Free Market Fairness - John Tomasi

Free Market Fairness - John Tomasi

Kan de vrije markt bijdragen tot meer sociale rechtvaardigheid? In zijn boek Free Market Fairness is John Tomasi,  professor politieke filosofie aan Brown University (Rhode Island), hier rotsvast van overtuigd. Maar alhoewel hij ter zake veel waardevolle inzichten bijbrengt, is er aan zijn pleidooi heel wat aan te merken. Het boek gaat over het meningsverschil dat er heerst in het liberale kamp over het belang en de bescherming van economische vrijheden. Op de eerste plaats is er de vrijheid van arbeid, dit is het recht om zelf te bepalen of men al dan niet werkt, welk beroep men wil uitoefenen, tegen welk loon en hoe lang men werkt enz. Ten tweede is er de vrijheid van ondernemen, dit is het recht om een eigen onderneming op te richten en die uit te bouwen door het aanbieden van goederen of diensten op de markt. Ten slotte is er de contractvrijheid, dit is het recht om een contract aan te gaan of niet, de inhoud van dit contract mee te bepalen als producent, consument, koper, verkoper, huurder, verhuurder enz. en de voordelen te genieten die aan het contract verbonden zijn (bijvoorbeeld in het bezit komen van de goederen die men heeft aangekocht).

Aan de ene kant zouden de klassieke liberalen en de libertariërs staan. Die zouden staan voor een grote bescherming van de economische vrijheden. Aan de andere kant zouden zich de “high liberals” bevinden. Als men deze term letterlijk zou vertalen, zou men het moeten hebben over de “verheven liberalen”. In het Nederlands is het gebruikelijker om hen te benoemen als de ontplooiingsliberalen. Die zouden het niet zo hoog op hebben met de economische vrijheden. De klassieke liberalen, zoals Adam Smith, Friedrich von Hayek en Milton Friedman, plaatsen de hoger genoemde economische vrijheden op dezelfde hoogte als de klassieke burgerlijke en politieke grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, het recht om te kiezen en zelf verkozen te worden etc.  Ze dienen dan ook dezelfde juridische bescherming te krijgen. Voor deze behandeling geven ze allerhande redenen op: de economische vrijheden zouden een verlengstuk zijn van de burgerlijke en politieke grondrechten, net als de burgerlijke en politieke grondrechten zouden de economische vrijheden beschermen tegen vormen van tirannie, door middel van de economische vrijheden zou de economie het best functioneren en de economische vrijheden zouden de mogelijkheden vergroten om het materieel bestaan te verbeteren en het leven te leiden dat men zelf zou willen leiden.

De klassieke liberalen beseffen echter wel dat niet iedereen even veel baat heeft bij de uitoefening van de economische vrijheden. Een aantal mensen kan niet mee en blijft achter, omdat ze geen voordeel weten te halen uit de mogelijkheden die de economische vrijheden bieden. Er is dan ook behoefte aan een sociaal vangnet dat ervoor moet zorgen dat die mensen niet in de armoede blijven. Dit vangnet moet liefst wel beperkt zijn. Libertariërs, zoals Robert Nozick, zijn de mening toegedaan dat de economische vrijheden de belangrijkste grondrechten zijn. Voor hen zijn vrijheid en eigendom synoniemen. De vrijheid om eigendom te verwerven en zich ervan te ontdoen moet zo onbeperkt mogelijk zijn. Daarbij kan men zelfs beschikken over zijn eigen lichaam en zijn eigen leven door zichzelf bijvoorbeeld als slaaf te verkopen aan een meester. Dat er hierdoor grote ongelijkheden ontstaan, is voor libertariërs geen punt. Men stelt zich allerminst vragen over de concrete resultaten die een absoluut eigendomsrecht met zich brengt. Dat de overheid zich zo weinig mogelijk dient te moeien, staat buiten kijf. Een sociaal vangnet is bijgevolg uit den boze.

