Literatuur, natuur en liberalisme - Vince Liégeois

Literatuur, natuur en liberalisme - Vince Liégeois

“[…]Freude trinken alle Wesen an den Brüsten der Natur: Alle Guten, alle Bösen folgen ihre Rosenspur.“ – Friedrich Schiller

„Vreugde laven alle schepsels aan de borst van de natuur: alle goeden, alle slechten volgen in haar rozenspoor.” Weinige gedichten uit de Duitse literatuur zijn zo moeilijk en zelfs zo raar te vertalen als het gedicht Ode an die Freude van Friedrich Schiller, dat vandaag de dag vooral bekend staat vanwege de Negende Symphonie van Ludwig von Beethoven (aka het Europese Volkslied). Het gedicht kenmerkt zich door veel figuurlijk taalgebruik, metaforen en gelijkenissen, evenals een grote dosis “vage” symboliek, wat ervoor zorgt dat sommige woordgroepen en uitdrukkingen moeilijk te vertalen zijn en nog steeds een hevig punt van discussie vormen bij vertalers en literatuurwetenschappers. Een voorbeeld: “Freude schöner Götterfunken, Tochter aus Elysium. Wir betreten feuertrunken, himmlische dein Heiligtum” => „Vreugde, schone ,godenvonken’, dochters aan het Elyssee. Wij betreden ‘vuurdronken’, nu uw hemels heiligdom.“ Onnodig om erop te wijzen dat er voor dit gedicht verschillende (omstreden) vertalingen bestaan; niet voor niets zingen kinderen aan onze school daarom ook een andere tekst gebaseerd op deze symfonie van Beethoven, namelijk het Vredeslied.

Schiller erkent in dit gedicht de natuur als één van de voornaamste bronnen van vreugde. Het natuurmotief is doorheen de kunst- en literatuurgeschiedenis altijd een centraal motief geweest. Ten tijde van Schiller (18e-19e eeuw) gold de natuur echter als het symbool van vrijheid en vreugde – en men verbond beiden hierdoor ook met elkaar -, wat verscheidene literatuurwetenschappers vandaag de dag ook beschouwen als de “traditionele” symbolische functie van de natuur. Voor dit nummer van Neo-Humanisme – dat gewijd is aan het thema “liberalisme en natuur” – leek het mij als hoofdredacteur en student Taal- en Letterkunde dan uit ook interessant om beide thema’s vanuit dit oogpunt samen te brengen en te onderzoeken. In deze Neohumanisme vindt u namelijk al een aantal teksten terug die het thema van natuur en leefmilieu behandelen, maar niet zozeer de directie relatie tussen vrijheid en natuur, hoewel in mijn ogen vrijheid zich  nergens beter uit dan in de natuur en zelfs het beginpunt vormt van onze filosofie.  “Wij hebben als mens belang bij het bestaan van de natuur. Wij halen hier onze mogelijkheid tot leven uit,” verwoorde secretaris Max De Schryver het reeds in deze Neo. Ik hoop u in deze tekst te kunnen aantonen dat natuur voor ons liberalen niet alleen gelijk mag staan aan “een gezond leefmilieu” en zeker niet met het idee van “een probleem voor het kapitalisme”, veel leesplezier.

De Klassieke Oudheid

Voor dit artikel maak ik mijn eerste tijdsprong naar de Klassieke Oudheid, om de filosofen Epikurus, Lucretius en Epictetus te bespreken, drie filosofen die vele geschiedkundigen en ideologici zien als de “liberalen van de Oudheid”. Niet voor niets zijn Epikurus en Lucretius dan ook de eerste twee personen over wie Dirk Verhofstadt in zijn boek De Liberale Canon komt te spreken. Deze Griekse filosoof (Epikurus) en zijn Romeinse “navolgers” (Lucretius en Epictetus) hun filosofie handelde vooral over de mens, geluk, natuur en de goden.

