Hans Gruijters. Gruijters stapte op nadat hem door de partij geweigerd werd om niet bij de huwelijksreceptie van prinses Beatrix en prins Claus aanwezig te zijn (hij deed het toch). In algemene zin verlieten echter veel Democraten hun oude nest omdat ze bij de VVD – de JOVD was van oudsher vooruitstrevender – niet de houding aantroffen die ze zo noodzakelijk achtten voor de tijd waarin ze leefden.

Ook binnen de VVD ontstond enige onrust. In 1968 keerde een Amsterdamse werkgroep liberalen (het ‘Liberaal Democratisch Centrum’) zich bijvoorbeeld tegen het “conservatisme in de VVD”, naar aanleiding van een rede op het jubileumcongres dat jaar van VVD-voorman Van Riel. In een nota schreven zij: “Een partij kan zich niet enerzijds liberaal noemen en zich anderzijds conservatief presenteren.” (8) Door de opstelling van Van Riel, zo schrijft voormalig VVD Tweede Kamerlid Mark Verheijen in een biografie van de conservatief politicus (Harm van Riel een rechtse provo, Boom Amsterdam, 2016), stond de VVD zelfs aan de wieg van D66. (9)

Een werkelijk liberale visie had volgens Tuinstra – naast het centraal stellen van het individu – nog een ándere kant: bij processen van verandering niet de hakken in het zand zetten, maar ze (met mate) proberen te stimuleren, en de grote bereidheid tonen het eigen denken te wijzigen op basis van de nieuwe omstandigheden, dat element van de veranderingsgezindheid, het dynamische begrip van politiek, dat zich bij D66 manifesteerde. De VVD liet na die houding aan te nemen, niet alleen in de jaren zestig en de wezenlijke culturele veranderingen die deze periode met zich meebracht, maar bijvoorbeeld ook wat betreft de onafhankelijkheid van Indonesië, of de vervuiling van het milieu en de energieschaarste, of de hervorming van de democratie, of op medisch-ethisch vlak. Zelfs de persvrijheid bleek problematisch. Zo stelde VVD-Kamerlid Couzy in 1962 vragen aan de Minister van Defensie met betrekking tot het verbieden van het weekblad Vrij Nederland in “kazernes, legerplaatsen en andere militaire inrichtingen”, omdat het blad ‘gezagsondermijnende stukken’ zou publiceren. (10)

Aan het feit dat de VVD niet bij machte was om die essentiële liberale taak te vervullen, heeft D66 voor een deel haar vijftigjarige bestaan te danken. Het was de VVD die de Democraten de ruimte bood om een traditie in te vullen die in de Nederlandse politiek tot op dat moment niet werd ingevuld – hoogstens op papier: die van het vooruitstrevend, sociaal bewogen, of ‘zuiver liberalisme’. In historisch perspectief hebben liberalen immers altijd de kant gekozen van wat in de negentiende eeuw the party of movement werd genoemd - de partij van de ‘beweging’ en veranderingsgezindheid - als tegenovergesteld aan the party of order. Er is ook niet zoiets als conservatief liberalisme, die eigenaardige contradictio in adjecto. (11)

Jezelf liberaal noemen op papier, zoals het meest recent nog in het Liberaal Manifest (2005) en de Beginselverklaring (2008), en daarmee de zaak afdoen met een verwijzing naar opgeschreven beginselen, doet potsierlijk aan. Rondom dat uitgangspunt vormt zich ook de moeizame verhouding tussen D66 en VVD over het vraagstuk van het liberalisme, het fundamentele meningsverschil, met belangrijke conclusies tot gevolg. D66 heeft in haar vijftigjarig bestaan steeds gezegd dat in de politiek het handelen als maat der dingen dient te worden beschouwd. Ronkende manifesten kunnen prachtig zijn, maar zijn zonder wezenlijke betekenis als ze het handelen niet of weinig beïnvloeden. Op één been kun je niet staan. De vraag is dus nog steeds: “wat is de functie van ideologische uitgangspunten of grondslagen voor de praktische politiek van alledag” (12). En het antwoord op die vraag is te vinden door een analyse te maken van die ‘praktijk van alledag’. Liberalisme is eigentijds, of ze is helemaal niet. En er is een fundamenteel verschil tussen de praktijk van de ideologie, en de ideologisering van de praktijk. Het liberale gehalte van een partij is slechts vast te stellen door te kijken naar de handelende politiek en of die aan de kern van de genoemde liberale houding beantwoordt. Politiek volgens liberalen dient bovendien richting te geven, en is dus nooit stationair. De liberaal stelt daarom onafgebroken de dynamische vraag: ‘Liberalisme, waarheen?’