Voor ontplooiingsliberalen, waarvan John Rawls de belangrijkste vertegenwoordiger is, komt het erop aan dat mensen zich moeten kunnen ontplooien en hun leven zelf inhoud moeten kunnen geven. De ene mens heeft hier veel meer de mogelijkheden voor dan de andere. Daarom moet de nodige ondersteuning worden gegeven aan die personen die een minder goede startpositie hebben, zodat er een echte gelijkheid van kansen kan ontstaan. Dit brengt een belangrijke taak en rol voor de overheid met zich. Veel ontplooiingsliberalen blijken de volledige ontplooiing van de mens niet te zien in het economische domein. In hun ogen dienen zoveel mogelijk mensen hun politieke stem te kunnen verheffen of moet men over zoveel mogelijk vrije tijd beschikken, want die tijd kan men naar eigen goeddunken invullen. Het economische wordt alleen gezien als een nuttig middel. Door te werken verwerft men een inkomen of een zekere welstand zodat men zich over zijn materiële noden geen zorgen hoeft te maken en zich op meer waardevolle activiteiten kan concentreren. Een aantal ontplooiingsliberalen breekt dan ook een lans voor een arbeidstijdverkorting voor iedereen: de tijd die men besteedt aan betaald werk zou beperkt moeten worden tot datgene wat strikt noodzakelijk is. Wat de economische vrijheden betreft, die moeten niet het statuut van grondrecht krijgen, in tegenstelling tot de klassieke burgerlijke en politieke grondrechten.   

Misschien een klassieke kanttekening bij het voorgaande: deze beschrijvingen van het klassieke liberalisme, het libertarisme en het ontplooiingsliberalisme zijn die van John Tomasi. Alvast de libertariërs die Free Market Fairness gerecenseerd hebben, konden zich niet herkennen in diens omschrijving van hun gedachtegoed. Op elk van deze drie stromingen heeft John Tomasi kritiek. De libertariërs verwijt hij dat ze totaal geen aandacht besteden aan het armoedeprobleem. Voor deze problematiek hebben de klassieke liberalen wel oog, maar ze maken niet duidelijk hoe de nood aan een sociaal vangnet in hun ideologie kan worden ingepast. Van hun kant zouden de ontplooiingsliberalen een aantal zaken niet correct hebben ingeschat. Ze leken ervan uit te gaan dat door de stijging van de productiviteit en de groei van de economie de mensen steeds minder belang in betaalde arbeid zouden stellen en meer vrije tijd zouden opnemen.

Werk is en blijft heel belangrijk in het leven van velen. Het tegendeel blijkt echter het geval te zijn: mensen werken nog altijd lang, als ze al niet langer werken dan in het verleden. Tevens lijken ontplooiingsliberalen niet te beseffen dat het economische domein net zo goed kansen biedt voor zelfontwikkeling en –ontplooiing als andere niet-economische activiteiten. Zo kan het uitbouwen van een succesvolle zaak die de eigen naam draagt, een uitdrukking van de eigen identiteit en de bekroning van een levenswerk uitmaken. Ten slotte is de wereld van het werk grondig veranderd. In een economie waar creativiteit en innovatie de boventoon voeren, beschikken veel werknemers over een grote autonomie. Zij moeten hun arbeid niet meer in een strak carcan verrichten. Op het werk kan men over een grote mate van vrijheid beschikken.