Alle drie deze filosofen waren atomisten. Lucretius en Epictetus erfden dit idee van Epikurus, die het idee op zijn beurt had overgenomen van Demokritus, een andere Griekse filosoof die men tot de “natuurfilosofen” rekende. In de Klassieke Oudheid zochten deze natuurfilosofen naar het oerelement of de archè (ἀρχή), het element waaruit alle andere elementen en zaken op aarde zouden zijn ontstaan, al dan wel of niet met hulp van de Goden. De eerste filosofen die hierover spraken gingen echter enkel uit van één van de vier “basiselementen”: water, aarde, lucht en vuur. Zo dacht Thales van Milete bijvoorbeeld dat water het oerelement was. Ook dacht hij dat de Aarde plat was en op water dreef. Anaximenes daarentegen geloofde dat lucht het oerelement was. Omdat deze filosofen louter en alleen natuurelementen als de Oerstof erkenden noemt men hen bijgevolg de natuurfilosofen. Na een tijdje werden deze theorieën echter uitgebreider en gecompliceerder: van Herakleitos die beargumenteerde dat alles constant in beweging was (zoals vuur) tot Pythagoras die in wiskunde de oerstof zag.

In het hellenisme ontstond dan de idee van “atomisme”. Wat was dit atomisme nu precies? De atomisten gingen ervan uit dat alle stoffen waren opgebouwd uit ontelbare en minuscule eenheden, met name atomen. Dit bleek later ook te kloppen, hoewel er natuurlijk nog kleinere eenheden bestaan, zoals neutronen en protonen.  Alweer is “atomisme” een vage term en kunnen we weer spreken over verschillende soorten “atomisme”: vroeg-atomisme, laat-atomisme, het atomisme van Demokritus, Epikurus,… Onze ‘goede vriend’ Karl Marx schreef zijn doctoraatsthesis zelfs over de verschillen tussen deze laatste twee. Het is – for the sake of the argument – echter niet belangrijk al te diep op dit atomisme in te gaan, laat staan op de details waar de verschillende stromingen in verschillen.

Epikurus (341-270 v.C.) neemt deze theorie dus over, maar breekt echter volledig met zijn voorgangers door zijn godsbeeld: volgens Epikurus hadden de goden geen invloed meer op het dagelijkse leven en konden zij niet langer ingrijpen. Wat dan exact de relatie was tussen de Goden en atomen is niet duidelijk omdat zijn werk verloren ging, we kunnen daar dus alleen maar naar gissen. Maar dit idee is wel belangrijk om goed te begrijpen. Voor Epikurus had bidden tot de goden geen zin meer en hij vond het idee al helemaal belachelijk als het ging om zaken die je makkelijk zelf kon doen of de logica zelve waren. Bovendien was de vrijheid van de mens niet meer afhankelijk van de Goden, maar enkel van de samenleving en de natuur, een idee dat al eerder werd uitgedragen door Sokrates, die hiervoor de gifbeker moest drinken. Maar – hoewel vrijheid niet meer afhankelijk was van de Goden – toch was voor Epikurus de vrijheid niet gegeven; de vrijheid hing voor hem samen met geluk; je moest ze verdienen en ervoor werken om ze te behouden! Vrijheid was bij hem ook een spiritueel en niet-materieel gegeven: het was veel makkelijker om vrij te zijn van geest dan om werkelijk vrij te zijn in de reële wereld, dit blijkt ook uit een aantal citaten van hem die een afkeer van materialisme vertoonden: “Dat wat men heeft moet men niet bederven door te verlangen naar wat men mist, maar bedenken dat ook het verkregene tot onze wensen behoorde.” Ook vandaag de dag situeert men het liberalisme en individualisme als “spirituele” filosofieën, terwijl socialisme en marxisme materialistisch gericht zijn (denk bijvoorbeeld maar aan de marxistische theorie van Adorno).

Het was volgens hem ook dom om mythologische en magische verklaringen te zoeken achter natuurfenomenen, gezien deze louter in en door de natuur zelf ontstonden. De enige manier dat de mens zich hiertegen kon verzetten en gelukkig kon zijn was door altijd hard te werken en je best te blijven doen, wat samen met zijn godsbeeld en logica (=atomisme) de basis vormde van het epicurisme.