Wie een blik werpt op de historie van het politieke handelen van de VVD, ziet dat de partij over het algemeen blijk geeft van andere overtuigingen dan zuiver liberale, als wij uitgaan van wat Tuinstra beschouwde als één van de twee steunpilaren van het liberalisme: bij processen van verandering met grote welwillendheid de bakens te verzetten. De voorbeelden zijn legio. De VVD bedrijft bijvoorbeeld een de status quo handhavend, nationaal gericht buitenlands beleid (13). Het voert een op orde en handhaving gericht asiel- en immigratiebeleid te faveure van preventie en emancipatie, zie (relatief) recentelijk nog de nota’s Nota Islam van Minister Henk Kamp en De (buiten)grenzen van Europa van Tweede Kamerlid Malik Azmani, en in bredere zin de gedoogconstructie met de PVV van Wilders in Rutte I. De partij hanteert veiligheid als belangrijkste ordemiddel, voert geen actief onderwijsbeleid, en is recentelijk niet in staat geweest gevestigde belangen te bevragen ten behoeve van sociaaleconomische hervormingen – waaronder de woningmarkt en specifiek de hypotheekrenteaftrek. Hetzelfde geldt voor democratische vernieuwing en het klimaat- en duurzaamheidbeleid. Op beide gebieden heeft de VVD nagelaten om bestaande machten uit te dagen.

Op basis van bovenstaande lijnen van handelen, kan gezegd worden dat bindende elementen in het politiek handelen van de VVD de begrippen orde, gezag en continuïteit zijn. En zo bood en biedt de partij D66 nog steeds ruimte om dat ‘andere liberalisme’, het welbegrepen liberalisme dat zich geroepen voelt om bestaande belangen te doorbreken, vorm te geven. De vraag is: bij welke traditie sluit de politieke praktijk van de VVD wél aan, als het de liberale niet is? Misschien dat het beste gesproken kan worden van een in beginsel tot hervorming bereid conservatisme. Reform conservatism, zoals de Britten het plegen te noemen. Een conservatief denken dat probeert verandering af te remmen, een sterke hang heeft naar orde, gematigde hervormingen niet tegenstaat, maar vooral continuïteit tracht te waarborgen, en zich zelden opwerpt als een grote hervormer met de bereidheid bestaande machten en belangen te bevragen (14). “Het blijft het klassieke probleem van de VVD sinds haar oprichting “dat de partij enerzijds in ideologische zin de pretentie moet ophouden van een echte liberale partij en aan de andere kant in de dagelijkse praktijk in het krachtenveld van de Nederlandse politiek een doodgewone conservatieve rol moet vervullen en daarop een groot deel van haar aanhang werft.” (15)

Die constatering hoeft echter geen verwijt te zijn. En het is zeker geen schande. Het is alleen zo dat de term in Nederland nog steeds in laag aanzien staat (16), vaak slechts een ‘term of abuse’ is. Het zou goed zijn als het conservatisme van haar wat onnodig bekrompen bijklank ontdaan zou kunnen worden, en bij een politieke partij voet aan wal kan zetten. Mocht de VVD daartoe bereid zijn dan vraagt dat om een relativering van de papierenwerkelijkheid, de vele doorwrochte artikelen, manifesten, en beginselverklaringen uit het verleden waarin liberale ideeën gehuldigd worden, en een terugkeer naar de vraag: wat vormen de kernoverweging van ons politiek beleid? Hoe handelen – en hebben we – de afgelopen jaren gehandeld? Wat valt uit dat handelen op te maken? En welke mensen voelen zich daar door aangetrokken?

Tot dusver is het vooral ingesleten gewoonte, niet de politieke praktijk, die dicteert dat de VVD zich met het liberalisme moet afficheren. Zijn we wat de politieke verhouding betreft tussen D66 en de VVD over het liberalisme, niet terug bij af? Terug bij de begrijpelijke verzuchting van Hoefnagels in het Liberaal Reveil? In zekere zin wel. En dat is in meerdere opzichten veelzeggend. Maar misschien dat het goed zou zijn als de moeizame verhouding  tussen de twee partijen eens tot een vruchtbaar besluit zou kunnen komen. Óók vanuit een democratisch oogpunt. Er is een aanzienlijke groep mensen, die conservatief wil stemmen, maar door ons partijenstelsel in ieder geval officieel geen ‘thuis’ kan vinden. Toch vinden ze vaak hun weg naar de VVD. Als de VVD hen ook in officiële naam een thuis zou kunnen bieden – wellicht met enkele bondgenoten uit andere partijen – dan zou dat de eerlijkheid van de partij naar zichzelf en de duidelijkheid voor de politiek als geheel vergroten.

