De rector. Een universiteit in verzet – Bert Cornelis
Lange tijd ging in België weinig aandacht van historici, onderzoekers en schrijvers naar de leden en daden van het verzet tegen de Duitse bezetters. In Vlaanderen verschenen intussen wel heel wat boeken van en over gewezen collaborateurs die hun bestraffing na de oorlog op de korrel namen en een pleidooi hielden voor eerherstel en amnestie. Zij en hun nakomelingen ervoeren de naoorlogse veroordelingen als een vorm van onterechte repressie. Ze vonden de opgelegde straffen veel te zwaar en beschouwden de processen als een politieke wraakactie. Hierdoor leefde binnen deze groep heel wat frustratie en een diep gevoel van onrecht. Canvas zond in 2017 nog de reeks Kinderen van de collaboratie uit. Pas twee jaar later volgde een soortgelijk programma Kinderen van het verzet en kwam er meer aandacht voor verzetsleden. In 2022 werd de vzw Helden van het verzet opgericht en in 2024 ging het CegeSoma van start met het project Resistance in Belgium dat opzoekingen doet over het verzet.
Eindelijk werden de verzetsmensen van toen zichtbaar en kregen ze een stem. Ongeveer 140.000 mensen hebben zich tijdens de oorlog actief gekeerd tegen de Duitse bezetters en dat op diverse manieren. Ze waren actief in organisaties die naast elkaar bestonden, zoals het Geheim Leger, het Onafhankelijkheidsfront, de Partizanen, de Witte Brigade en de Groep G. Ze spioneerden voor de geallieerden, hielpen geallieerde piloten te ontsnappen, hielpen als koeriers of bij het verspreiden van clandestiene krantjes en pamfletten, saboteerden Duitse transporten en infrastructuur, pleegden gewapende aanslagen, en hielpen Joden, politieke tegenstanders en dienstweigeraars onderduiken en ontsnappen. Minder bekend is het verzet dat de Belgische universiteiten, met die van Leuven toen als grootste instelling, pleegden tegen de Duitse autoriteiten. Over dat laatste schreef de historicus Bert Cornelis een beklijvend boek met als titel De rector. Een universiteit in het verzet (1940-1944).
Het werk focust op de moedige houding van de toenmalige Leuvense rector Honoré van Waeyenbergh tegenover de Duitse bezetters. Hij was een katholieke geestelijke die tijdens de Eerste Wereldoorlog als brancardier aan het font diende, priester werd en door het Belgische episcopaat – met aan het hoofd de autoritaire en conservatieve kardinaal Jozef-Ernest Van Roey – in maart 1940 aangeduid werd als opvolger van de overleden rector Paulin Ladeuze. Twee maanden later vielen de Duitsers ons land binnen en installeerden er een Militair Bestuur onder leiding van generaal Alexander von Falkenhausen. Heel wat studenten (opgeroepen voor het leger), maar ook tientallen professoren sloegen toen op de vlucht naar Frankrijk en Engeland. De universiteiten vielen stil. De overgrote meerderheid keerde na de Duitse overwinning terug waarna de universiteiten onder streng toezicht van de bezetters in het najaar weer opengingen. Dat toezicht stond onder leiding van de Militärverwaltungsstab Eggert Reeder die bevoegd was voor het publieke bestuur, cultuur, onderwijs, maar ook van de economische uitbuiting en de Jodenvervolging.
De Duitsers hadden specifieke plannen voor de vier universiteiten in ons land. Leuven moest een puur theologisch karakter krijgen, Gent en Luik het Vlaams en Waals wetenschappelijk centrum, en de ULB in Brussel een Germaans-Duits bolwerk tegen West-Europa. Er zouden Duitse gastprofessoren komen om de studenten in een Germaanse geest te vormen. Ook wilden ze zeggenschap krijgen over het aanstellen en vervangen van professoren en de inhoud van de lespakketten. De Leuvense rector Van Waeyenbergh keerde zich tegen deze inmenging in zijn universiteit. Van gastprofessoren wilde hij niet weten, want de benoeming van professoren was een zaak van de bisschoppen. Daarvoor kreeg hij de steun van kardinaal Van Roey die waarschuwde dat dit tot een conflict kon leiden met het Vaticaan. Het leek erop dat de bezetters het niet zover willen laten komen, en ze bonden in. Het is duidelijk dat de Duitsers vooral orde en rust wilden in het land en de invloedrijke katholieke universiteit niet wilden bruskeren. In Gent kwamen er wel gastprofessoren, werd de gewezen Gentse rector August Vermeylen geschorst en werden zeven nieuwe Duitsgezinde professoren aangesteld.
Cornelis beschrijft goed gedocumenteerd en met veel oog voor detail hoe de ULB, verwant aan vrijzinnigheid, antifascisme en vrijmetselarij, besloot haar deuren te sluiten. Heel wat Brusselse studenten vonden dan onderdak in Luik, Gent en vooral in Leuven. Ondanks interne kritiek slaagde Van Waeyenbergh erin de doorgaans Franstalige en niet-katholieke studenten uit Brussel op te nemen, iets waarvoor de ULB hem later erkentelijk zou zijn. Maar de grootste botsing kwam er toen de nazi’s in oktober 1942 besloten tot verplichte tewerkstelling van Belgische mannen en vrouwen voor hun oorlogsindustrie, met uitzondering voor studenten. Het gevolg was dat heel wat jongeren naar de universiteiten en hogescholen trokken. Als reactie daarop besloot Reeder begin 1943 dat alle eerstejaarsstudenten eerst verplicht een werkstage van zes maanden moesten volbrengen. Daarvoor eisten ze de inschrijvingslijsten en adressen van de eerstejaars op. Van Waeyenbergh weigerde dat.