Omwille van deze “extreme” zoektocht naar het geluk en het verwerpen van de Goden zou de Kerk in de Middeleeuwen bijgevolg grote delen van zijn werk verbannen en verbanden, met als gevolg dat we vandaag de dag vooral door werken van zijn volgers en andere filosofen (zoals Lucretius) weten wat Epikurus zijn filosofie was. Het is echter nog zeer belangrijk om te weten dat Epikurus, hoewel hij redelijk vernieuwend was en het nodige aantal ideeën overboord gooide, nog steeds een zekere invloed bezat van de natuurfilosofen. Hoewel hij geen natuurelement als de archè erkent, is het voor Epikurus en zijn filosofie wel van centraal belang – tevens door zijn afkeer van de mythologische oorsprongsmythe – dat men beseft dat de samenleving er niet altijd was, en dat de mens en natuur oorspronkelijk één waren of toch op zijn minst deel van één en hetzelfde geheel. Epikurus noemt dit de “natuurtoestand” van de mens en voor hem was hier de menselijke natuur uit gemaakt, een menselijke natuur die zocht naar veiligheid en geluk, als dusdanig verantwoorde Epikurus zijn genotsleer.

Het werk van Epikurus zal voornamelijk een grote weerslag kennen bij de Romeinen. Deze invloed zien we voornamelijk bij Lucretius en Epictetus. Lucretius (99-15 v.C.) schrijft zijn meesterwerk De Rerum Natura (Over de Natuur der Dingen) over het verloren gegane werk van Epikurus, waarbij hij een lofzang over Epikurus schrijft en hem enerzijds voorstelt als een soort Messias en anderzijds als zijn leermeester. In dit werk, bestaande uit zes boeken, geeft Lucretius een uitgebreide geschiedenis van de natuurfilosofie en het atomisme van Epikurus. Bijzonder belangrijk voor Lucretius is de logica waarmee Epikurus in zijn werken redeneert. Bij de Romeinen, waar filosofie en prewetenschap belangrijker waren geworden en retoriek een belangrijke plaats had in het maatschappelijke debat, was bijgevolg de logica veel belangrijker geworden. Lucretius erkende door deze logica dat het onmogelijk was dat de Goden nog konden ingrijpen in het leven van de mensen en hij kent zelfs een negatieve positie toe aan godsdienst: “Tot zoveel kwaad heeft de godsdienst kunnen overreden”, en als één van de eersten zal hij in religie een ondermijning van de “menselijke vrijheid” zien. Deze logica die door Lucretius onderschreven wordt zal later zeer belangrijk zijn voor de herontdekking van Epikurus en het epicurisme, gezien filologen en filosofen gedurende het humanisme en de verlichting zullen blijven zoeken naar de “logica”.

Naar mijn mening reproduceert en becommentarieert Lucretius hoofdzakelijk het werk van Epikurus, hoewel hij het natuurmotief meer in de verf zet, zij het louter door de titel van zijn werk. Wat ik echter zeer belangrijk vind bij Lucretius is dat hij dieper ingaat op de natuurtoestand van Epikurus. Lucretius erkent namelijk dat de mensheid zeer hard is geëvolueerd vanaf zijn “natuurfase”, waar hij zowel positieve als negatieve gevolgen in ziet. Positieve gevolgen zijn bijvoorbeeld landbouw en veiligheid, terwijl negatieve gevolgen bijvoorbeeld moord en oorlogsvoering zijn. Deze dichotomie zal later in de verlichting nog zeer belangrijk worden.

