Degelijk onderwijs is belangrijker dan godsdienstvrijheid - Leni Franken

Degelijk onderwijs is belangrijker dan godsdienstvrijheid - Leni Franken

Enkele weken geleden overhandigde een studente mij een bundel ‘richtlijnen’ die zij, als sollicitante in de joodse school Benoth Jerusalem had gekregen. Dat streng orthodoxe joodse scholen het moeilijk hebben met de evolutieleer en seksuele voorlichting was al langer geweten, maar de  richtlijnen in de bundel gaan veel verder dan dat. Zo mag er met leerlingen ook niet worden gesproken over ‘politiek, religie, racisme en persoonlijke aangelegenheden’, net zoals over ‘erediensten en kunst (kruisbeelden, naakten)’. Daarnaast blijken ook christelijke motieven en popmuziek ongepast en wordt tekst- en beeldmateriaal stevig gescreend (bv. geen teksten met ‘jongens bij meisjes en omgekeerd’; ‘nieuwe boeken [en] video-projecties moeten goedgekeurd worden door de [joodse] directie’).

De school Benoth Jerusalem is een gesubsidieerde en dus door de overheid erkende vrije onderwijsinstelling. Om dat statuut te krijgen en te behouden moet je als school aan een aantal criteria voldoen, waaronder het behalen van door de overheid opgelegde eindtermen. Na een inspectiebezoek in 2012 bleek dat dit voor de betreffende school niet het geval was en er onder meer ‘hiaten’ waren voor de vakken natuurwetenschappen, aardrijkskunde en muzikale opvoeding. In 2015 waren de hiaten volgens de inspectie weggewerkt en kreeg de school een gunstig advies.

De richtlijnen die de sollicitante in het najaar van 2017 kreeg brengen nochtans een ander verhaal aan het licht en Minister van Onderwijs Hilde Crevits zal de school dan ook opnieuw laten doorlichten. "Scholen die een pad volgen dat niet in overeenstemming is met wat wij vragen via onze eindtermen, zullen zich moeten aanpassen. Wie hardnekkig blijft weigeren, kan zijn erkenning verliezen. Maar zo ver is het nog niet", aldus de minister.

Ook de joodse school reageerde afkeurend op het hele gebeuren. Zo wees het schoolbestuur erop dat de richtlijnen niet behoren tot de officiële schooldocumenten en zou noch de directie, noch de inrichtende macht op de hoogte zijn geweest van dit document. Het schoolbestuur heeft het document dan ook onmiddellijk verboden omdat het zou indruisen “tegen alles waar de school voor staat”.

Met dit alles is het joods onderwijs nochtans niet aan haar proefstuk toe. Zo kwam in 2011 nog aan het licht dat er onder meer in de Antwerpse school Jesode Hatorah gecensureerd wordt, terwijl Bais Rachel na een inspectiebezoek in 2001-2002 haar subsidies en erkenning kwijtspeelde omdat er geweigerd werd om seksuele voorlichting te geven en moderne technologie (radio en televisie) te gebruiken. Ook in het buitenland (onder meer in de het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten (New York), Canada en Israël) doen er zich trouwens problemen voor met censuur op ultra-orthodoxe joodse scholen.

Vraag is in dit hele verhaal hoe we als overheid op de meest gepaste manier omgaan met dit soort scholen en met de spanning die zich hier voordoet tussen het recht van ouders om hun kind op te voeden in overeenstemming met de eigen levensbeschouwelijke en culturele traditie enerzijds (EVRM, art.2, prot.1; rechten van het kind art. 29c), en het recht van het kind op onderwijs dat gericht is op de “ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens” en jongeren voorbereidt “op een verantwoord leven in een vrije samenleving in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van geslachten, en vriendschap tussen alle volken” anderzijds. (rechten van het kind art. 29a,d).