Daarop volgde een steekspel tussen de Reeder en de rector. Cornelis beschrijft het als een thriller en bouwt zo de spanning op, zodat je als lezer het boek niet kunt neerleggen. Wie zal het halen? De bezetters waren woedend en stelden dat het de plicht van België was om mensen te leveren in de strijd tegen het bolsjewisme. Maar Van Waeyenbergh kreeg de steun van kardinaal Van Roey die ook het Vaticaan inlichtte. Al kwam er, zo schrijft Cornelis, een ontgoochelend (en typisch) antwoord van Pius XII: ‘We kunnen er niets aan doen’. Er kwam dan ook geen publiek protest van de paus al zou dat de reeds geërgerde Belgische bevolking hebben kunnen aanzetten tot algemeen verzet. Wel kwam er een protestbrief van alle rectoren, en Van Roey liet in maart 1943 een herderlijke brief voorlezen in de kerken tegen de verplichte tewerkstelling. De Duitsers dreigden ermee de universiteiten te sluiten. Van Waeyenbergh stond toen onder zware druk en riskeerde aangehouden te worden als hij de lijsten niet gaf. Uiteindelijk werd hij opgepakt en afgevoerd naar de gevangenis van Sint-Gillis.
De universiteiten werden uiteindelijk niet gesloten – dat zou de onrust alleen maar hebben aangewakkerd – en vanuit diverse hoeken kwamen er steunbetuigingen voor de opgesloten rector. Van Roey informeerde Pius XII en ook koningin Elisabeth ging op audiëntie bij de paus, al bestaat er geen bewijs dat die daadwerkelijk iets gedaan heeft. Het Rode Kruis kreeg die informatie ook, maar tot meer dan wat pakketten sturen naar de gevangenis kwam het niet. De verplichte tewerkstelling voor studenten bleef intussen een twistpunt. Veel jonge Belgen duikten intussen onder en anderen sloten zich aan bij het verzet, en dat beseften de bezetters. Van Waeyenbergh werd uiteindelijk voorwaardelijk vrijgelaten, al mocht hij zich niet meer inlaten met de universiteit. Intussen ging de verplichte tewerkstelling, onder wie de meerderheid van de eerstejaarsstudenten, wel door. In totaal zouden ongeveer 200.000 Belgische dwangarbeiders in de Duitse oorlogsindustrie moeten werken. Daartegenover staat dat ongeveer eenzelfde aantal Belgen de oproep weigerde en onderdook of overleefde met valse papieren.
Na de bevrijding nam Van Waeyenbergh zijn taak aan de universiteit weer op. Hij werd geëerd om zijn moedig gedrag en officieel erkend als burgerlijk weerstander en politiek gevangene. ‘Schop de mensen tot ze een geweten krijgen,’ zo luidt een gezegde van Louis Paul Boon. Dat lijkt me hier goed van toepassing. Al te veel mensen schoven in de oorlogsjaren hun geweten opzij, hetzij uit opportunisme, uit angst of uit overtuiging. Ook moedige geestelijken volgden hun geweten, al bleef het complete stilzwijgen van heel wat kerkleiders, de paus voorop, een zwarte bladzijde. In die zin heeft De rector van Bert Cornelis een bijzondere waarde, niet alleen historisch, maar ook ethisch. Het geeft een goed onderbouwd beeld van de strijd tussen goed en kwaad, een strijd die zich meer dan 80 jaar geleden afspeelde en die zeker verschillende jonge studenten gered heeft.
Maar tussen de lijnen duiken soms ongemakkelijke vragen op. Cornelis heeft het kort over de verplichte toepassing van de Duitse anti-Joodse verordeningen door de universiteiten en hogescholen, en het feit dat de Joden zich vanaf het academiejaar 1941/1942 niet meer mochten inschrijven. Daar kwam geen protest tegen van de universiteiten, schrijft Cornelis. De ULB zou zelfs driemaal een lijst van Joodse studenten overmaken aan de bezetter. Ook Van Roey protesteerde niet toen de Jodenvervolgingen en deportaties op volle toeren draaiden – wel protesteerde hij tegen het weghalen van de klokken uit kerken. In de Actes et Documents du Saint Siège relatifs à la Seconde Guerre Mondiale staan nochtans verschillende oproepen van geestelijken aan Pius XII om de vervolgingen, deportaties én massamoorden op de Joden publiekelijk te veroordelen. Dat deed hij echter niet, hij koos ervoor te zwijgen. Ook het Rode Kruis kwam tussen voor de moedige Van Waeyenbergh, maar schoot helemaal tekort in haar plicht om de Endlösung aan te klagen, want ze wist ervan.
De rector is een beklijvend boek en moet breed gelezen worden, ook en vooral door de huidige generaties studenten die denken dat hun rechten en vrijheden definitief verworven zijn. Niets is echter minder waar. Verzet tegen de afbouw ervan is en blijft noodzakelijk.
Recensie door Dirk Verhofstadt
Bert Cornelis, De rector. Een universiteit in het verzet (1940-1944), Manteau, 2026