Een andere filosofische stroming die het streven naar geluk onderzocht en idealiseerde waren de stoïcijnen. De stoïcijnen ofwel stoa waren een aantal Griekse en Romeinse filosofen. De bekendste onder hen waren Seneca, de leermeester van Nero, Epictetus en Marcus Aurelius, de latere keizer van Rome. Deze stroming ontstond gedurende het hellenisme, waarin ook Epikurus leefde en waarin de relatie mens, geluk en samenleving een centraal motief was in de toenmalige filosofie. Een belangrijk uitgangspunt voor het bereiken van geluk was voor de stoïcijnen de relatie met de natuur en “leven in overeenstemming met de natuur”. De mens die erin zou slagen als dusdanig te leven, gelukkig en met respect voor de andere mensen en de natuur, zou dan leven volgens de “stoïsche wijze”, het ideaalbeeld dat de stoïcijnen nastreefden.

Omwille van deze reden zal Epictetus (50- 130 n.C.) zich bijzonder interesseren in Epikurus en zijn ideeën over de menselijke vrijheid. Het is mogelijk dat ook Lucretius een invloed had op Epictetus, doch dat valt moeilijk te bewijzen en kunnen we niet weten. Epictetus zou in zijn werken de natuur nog positiever connoteren dan Epikurus en Lucretius, net zoals zijn filosofie in het algemeen. Epictetus, die namelijk zelf een zeer goed leerkracht was, zag in de natuur en het leven juist een leermeester. En al konden zaken als droogte of een insectenplaag nog zo zwaar zijn,  Epictetus zag hen juist als levenslessen.

Epictetus introduceert ook als één van de eerste filosofen ooit de idee van vrije wil of “wilsbesluit” (Prohairesis), wat hem zeer belangrijk maakt voor de geschiedenis van het liberalisme. Hij zal de vrijheid verder onderzoeken (“Niemand is vrij die niet zichzelf de baas is”), net als de menselijke interpretatie van de werkelijkheid. Zeer interessant is ook zijn werk Over Vrijheid, dat ik u ten zeerste aanraad. Hoewel Epictetus in mijn ogen een relatief onbekend filosoof is vindt u hierin de grondslagen van de stoa en het leest zeer vlot.

Ook de logica van de retoriek en Epikurus beïnvloedden hem zeer hard. Vandaar dat zijn “stoïsche” levenswijze gekenmerkt werd door eenvoud: net zoals Epikurus geloofde Epictetus dat het merendeel van de problemen die de mens heeft door de mens zelf worden gemaakt. Als laatste is het misschien nog interessant om toe te voegen dat Epictetus op sommige vlakken zijn tijd ver vooruit was, zo geloofde hij bijvoorbeeld niet in nationaliteiten: “Wie Socrates vroeg, tot welke nationaliteit hij behoorde, kreeg niet ten antwoord: `Ik ben een Athener', maar: `Ik ben een burger der wereld.'”

Rousseau, Montesquieu en de Verlichting

De ideeën van al deze filosofen zullen gedurende de Middeleeuwen “vergeten” worden omwille van verschillende oorzaken, zoals de oppressie van de Kerk en algemene ongeletterdheid. Pas in de Late Middeleeuwen ofwel het Herfsttij der Middeleeuwen (Cf. Huizinga) zullen zij stilaan maar zeker beginnen terug te keren. Het is dankzij het opkomen van de filologie, met name Lorenzo Valla en Francesco Petrarca, dat ze weer gelezen zullen worden.

De filologen zullen hiermee de aanzet geven tot het humanisme. Zij zullen terug antieke teksten begin lezen en deze vertalen en onderzoeken. Vooral in Italië zal deze beweging zich zeer sterk manifesteren. Voordien waren buiten de christelijke filosofieën enkel bepaalde onderdelen van de filosofie van Plato en Aristoteles gekend, zij het niet hun politieke en “heidense” ideeën (cf. Neoplatonisme). Het neoplatonisch idee van de dood als het ultieme einde en als de ultieme vijand zullen de vroeg-humanisten terugvinden bij Epikurus en Lucretius met hun ideeën over het leven en geluk. Hieruit zullen in de literatuur de ideeën van Carpe diem (“pluk de dag”), Memento mori (“gedenk te sterven”) en tempus fugit (“tijd vliegt”) hun intrede doen, en met name voornamelijk in Italië bij bijvoorbeeld Francesco Petrarca en Lorenzo de Medici, hoewel ook Shakespeare hier sterk door zal worden beïnvloedt.

