De schrik van Europa voor de concurrentiekracht - Daniel Gros
China speelt een grote rol in handelspolitieke discussies overal ter wereld, maar de precieze zorgen verschillen. Waar de Verenigde Staten China al lange tijd beschouwt als een vernietiger van de Amerikaanse industrie en een geopolitieke rivaal wiens opkomst moet worden ingedamd, maakt Europa zich meer zorgen over de gevolgen voor de nationale veiligheid van de Chinese dominantie in een paar strategische sectoren, zoals zeldzame aardmetalen. De laatste tijd lijken Europese beleidsmakers echter steeds meer op hun Amerikaanse collega's en stellen ze dat de sterk stijgende Chinese import de binnenlandse industrie bedreigt.
Hoewel de dominantie van China in sectoren zoals zeldzame aardmetalen altijd strategische implicaties had voor Europa, betekende dit niet veel voor de Europese werkgelegenheid of productie. De concurrentiedruk die bedrijven in de Europese Unie van China ondervonden, werd grotendeels gecompenseerd door de sterke positie van de Europese industrie in China.
Dit verandert nu. Europese bedrijven vinden het steeds moeilijker om te concurreren op de Chinese markt, zelfs als ze daar zwaar in investeren, terwijl de Chinese export naar Europa explosief groeit. Het bilaterale handelstekort van de EU met China bedroeg vorig jaar bijna € 360 miljard ($ 419 miljard) – bijna het dubbele van dat van de VS – met gevolgen voor veel kernindustrieën in Europa, zoals de auto-industrie.
Chinese exporteurs worden gesteund door enorme overheidssubsidies en beleid gericht op het verzekeren van dominantie in hightechindustrieën, wat de frustratie in Europa vergroot. Nu klinken er steeds luidere oproepen aan Europese leiders om de binnenlandse industrie te beschermen tegen Chinese concurrentie, waarbij zelfs personen die de tarieven van de Amerikaanse president Donald Trump hebben bekritiseerd, pleiten voor een reactie van Europa op de "oneerlijke" Chinese subsidies met eigen heffingen.
Het is een politiek krachtig argument, maar het is niet gebaseerd op een gezonde economische basis. Rechtvaardigheid speelt geen rol in een rationeel economisch beleid. Waar het om gaat, is of een bepaalde actie – zoals het invoeren van tarieven of zelfs het negeren van de regels van de Wereldhandelsorganisatie (omdat "anderen het ook doen") – netto voordelen voor de economie oplevert. En in dit geval is het antwoord nee.
Het lijkt misschien voor de hand liggend dat het opleggen van een tarief op importen uit China de Europese industrie een voorsprong zou geven op haar sterkste concurrent. Maar deze bescherming gaat gepaard met hoge kosten. Om te beginnen vormen halffabrikaten meer dan 40% van de totale EU-import uit China, wat betekent dat tarieven de productiekosten in de hele Europese economie zouden verhogen. Een tarief op batterijen zou bijvoorbeeld een aanzienlijke druk uitoefenen op producenten van elektrische auto's, waardoor het grote handelsoverschot van de EU in deze sector in gevaar zou komen.
Dit overschot is belangrijk. Waarschuwingen dat Chinese import een bedreiging vormt voor Europese autofabrikanten richten zich meestal op het aantal Chinese voertuigen dat Europa binnenkomt, waarbij wordt opgemerkt dat auto's van Chinese makelij nu 7% van de autoverkoop in de EU uitmaken. Maar bijna 40% van de totale autoproductie van de EU is bestemd voor de export, en de waarde per eenheid van Europese auto-export is twee keer zo hoog als die van import uit China. Dit impliceert dat exportmarkten tot wel de helft van de productiewaarde kunnen vertegenwoordigen.
Voor de auto-industrie, net als voor vele andere sectoren, is succes op de exportmarkten niet alleen noodzakelijk om te overleven, maar ook om technologisch leiderschap te behouden. Momenteel exporteert Europa vaak hoogwaardige, gedifferentieerde producten die niet uitwisselbaar zijn met de importproducten die China te bieden heeft. Maar het Europese voordeel op dit vlak wordt snel uitgehold, naarmate Chinese producenten de kwaliteitsladder beklimmen.
Het is verre van zeker dat tarieven de Europese concurrentiepositie ten opzichte van Chinese exportproducten, die op wereldmarkten kunnen concurreren op prijs, normen en innovatie, zouden kunnen behouden. Recente gegevens tonen aan dat het belangrijkste probleem voor Europa niet zozeer de stijgende import is, maar de zwakte van de export buiten de EU, die al vier kwartalen op rij (tot en met het eerste kwartaal van dit jaar) afneemt.
Tarieven bieden wellicht tijdelijke verlichting voor enkele sectoren, maar ze kunnen technologisch leiderschap, industriële dynamiek of exportconcurrentievermogen niet herstellen. Recente ervaringen in de VS bevestigen dit: hoewel de Chinese export naar de VS is gedaald, is deze verschuiving van handelsstromen niet gepaard gegaan met een Amerikaanse industriële renaissance. De productie verschuift in plaats daarvan naar derde landen, terwijl hogere inputkosten de toeleveringsindustrieën belasten.
De uitdaging voor Europa is vandaag de dag niet om zich te beschermen tegen Chinese export, maar om ondanks deze export concurrerend te blijven. Daartoe moet Europa meer investeren in innovatie, streven naar een grotere integratie van de interne markt, werken aan lagere energiekosten en beleid voeren dat zijn concurrentievermogen op wereldniveau versterkt.
Waar China daadwerkelijke veiligheidsrisico's met zich meebrengt – bijvoorbeeld door zijn dominantie in kritieke mineralen of andere strategisch belangrijke producten – zijn gerichte maatregelen zoals het aanleggen van voorraden, diversificatie van de toeleveringsketen en uitbreiding van strategische reserves gerechtvaardigd. Maar dit zijn uitzonderingen. Voor het grootste deel van de Europese industrie zal succes niet afhangen van het weren van Chinese producten, maar van het waarborgen dat er wereldwijd nog steeds vraag is naar Europese producten.
Daniel Gros
De auteur is directeur van het Institute for European Policymaking aan de Bocconi Universiteit.
(c) Project Syndicate (https://www.project-syndicate.org/)