Vervolgens probeert Tomasi het klassieke liberalisme en het ontplooiingsliberalisme met elkaar te verzoenen. Het libertarisme houdt hij buiten beschouwing, omdat hij vindt dat een aantal fundamentele rechten toch niet te koop mogen zijn.  Daarnaast is wetgeving soms nodig om bepaalde belangen te beschermen zoals het recht van de werknemers om hun arbeid in gezonde omstandigheden te verrichten. Van het ontplooiingsliberalisme ontleent hij het idee dat een aantal maatregelen genomen moet worden om de mensen aan de onderkant van de samenleving te bevoordelen, zodat iedereen over een reële mogelijkheid beschikt om zijn of haar lot in eigen handen te nemen. Concreet neemt Tomasi van Rawls de doelstelling over dat een maatschappij aan iedereen de kans moet geven om de auteur van het eigen leven te zijn, dat wil zeggen om zelf te beslissen hoe men zijn leven wil uitbouwen. Van het klassieke liberalisme neemt hij het grote belang van de economische vrijheden over. Men moet immers veel ruimte aan particuliere economische initiatieven laten. Zoniet ontzegt men aan veel mensen de kans om zich via hun beroep of via een andere economische activiteit (bijvoorbeeld een eigen onderneming) zichzelf te ontwikkelen en te ontplooien. Als men als auteur van het eigen levensverhaal daar een economische inhoud aan wil geven, dan moet dit perfect kunnen. Tevens deelt Tomasi het idee van Hayek dat men bij voorkeur naar marktoplossingen moet grijpen om maatschappelijke problemen op te lossen. Via de kracht van prijssignalen kan men immers een maximum aan kennis en informatie aanboren.  

Kunnen adepten van Hayek ervan overtuigd worden om zich achter een Rawlsiaanse doelstelling te scharen? Per slot van rekening lijken ze alle kleuren van de regenboog te krijgen als ze het begrip “social justice”, de ultieme doelstelling van de filosofie van John Rawls, te horen krijgen. In dit verband heeft Tomasi het zelfs over “social justicitis”, een hevige allergische reactie. Toch meent hij de aanhangers van Hayek over de streep te kunnen trekken. Heeft Hayek immers niet zelf aangegeven in zijn boek The Mirage of Social Justice uit 1976 dat hij, wat de principiële uitgangspunten betreft, niet zo veel verschilde van Rawls? Bovendien bedient Hayek zich net als Rawls van een soort sluier van de onwetendheid: “Stel dat we niet weten in welke maatschappij we terechtkomen en dat we evenmin weten wat onze positie in die maatschappij zou zijn, wat onze gezondheid zou zijn, welke opleiding we zouden kunnen volgen enz., aan welke maatschappij zouden wij dan de voorkeur geven?” Net als Rawls geeft Hayek de voorkeur aan een samenleving die aan iedereen de grootst mogelijke kansen biedt om de ambities die men zich voor ogen stelt te bereiken. De voornaamste kritiek van Hayek op Rawls zit in het gebruik van het woord “social justice” in de dagelijkse politiek. Hayek is er vooral voor bevreesd dat dit woord gebruikt wordt als alibi om gigantische bureaucratieën op te zetten die inkomens zwaar herverdelen om tot een bepaalde rechtvaardig geachte inkomensverdeling te komen. Dit zou de persoonlijke vrijheid te zeer in het gedrang brengen.

Een andere vraag is hoe men de denkbeelden van Rawls met die van Hayek kan rijmen. Zoals gezegd was Hayek wel voor een zekere bescherming tegen armoede, maar het geld hiervoor mocht niet van de meer welstellenden worden afgenomen. Daarentegen was Rawls wel voorstander van een grote inkomensherverdeling. Zo noemde Rawls zich een pleitbezorger van de “property-owning democracy”, waarbij rijkdom die voorheen geconcentreerd zit in een beperkt milieu wordt verspreid over de hele samenleving, zodat iedereen voor een stukje in die rijkdom kan delen. John Tomasi lost dit probleem door een listig kunstgreepje op. Hij stelt dat A Theory of Justice, het belangrijkste werk van John Rawls uit 1971, niet opgevat moet worden als een religieuze tekst die men letterlijk zou moeten lezen. Bepaalde begrippen die erin voorkomen, zoals social justice en fairness, moeten desnoods een andere invulling krijgen als dit nodig is om ze te laten aansluiten op de wereld van vandaag. Dergelijke herinterpretatie wordt onder meer noodzakelijk gemaakt door de globalisering. Daarnaast moet het grote belang dat betaald werk en andere economische activiteiten wel degelijk hebben voor de ontwikkeling van de eigen identiteit en voor het waarmaken van het eigen levensverhaal, worden ingebed in het Rawlsiaanse raamwerk om het (in de ogen van Tomasi) verkeerde beeld van veel ontplooiingsliberalen over het belang van werk ter zake te corrigeren. 