Na het humanisme volgt dan de verlichting, een explosie van het kritisch menselijk denken. De verlichtingsfilosofen zullen terug over alles beginnen na te denken en alles in twijfel beginnen trekken: de mens, de samenleving, de kosmos, de natuur,… In het bijzonder een aantal filosofen van de Franse School zullen daarbij terugkeren naar de idee van de natuurtoestand van de mens. Vergelijk volgende twee citaten:

“De mens wordt vrij geboren en overal bevindt hij zich in ketenen.”

Rousseau

“In de natuur was de mens vrij en gelijk, het is slechts de samenleving die hem anders maakt.”

Montesquieu

Zowel Rousseau als Montesquieu spreken hierover de natuurtoestand van de mens, die ze als een oorspronkelijk vrije en gelijke toestand afbeelden. Montesquieu zegt expliciet dat het de samenleving is die onvrijheid en ongelijkheid veroorzaakt, terwijl Rousseau – die dezelfde mening was toegedaan – echter de algemene beeldspraak “in ketenen” gebruikt, wat een verwijzing is naar de allegorie van Plato.

Interessant is echter dat Rousseau zegt dat de mens vrij geboren wordt. Bedoelt hij hiermee dat de natuurtoestand niet iets uit een ver verleden is? Nee, het is iets gecompliceerder dan dat. Elk kind dat geboren wordt in deze wereld bevindt zich in theorie in de natuurtoestand. Maar elk kind wordt echter al direct beïnvloedt door de samenleving en de staat, waardoor hij zich nooit volledig in de natuurtoestand kan bevinden. Wat dan met baby’s? Rousseau beargumenteerde dat baby’s geen of alleszins te weinig geestelijk en lichamelijk vermogen hadden om zich in een vrije of gelijke natuurtoestand te bevinden, zij bevinden zich dus in een soort “prenatuurlijke en premaatschappelijke” toestand.

Op deze relatie van kinderen en de natuurtoestand gaat Rousseau dieper in in zijn werk Émile ou l’éducation. Hierin staat hij – in tegenstelling tot Thomas Hobbes – een positief kindbeeld voor, daar kinderen zich het dichtst bij de oorspronkelijke natuurtoestand van de mens bevinden. Volgens Rousseau zijn kinderen dan ook van nature goed. Dit positief kindbeeld van Rousseau kadert in zijn groter positief mensbeeld, dat later nog van invloed zal zijn op filosofen als Karl Popper.

Ironisch genoeg worden deze uitspraken van Montesquieu en Rousseau niet alleen door ons, individualisten en liberalen, benut, maar ook marxisten gebruiken hun citaten om hun ideologie te verantwoorden, daar beiden ook zeiden dat de mens in de natuur gelijk was. Volgens de marxistische interpretatie is het bijgevolg het idee van geld en winst maken dat ongelijkheid veroorzaakt. In het bijzonder Rousseau is bij hen populair, daar ze zo hun mensbeeld als een positief mensbeeld kunnen verantwoorden. Deze interpretatie is voor mij – zeker wat het mensbeeld betreft – fundamenteel onwaar: Een positief mensbeeld bestaat uit vertrouwen, medeleven, vrijheid en vreugde, of kortweg “mens-zijn”, en niet uit wantrouwen, jaloezie en de idee dat mensen enkel in eigenbelang denken en op winst en geld belust zijn.