Voor de VVD zou dat alles veel grootmoedigheid vergen. Afscheid nemen van de gewoontewijsheid is een pijnlijk proces; dat weten D66’ers maar al te goed. Een dergelijke stap lijkt echter voorlopig toekomstmuziek. Wat dat betreft gelden nog steeds de woorden van Hans Gruijters uit 1969: “Men is er [bij de VVD] nog steeds niet aan toe zichzelf te kennen voor wat men is: een conservatieve partij.” (17) Of nadert het moment van erkenning toch? Er is in ieder geval steeds meer aanleiding toe, de bewijslast stapelt zich op. Het woord is aan de VVD.

 

Daniël Boomsma

De auteur is junior wetenschappelijk medewerker van de Mr. Hans van Mierlo Stichting en kernlid van Liberales.

 

Voetnoten

(1)  ‘Dialoog met D’66’, Liberaal Reveil, 21 (1980), nr. 3, 42.

(2)  Liberaal Reveil, 21 (1980), nr. 3, 32-40.

(3)  Elseviers Weekblad (1967), nr. 13, 52.

(4)  Tijdens een voordracht ter gelegenheid van de algemene politieke beschouwingen van 12 oktober 1976 sprak Terlouw van een “post-socialistisch liberalisme”.

(5)  Liberaal Reveil, 21 (1980), nr. 3, 37.

(6)  Idem.

(7)  Idem, 38.

(8)  De Tijd, 7 februari 1968, pag. 3.

(9)  ‘VVD hielp een handje bij geboorte en doorstart D66’, Reformatorisch Dagblad, 27 mei 2016. In de partijgeschiedenis klonken – en dat moet te denken geven – geregeld vergelijkbare geluiden, onder meer in de jaren negentig, onder het fractievoorzitterschap van Frits Bolkestein (‘Hermans waarschuwt VVD voor conservatisme’, Nederlands Dagblad, 23 mei 1990, pag. 3). De jongeren van de JOVD maken geregeld hun bezwaren kenbaar tegen het vermeende conservatisme bij de VVD. (Zie: ‘VVD jongeren vinden [VVD]liberalen te conservatief, HP de Tijd, 23 december 2009), ook door D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld en D66-leider Alexander Pechtold in resp. 2007 en 2013 tot liberaal van het jaar uit te roepen.

(10) Hans Gruijters, Daarom D’66, De Bezige Bij, Amsterdam 1967, pag. 24. Gruijters schreef verder: “Als lid van een liberale partij, die beweert het liberalisme in Nederland te verdedigen, zag de heer Couzy toch geen tegenspraak tussen dat liberalisme en de strekking van zijn vragen.”

(11) In zijn Liberale canon schrijft Dirk Verhofstadt: “Wie opkomt voor een ‘rechts’ of ‘conservatief’ liberalisme heeft het niet begrepen, want het liberalisme omarmt het vooruitgangsgeloof en is uitgesproken progressief.” (De liberale canon, grondslagen van het liberalisme, Houtekiet/Liberaal Archief, Gent 2015, pag. 13).

(12) Elida Tuinstra, ‘Liberalisme in Nederand’, Liberaal Reveil, 21 (1980), nr. 3, 35.

(13) Zie onder andere: Halbe Zijlstra, ‘Realistisch buitenlandbeleid’, Liberaal Reveil, 57 (2015), nr. 1, 46-52. Ook: Han ten Broeke, Tien vuistregels voor een realistisch buitenlands beleid, Internationale Spectator, 70 (maart 2016), no. 2.

(14) Zie Hermann von der Dunk, ‘Conservatism in the Netherlands’,  Journal of Contemporary History, Vol. 13, no. 4, A Century of Conservatism (1978), 742.

(15) Hans van Mierlo, Congrestoespraak 6 februari 1988.

(16) Von der Dunk schrijft: “The words ‘conservatism’ and ‘conservative’ are not very popular in the Netherlands. In this century not a single political party has expressly called itself or its programme conservative. In contrast to Britain, for example, this term is evidently not regarded as simply an indication of a particular current in politics, but in itself considered a priori dishonourable or objectionable.” In een interview met NRC Handelsblad in 1982 zei Hans Wiegel: “Ik zeg altijd: als u mij, omdat ik bepaalde zaken in het leven wil behouden,  conservatief wil noemen, dan moet u dat weten. (‘Het hoogst behaald dat een liberaal kan bereiken’, NRC Handelsblad, 24 april 1982, pag. 4).

(17) Elsevier, Weekblad (april 1969), nr.. 16, pag 38.

Print Friendly and PDF
Nacht in de middag - Arthur Koestler

Nacht in de middag - Arthur Koestler

Laten we over migratie praten (en kalm blijven) - Patrick Loobuyck

Laten we over migratie praten (en kalm blijven) - Patrick Loobuyck