Van een hertaling van de denkbeelden van Rawls naar de wereld van vandaag heeft een aantal auteurs zich al gekweten gedurende de afgelopen jaren. Het zijn klassieke liberalen die het belang van de vrije markt niet willen verklaren om nutsredenen, bijvoorbeeld omdat het om de beste  organisatie van de economie zou gaan. Zij willen juist de vrije markt promoten als het middel om het Rawlsiaanse ideaal van een reële gelijkheid van kansen te verwezenlijken. Zo zien ze de vrije markt als het terrein bij uitstek waar een ieder zijn of haar talenten kan ontvouwen. Daarnaast draait de vrije markt evenveel om samenwerking als om concurrentie.  Om economisch succes te behalen gaat het er niet alleen om beter te zijn dan de concurrentie. Het gaat er eveneens om de krachten met anderen te bundelen teneinde de eigen kansen te vergroten. Coöperatie en concurrentie gaan hand in hand. Ze geven er zich echter wel rekenschap van dat de kansen niet gelijk verdeeld zijn. Daarom moeten de handicaps die de kansen op succes van de maatschappelijk zwaksten op de vrije markt verminderen, worden aangepakt. Hun mogelijkheden om op de vrije markt te navigeren moeten worden uitgebreid. John Tomasi sluit zich bij al deze ideeën aan en geeft er de overkoepelende naam van free market fairness aan. De vrije markt als dé methode om tot meer sociale rechtvaardigheid te komen, naast een sociaal opvangnet voor de zwaksten in de maatschappij.  

Het politieke stelsel dat nodig zou zijn om het ideaal van free market fairness te bewerkstelligen noemt Tomasi de marktdemocratie. Die zou onder meer bestaan uit een beperkte overheid die een aantal essentiële publieke goederen zou moeten garanderen. Voor zaken die niet door de overheid worden opgenomen, dient het private initiatief, via de markt en het maatschappelijk middenveld, in te staan. Daarnaast moet de macht zo veel mogelijk verspreid worden. Niet alleen machtsconcentraties bij enkele toppolitici of topambtenaren moeten worden vermeden. Concentraties waarbij enkele ondernemingen de markt onder elkaar verdelen, moeten eveneens bestreden worden. Zodoende kan de gelijkheid van economische kansen beter gewaarborgd worden. De hierboven genoemde economische vrijheden, de vrijheid van arbeid, de vrijheid van ondernemen en de contractvrijheid, moeten grondwettelijk verankerd worden. Tenslotte moet het economisch beleid erop gericht zijn om de economische groei te bevorderen. Immers, hoe meer economische groei, hoe meer kansen er komen op de arbeids- en andere markten.

Free market fairness is een mooi voorbeeld van een nieuw type van fusionisme waartoe men nu in de Verenigde Staten wil komen. Het eerste type van fusionisme ontstond in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, toen het libertarisme en het conservatisme elkaar vonden in een gemeenschappelijk verzet tegen de progressieve verwezenlijkingen van de jaren dertig en zestig (de New Deal, de burgerrechtenbeweging enz.). Veel libertariërs en ook veel klassieke liberalen vinden dat de Amerikaanse rechterzijde nu te ver is doorgeschoven naar de (oer)conservatieve kant met de Tea party. Daarom zoeken zij naar een nieuwe partner waar men steun bij kan zoeken. Men meent die partner bij de ontplooiingsliberalen, bij de aanhangers van Rawls, te vinden. Om hen te charmeren, probeert men de denkbeelden van Rawls te combineren met die van Hayek. Deze beweging wordt wel eens Rawlsekianism of liberaltarians genoemd. Om vanuit het perspectief van de ideeën van Hayek op te schuiven richting Rawls, is niet echt moeilijk. In de geschriften van Hayek zijn er genoeg aanknopingspunten voor te vinden. Zelf stelde Hayek in The Mirage of Social Justice dat zijn meningsverschillen met Rawls vooral het woordgebruik betroffen en geen verband hielden met de basis van Rawls zijn gedachtegoed: “The differences between us seemed more verbal than substantial…”  