De natuurtoestand en de wet

Bijzonder interessant bij Montesquieu daarentegen is dat hij niet alleen over natuurtoestand spreekt, maar ook over natuurwetten, iets wat Rousseau ook al in iets vagere en mindere mate doet. In zijn werk De l’esprit des lois (Over de Geest van Wetten), zegt hij dat er oorspronkelijk de natuurwetten waren, zoals zelfbehoud, de nood voor voedsel, de nood voor het andere geslacht etc. Daarnaast erkende Montesquieu dat er wetten waren buiten de natuur, die logisch en nuttig waren, maar ook erkende hij dat dit heel vaak niet het geval was, daarom dat hij in zijn boek om politieke vrijheid te bewerkstelligen een scheiding der machten bepleit.

Rousseau en zeker en vast Montesquieu hadden ook een zeer grote invloed op heel wat Italiaanse filosofen – Frans was bovendien de taal van de verlichting. Eén van die filosofen was Cesare Beccaria. Beccaria zal in zijn Dei Delitti e delle Penne (Over Misdaden en Straffen) een rechtssysteem uitwerken aan de hand van de natuurtoestand van voornamelijk Montesquieu, maar ook Rousseau. Zo argumenteert hij dat de doodstraf de meest onnatuurlijk straf mogelijk is en bijgevolg barbaars is. Naar het rechtssysteem van Beccaria zal later ons rechtssysteem gemaakt worden. Ook bij John Locke vinden we deze invloed terug, wat ook duidelijk blijkt uit het rechtssysteem dat hij in zijn Two Treatises of Government voorstaat.

Natuur als symbool van vrijheid

Ook bij de kunstzinnige tegenhanger van de verlichting, de romantiek – en later kunst en literatuur in het algemeen – zullen natuur en vrijheid altijd sterk samenhangen. In het algemeen zullen veel ideeën van de verlichting haar weerklank vinden in  de romantiek, zoals ook vandaag de dag films en boeken nog steeds een zeker beeld schetsen van de manier waarop we leven.

In hun boek Literarischer Symbole zeggen Günter Butzer en Joachim Jacob dat de natuur een plaats van vrijheid is, waarbij zowel deze vrijheid als het geluk positief geconnoteerd worden. De natuur is bij hen ook een mysterieus iets (een oord der geheimen), maar staat in de eerste plaats symbool voor de oorsprong en de vrijheid: ze omschrijven de natuur als een terugkeer naar het wezenlijke van het menselijke leven, ver weg van de civilisatie en van corruptie (Butzer/Jacob 2008: 410)

De band met Rousseau, Montesquieu en Epikurus voor hen is hier dus zeer duidelijk. Het is inderdaad zo dat natuur vandaag de dag in de literaire symboliek hoofdzakelijk verankerd staat als een symbool van enerzijds vrijheid en anderzijds van mystiek. We kunnen echter niet met zekerheid zeggen waarom; we kunnen teruggrijpen naar Epikurus en dergelijke, maar het idee achter symboliek is dat de conventionaliteit erachter vaak zeer moeilijk te reconstrueren is. Een voorbeeld is de symbolische betekenis van een duif als het teken van vrede. Waarom is dat? Waarom gebruiken we bijvoorbeeld duiven op bruiloften? We weten dat in de Bijbel Noach een duif eropuit stuurt om land te zoeken en hoewel dat zeker een invloed heeft op de huidige betekenis weten we niet waarom men in de Bijbel een duif gebruikt. De analyse is nog veel gecompliceerder en gaat bijvoorbeeld in op het feit dat duiven kunnen vliegen en tot de vogelsoort behoren, maar het is onnodig daar nu verder op in te gaan.

In het bijzonder in de Romantiek en met name in de Duitse Sturm- und Drangbewegung (een beweging die grote aanhanger was van het individualisme) komt dit idee terug. Ze stonden meritocratische gelijkheid en vrijheid voor en terugkerende motieven in hun werken waren de natuur, de vrijheid en vooral        de liefde. De bekendste namen onder hen zijn Goethe, Herder en Schiller, van wie het citaat aan het begin van dit artikel komt. Hun literatuur wordt vaak gezien als de doorbraak en ook het hoogtepunt van de Duitse literatuur. Hier vergelijk ik twee citaten/tekstfragmenten voor u om dat aan te tonen. De eerste is er één van niemand minder dan Goethe zelf: “Hab ich mich nicht an denen ganz wahren Ausdrücken der Natur, die uns so  oft zu lachen machten, so wenig lächerlich sie waren, selbst ergötzt!“ („Heb ik dan niet van het ware gelaat van de natuur, die ons zo vaak aan het lachen maakte, hoe weinig lachrijk zij ook was, zo genoten!”) (Die Leiden des jungen Werthers: 9).