Over dit spanningsveld buigen niet alleen beleidsmakers, maar ook (politieke) filosofen zich al decennialang, maar een pasklaar antwoord op de vraag hoe we hier best mee omgaan is er voorlopig nog niet. Dit heeft onder meer te maken met de vraag wat het begrip ‘schaden’ precies betekent in deze context. In een liberale democratie zijn we immers in principe vrij om te doen wat we willen, zolang we onze medemens niet schaden (cf. J.S. Mill), maar wat nu eigenlijk onder ‘schaden’ wordt verstaan is in de praktijk niet altijd even duidelijk. Zo wees de Antwerpse schepen voor onderwijs Claude Marinower er  in Terzake (20-02-2018) bijvoorbeeld op dat een gesegregeerde manier van leven en onderwijzen pas problematisch wordt op het moment dat dit “een gevaarlijkere piste begint te bewandelen”, wat binnen de (ultra-)orthodoxe gemeenschap in Antwerpen “onbestaande” is.

Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Het is niet omdat de joodse gemeenschap niet oproept tot haat en geweld naar niet-joden toe, dat er binnen die joodse gemeenschap geen sprake zou zijn van mogelijke schade aan derden. En daar gaat het nu precies over. Zo worden kinderen binnen de joods-orthodoxe gemeenschap onwetend en in heel wat opzichten wereldvreemd gehouden, wat de mogelijkheden om een leven te leiden buiten die gemeenschap serieus inperkt. Weegt de schade die het kind hiermee wordt aangedaan, op tegen de religieuze en culturele gebruiken en opvattingen van de ouders?

Ik vind alvast van niet, maar als niet-orthodoxe jood heb ik natuurlijk makkelijk praten. Mijn levensbeschouwelijke overtuigingen zijn, zoals deze van het merendeel van de ouders en leerlingen in Vlaanderen, immers niet fundamenteel in conflict met de hierboven genoemde doelstellingen van ons onderwijs en met de daarmee samenhangede normen en waarden zoals vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect en autonomie.

Waar deze normen en waarden wél botsen met de levensbeschouwelijke overtuigingen van de ouders, is het in de praktijk vaak zoeken naar de gulden middenweg. Zo moeten de directies van de erkende joodse scholen geregeld schipperen tussen de eisen die de overheid oplegt enerzijds, en de religieuze en culturele eisen van de joodse gemeenschap anderzijds. Wie het eerste laat primeren, neemt het risico dat een deel van de ouders niet meer voor de betreffende school kiest en hun kinderen inschrijft in een niet-erkende school of (collectief) huisonderwijs laat volgen. Maar ook als men het laatste laat primeren bestaat het risico dat leerlingen eindigen in een niet-erkende school of in het (collectief) huisonderwijs. Scholen die de eindtermen niet halen verliezen immers hun erkenning en subsidies. En omdat de controle op de leerplannen er minimaal is, is ook dat niet de meest wenselijke optie. Het lijkt dus kiezen tussen de pest en de cholera en het is vaak moeizaam zoeken naar een juiste balans, waarbij bepaalde principes, zoals het recht op onderwijs dat jongeren voorbereidt op een leven in onze samenleving, soms in het gedrang komen.

Als overheid mag je deze principes echter nooit laten wijken omwille van dit soort pragmatische overwegingen: wanneer de overheid, ‘om erger te voorkomen’, bepaalde vormen van censuur zou toelaten in haar erkende onderwijsinstellingen, geeft ze immers aan dat er eigenlijk niet zo een groot probleem is. Bovendien gedoogt ze in dat geval dit soort onderwijs niet alleen, maar faciliteert ze het ook op kosten van de belastingbetaler, die daar vermoedelijk niet voor staat te springen. Ik was dan ook blij te horen dat de Minister van Onderwijs oordeelde dat de genoemde richtlijnen ‘in geen geval’ (ook niet omwille van pragmatische redenen dus) toelaatbaar zijn in erkende scholen en dat niet alleen Benoth Jerusalem, maar ook alle andere erkende scholen in de toekomst vaker zullen worden doorgelicht. Vraag blijft natuurlijk of hiermee het probleem zal worden opgelost en zo ja, of vergelijkbare zaken zich binnen afzienbare tijd niet op andere scholen of zonder medeweten van de inspectie, zullen voordoen.

 

Leni Franken

De auteur werkt in het Centrum Pieter Gillis (UAntwerpen)

Print Friendly and PDF
Politiek voor en door burgers - Willem-Frederik Schiltz

Politiek voor en door burgers - Willem-Frederik Schiltz

Donut economie - Kate Raworth

Donut economie - Kate Raworth