Maar om vanuit het perspectief van de ideeën van Rawls richting Hayek op te schuiven, is een ander paar mouwen. Ik kan gerust accepteren dat het beter is dat een filosofisch werk evolutief geduid wordt, dat wil zeggen dat rekening wordt gehouden met maatschappelijke evoluties die zich sinds het verschijnen van het boek voorgedaan hebben en dat desnoods sommige begrippen een wat andere invulling krijgen. Maar onder het mom van een evolutieve interpretatie een filosoof iets totaal anders laten zeggen, is mij een brug te ver. Rawls bepleitte een systeem van inkomensherverdeling of welvaartsspreiding. Hier zomaar van afstappen en er een bestel zonder inkomensverdeling of welvaartsspreiding voor in de plaats stellen, zoals Tomasi doet, lijkt meer op een deus-ex-machina

In het verlengde hiervan kan men zich afvragen of free market fairness kan doorgaan als een realistische utopie, zoals Tomasi betoogt. Volgens hem moet een politieke filosofie een bepaald toekomstideaal kunnen vooropstellen dat in de realiteit niet onhaalbaar is. Een filosoof moet een bepaalde utopie naar voor kunnen schuiven die niet a priori als onrealistisch kan worden afgeschoten.  Zo hoopt hij vermoedelijk de kritiek te ontzenuwen dat het toch niet echt realistisch is om te verwachten dat door louter meer economische groei het aantal mensen dat in armoede leeft vanzelf zal afnemen.

Nochtans kan men niet omheen de vaststelling dat de inkomensongelijkheid fors toegenomen is, ondanks het feit dat de afgelopen 40 jaar er nog perioden van sterke economische groei zijn geweest. Kan er in dergelijke omstandigheden wel gesproken worden van free market fairness als een “realistische utopie”? Zijn er, naast de nodige economische groei, niet nog andere zaken nodig om een waardig inkomen voor iedereen te waarborgen? Aan het concept van marktdemocratie rammelt eveneens het een en ander. Het lijkt eerder te gaan om veel markt en weinig democratie. Veel vertrouwen in de politiek heeft Tomasi niet. Zo veel mogelijk zaken moeten klaarblijkelijk uit de handen van de democratisch verkozenen blijven. Die zijn immers toch meer met het nastreven van hun eigen belang of van specifieke belangen  bezig. En het politiek proces biedt alle ruimte voor irrationele overwegingen en uitkomsten. Alles wat de overheid onderneemt, lijkt bij voorbaat gedoemd te zijn om te mislukken. Tomasi schrijft dan wel dat er nog veel zaken overblijven waar politici een beslissing over moeten nemen. Niettemin kan toch de vraag worden gesteld wat het nut is van verkiezingen, als de overheid zich blijkbaar alleen nog maar met detailkwesties van een zeer technische aard mag bezighouden. Verglijdt Tomasi hier toch niet te veel in hetzelfde harde anti-overheidsdiscours van de huidige Amerikaanse rechterzijde?   

Free market fairness lijdt nog aan andere euvels. Zo spreekt Tomasi zich dikwijls tegen. Zo breekt hij op blz. 84 een lans voor een totale vrijheid van arbeid: werknemers moeten zelf kunnen bepalen tegen welk loon ze willen werken. Geen minimumloon dus. Nochtans stelt hij amper 26 bladzijden later, op blz. 110, dat in sommige gevallen een minimumloon kan worden verplicht. Een ander voorbeeld is dat Tomasi herhaaldelijk poneert dat economische vrijheden niet absoluut zijn; ze kunnen aan beperkingen worden onderworpen. Wel moeten dergelijke beperkingen aan heel hoge vereisten voldoen. Is dit dan niet hetzelfde als zeggen dat economische vrijheden absoluut dienen te zijn? Free Market Fairness is verder onmiskenbaar vanuit een Amerikaans perspectief geschreven en mikt overduidelijk op een Amerikaans lezerspubliek. De laatste zin van zijn boek is dan ook niet voor niets dat zijn boek een pleidooi voor sociale rechtvaardigheid Amerikaanse stijl inhoudt (Social justice, American style). In de Verenigde Staten wordt ook van oudsher de klemtoon gelegd op eigendom als een belangrijk aspect van de vrijheid. Af en toe maakt Tomasi wel eens een bruggetje naar Europa, maar desalniettemin zijn er een paar rare passages over de situatie in Europa geslopen.