De natuur wordt hier duidelijk zeer positief voorgesteld, een beetje mysterieus, maar positief. Net zoals bij het eerste citaat van Schiller is de natuur hier een bron van vreugde. Het verhaal van Werther is een zeer grote tragedie: Werther is verliefd op een meisje, Lotte, die echter al aan een ander beloofd is, hoewel zij toch ook gevoelens heeft voor Werther. De stemming wordt in het boek steeds triester en triester en op het einde zegt Werther dat hij niet meer in deze wereld wil leven en pleegt hij zelfmoord. Goethe schetst hier mee hoe ongelijk en onmeritocratisch de samenleving destijds was, daar Albert – de verloofde van Lotte – rijk is en een hogere stand geniet dan Werther. Het boek had een enorme weerklank bij de lezers, en dan voornamelijk jongeren. Vele jongeren pleegden zelfmoord en daardoor werd het boek zelfs even verboden. Een jongere Vince las ooit het boek en moest toch ook wel een traantje wegpinken.

De natuur wordt niet alleen positief voorgesteld bij Goethe, maar staat ook lijnrecht tegenover de samenleving als inderdaad een plaats van gelijkheid en geestelijke en spirituele vrijheid. Dit natuurmotief zal in verschillende andere werken en gedichten van Goethe terugkeren (denk maar aan Wanderers Nachtlied en het Egmontgedicht) en telkens een centrale rol spelen en min of meer positief geconnoteerd worden, met meestal ook aandacht voor één of andere “symbolieke” vrijheid.

Het tweede voorbeeld is een ander gedicht van Friedrich Schiller:

„In des Herzens heilig stille Räume

Mußt du fliehen aus des Lebens Drang,

Freiheit ist nur in dem Reich der Träume,

Und das Schöne blüht nur im Gesang.“

„Heilig stille Räume“ staat hier gelijk aan „de natuur“, die weeral positief  geconnoteerd wordt. Dit is een zeer typisch gedicht van de Sturm- und Drang, het woordje “Drang” geeft dat duidelijk ook aan. Ook over vrijheid spreekt Schiller in dit gedicht: “Freiheit ist nur in dem Reich der Träume”. Schiller zoekt wel naar vrijheid, maar kan die in deze wereld – op dat moment – niet vinden. Voor hem bestaat vrijheid dus alleen in het dromenrijk, wat de vrijheid weeral een spiritueel en niet materieel gegeven maakt.

Wordt natuur altijd positief neergezet in de literatuur en is natuur altijd gelijk aan vrijheid? Het antwoord daarop is nee, maar dan spreekt men wel iedere keer van een “onorthodox gebruik” van het natuurmotief en speelt deze toch heel vaak op vrijheid in. Een voorbeeld hiervan is de Duitse Vormärz-beweging, met auteurs als Georg Büchner. De Vormärz waren Duitse auteurs in de eerste helft van de 19e eeuw, velen van hen streefden naar de Duitse eenmaking en onafhankelijkheid en hun literatuur wordt hier ook door gekenmerkt.

Bij hen is de mens noch in de samenleving, noch in de natuur vrij. Beiden hebben negatieve effecten op het welzijn van de mens en hun literatuur is daardoor ook gekenmerkt door een donkerdere en meer sombere stemming. Hiermee willen ze echter aantonen dat de mens moet vechten voor de vrijheid (=Duitse onafhankelijkheid), en dat deze niet te vinden is of gegeven wordt door de natuur. Het natuurmotief hangt hier dus nog steeds sterk samen met vrijheid, doch zij het totaal tegenovergesteld aan haar normale functie.