Zo betoogt Tomasi dat Europa het pad van het klassiek economisch liberalisme totaal verlaten zou hebben en zich volledig gestort zou hebben op het ontplooiingsliberalisme, doordat economische vrijheden er niet onder dezelfde juridische bescherming zouden vallen als de klassieke burgerlijke en politieke grondrechten. Nochtans is de situatie helemaal anders. Zo is de vrijheid van ondernemen uitdrukkelijk erkend in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Van hun kant zijn de vrijheid van arbeid en de contractvrijheid belangrijke beginselen in het Belgische recht. Daarnaast stelt Tomasi dat een sterke sociale zekerheid iedere ondernemingszin in de weg zou staan. Als immers alles al op voorhand sociaal geregeld is, waarom zou je dan nog werken of sparen? Nochtans is er nog nooit zoveel gespaard in België, ondanks de hier aanwezige sociale zekerheid. Tevens kan de auteur een zeker meerderwaardigheidsgevoel niet onderdrukken. Zo schrijft hij op verschillende plaatsen dat zijn theorie van free market fairness moreel superieur zou zijn. Nochtans geeft hij zelf herhaaldelijk toe dat er nog veel onderzoek nodig is om zijn theorie uit te diepen en te concretiseren.  Hoog van de toren blazen lijkt me dan toch niet echt gepermitteerd te zijn. Tevens verwijt hij ontplooiingsliberalen de zaken niet te zien zoals ze werkelijk zijn.  Ze zouden kamergeleerden zijn die te weinig voeling zouden hebben met de echte realiteit. Niettemin lijkt hij  geen oog te hebben dat veel mensen meer zijn gaan werken, niet omdat ze dat zelf zouden willen, maar wel omdat ze daartoe verplicht zijn daar ze anders niet de eindjes aan elkaar kunnen knopen.

En toch kan je niet omheen de vaststelling dat Fair Market Fairness een bepaalde snaar raakt. Op dit ogenblik vindt er in veel landen een debat plaats over de vraag of de taken niet anders verdeeld moeten worden tussen de overheid enerzijds en privé-initiatieven anderzijds. Er gaan meer en meer stemmen op dat de overheid beter een aantal zaken zou overlaten aan de markt en het maatschappelijk middenveld en zich dan kan concentreren op de taken die ze behoudt om die dan beter uit te voeren. Zoals de auteur terecht opmerkt, is er over dit onderwerp nog heel wat onderzoek uit te voeren. Free Market Fairness heeft alvast de verdienste dat het de sociaal nuttige rol van een vrije markt voor het voetlicht brengt en dat het duidelijk maakt dat belangrijke maatschappelijke doelstellingen niet per se door overheidsingrijpen moeten worden benaarstigd. In de maatschappelijke gereedschapskist liggen er veel meer instrumenten waarvan men zich kan bedienen. Met wat meer creativiteit en verbeelding kan men publieke belangen anders en misschien zelf efficiënter behartigen.   

 

John Tomasi, Free Market Fairness, Princeton University Press, Princeton, 2012, 349 blz.

Recensie door Lieven Monserez

mailto:lieven.monserez@telenet.be

Print Friendly and PDF
Kinderen van Rousseau. Een pamflet tegen de tijdsgeest - Paul Claes

Kinderen van Rousseau. Een pamflet tegen de tijdsgeest - Paul Claes

Postkapitalisme - Paul Mason

Postkapitalisme - Paul Mason