Men kan daarbij ook nog het onderscheid maken tussen “conventionele symboliek” en “arbitraire symboliek”. Conventionele symboliek is symboliek die erom gebruikt wordt om symbolisch te zijn, terwijl arbitraire symboliek eerder door toeval en logica ontstaat, zo is het logischer om vrijheid met natuur en de buitenwereld te associëren dan met een school of gevangenis. Ook is het mogelijk om symboliek niet te gebruiken. Zo is de Harry Potter-boekenreeks van Rowling een zeer symbolische reeks, maar vind je hier geen natuursymboliek in terug.

Het naturalisme

Als laatste interessante beweging betreffende de natuuridee is er dan nog de filosofische stroming die men het naturalisme noemt in de tweede helft van de 19e eeuw. Deze stroming zal verder gaan op de natuurideeën van de Franse School maar zal zich langs de andere kant ook laten beïnvloeden door de literaire en kunstzinnige naturalistische stromingen die reeds aan het begin van de 19e eeuw ontstonden en waaronder men onder meer het realisme kan rekenen. Deze stromingen hadden niet zozeer een band met de natuur, maar zochten allemaal op hun eigen manier naar de waarheid, denk maar aan het verisme met onder andere Pirandello en Verga.

De naturalisten gaan deze waarheid ook zoeken, en geloven dat men deze waarheid enkel in de natuur kan vinden. Een belangrijke poëet voor hen was daarom ook de Amerikaan Henry David Thoureau. Hij wou de natuur intrekken en daar voor een tijd leven, om te zien of de natuur hem niet kon leren wat het leven moest doen, opdat hij niet op zijn sterfbed zou moeten ontdekken dat hij niet geleefd had.

Om die reden trok anderhalf jaar geleden de Limburger Thomas De Gregorio de natuur in, dat is, hij ging op zichzelf leven in een caravan en voorzag zichzelf op natuurlijke manier van voedsel etc. (URL: < http://www.hbvl.be/cnt/dmf20160727_02402077/hasselaar-32-wil-een-jaar-over-leven-in-caravan-op-weide>)

Binnen dit naturalisme kan men nog een aantal substromingen onderscheiden afhankelijk van land tot land en thema tot thema: zo waren er bijvoorbeeld ethisch naturalisme (met G.E. Moore als belangrijkste naam) en evolutionair naturalisme, dat zich concentreerde op de ideeën van Darwin.

Liberalisme en natuur

Het moge duidelijk zijn, niet alleen is de band tussen liberalisme en natuur doorheen de gehele geschiedenis sterk geweest, het is de natuur waarin niet alleen wij als mens, maar ook wij als liberalen onze oorsprong vinden. Terwijl de samenleving vaak geconfronteerd wordt met corruptie, schandalen en oorlog zullen we in de natuur altijd rust, vrijheid en harmonie kunnen vinden.

Dat is ook wat ik u deels probeerde aan te tonen in deze tekst. Daar waar wij als liberalen teveel instituties, te veel orde en te veel regels – terecht – als een belemmering van de individuele vrijheid zien, vinden we deze wel terug in de natuur: in de natuur is alles in harmonie, er zijn geen regels en geen chaos, op zijn eigen manier is de natuur de wereld zoals ze zou moeten zijn. En dat is wat de natuur voor mij is: een spiegel van onze vrijheid, van onszelf en hoe de wereld zou moeten zijn. En soms moet je eens langdurig in die spiegel durven kijken wil je al je puistjes uitknijpen.

 

Vince Liégeois

De auteur is hoofdredacteur van Neo-Humanisme

Deze tekst verscheen in Neo-Humanisme (nr. 2 van 2018), het lijfblad van het LVSV-Gent.

Print Friendly and PDF
Beperkingen opleggen aan superrijken - Paul De Grauwe

Beperkingen opleggen aan superrijken - Paul De Grauwe

De hoofdstad - Robert Menasse

De hoofdstad - Robert Menasse