Niet de kiezer is gek - Tom van der Meer

Niet de kiezer is gek - Tom van der Meer

‘2016 wordt het ergste jaar dat de democratie heeft gekend sinds 1933’ zei schrijver David van Reybrouck deze zomer in De Standaard. Hij had het dan niet alleen over de Brexit, maar ook over de opmars van het populisme in Europa en de VSA. Als we het democratisch systeem niet dringend updaten dan krijgen we een probleem met de politieke stabiliteit. De perceptie leeft dat er iets fundamenteels mis is met het functioneren van de democratie in westerse landen. De kloof tussen burger en politiek lijkt groter dan ooit. Als je voortdurend zulke apocalyptische analyses leest, dan is het gevaar dat je ze na een tijd nog gaat geloven. Zeker in deze veranderende én verwarrende tijden. Het is dan ook een verademing om een boek te lezen dat – op basis van feiten jawel – nuanceert en in perspectief plaatst.

Voorbij feitenvrije discussies over democratie

Wel, Niet de kiezer is gek van de jonge Nederlandse hoogleraar politicologie Tom van der Meer (Universiteit van Amsterdam) is zo’n boek dat tegelijk overtuigend tegendraads én empirisch onderbouwd is. Het is scherp en nuchter in één beweging. Hij gebruikt zoveel mogelijk empirisch onderzoek om nuance te brengen in een debat dat doorgaans gedomineerd wordt door onheilsprofeten. Het beeld van een democratie in diepe crisis of verval is zo populair onder opiniemakers dat het nog maar zelden in vraag gesteld wordt. We praten onszelf een crisis aan, en daar moeten we dringend mee stoppen aldus Tom van der Meer. Er is geen enkele reden tot doemdenken, of euforie. Alles kan beter, dat zeker. De democratie is niet perfect, en zal dat ook nooit zijn. Het crisisdenken is immers inherent aan de democratie zelf.

Het boek is gebaseerd op vier centrale stellingen. Ten eerste, de Nederlandse partijendemocratie functioneert – vanuit democratisch oogpunt – uitstekend. De burger keert zich niet af van politiek, maar combineert een hoge tevredenheid over het functioneren van de democratie aan gezonde scepsis over machtshebbers binnen dat systeem. Ten tweede, het probleem van de Nederlandse politiek is dat een verouderde bestuurscultuur, gedragen door de gevestigde partijen, niet langer aansluit op emancipatie van de Nederlandse kiezer. Ten derde, vaak gehoorde oplossingen – kiesdrempels, referenda en verkiezingsloterijen – zullen niet helpen, of creëren grotere problemen dan ze oplossen. Het debat over democratische vernieuwing zou baat hebben bij een grotere distantie van idealisme of wensdenken. Ten vierde, de bestuurscultuur moet dringend gemoderniseerd worden. De nieuwe democratische verhoudingen met geëmancipeerde en assertieve kiezers vergen een nieuwe bestuurscultuur die daarop aansluit.

Vooral zijn observatie dat schrijvers zoals Van Reybrouck de rol van scepsis en wantrouwen onderschatten is enorm waardevol. De parlementaire democratie (met verkiezingen) is een systeem van georganiseerd wantrouwen. Voor een democratie is het goed wanneer burgers een vertrouwen in het regime koppelen aan scepsis over de machtshebbers. Die ambivalente houding is in een volwassen democratie niet zorgwekkend, maar juist gezond. In geen enkel westers land is het vertrouwen in regering én politici bijzonder hoog – alleen in China, Oezbekistan, Qatar, Kazachstan. Ook andere argumenten om de democratische crisis aan te tonen – dalend aantal partijleden en stijgend aantal zwevende kiezers – worden terecht omgedraaid. Het einde van de massapartij met een heus leger partijsoldaten die stemmen uit gewoonte of gemakzucht is net een democratische verrijking (en géén verarming). De kiezer is gaan doen wat van hem verwacht wordt in een volwassen democratie: gaan kiezen. De kiezer heeft het juk van de verzuiling van zich afgegooid, en is assertief en kieskeurig geworden. Goed zo.

Geen crisis van democratie, wel van gevestigde partijen

Geen vuiltje aan de lucht dan? Natuurlijk niet. Tom van der Meer beschrijft wel een crisis van de gevestigde partijen. Ze worden uitgedaagd en in vraag gesteld door de assertieve kiezer. Politieke partijen zijn teveel een verlengstuk van de overheid, en te weinig een verlengstuk van de samenleving. Het is vooral aan hen om een cultuuromslag te maken, om hun gedrag te wijzigen op maat van de kiezer anno 2017. De auteur merkt haarfijn op dat door een fundamenteel verkeerde analyse van de democratie te maken, er ook fundamenteel verkeerde voorstellen worden geformuleerd. De vele schijnoplossingen hebben met elkaar gemeen dat het gaat om institutionele ingrepen. Het komt steeds neer op het sleutelen aan instellingen, procedures, en kiesstelsels. Denk aan de invoering van kiesdrempels, districtenstelsel, ontmoedigen van afsplitsingen in parlement, het referendum, deliberatieve burgerfora en fusies van partijen.

Hoewel Tom van der Meer het referendum en burgerfora erkent als interessante aanvullingen en correcties op de parlementaire democratie, nuanceert hij meteen hun heilzame kracht. Het zijn geen tovermiddelen. Over loting is hij bijzonder kritisch. Hoe kan een abstract wiskundig principe meer legitimiteit geven aan het politiek systeem dan vrije verkiezingen? Zeker als je weet dat in Nederland met 17 miljoen inwoners de kans bijzonder klein is dat je ooit uitgeloot wordt voor een politiek mandaat. Het is bijna letterlijk als spelen op de lotto. Bovendien kampen burgerfora met een groot probleem, de dominantie van de ‘participatie-elite’. Het sterk egalitaire en laagdrempelige karakter van verkiezingen wordt telkens weer onder de mat geveegd. Het boek leest als een warme oproep om meer zelfvertrouwen te hebben in onze democratie (en ze ook te verdedigen). Het is heel gemakkelijk om te onderschatten hoe radicaal vertegenwoordigend ons politieke stelsel is, omdat we er zo gewoon aan zijn.

Bestuurlijke problemen, geen democratische

De problemen in de Nederlandse politiek zijn volgens hem eerder bestuurlijk dan democratisch van aard. De gevestigde partijen spelen hierin een cruciale rol. Ze maken het zichzelf bijzonder moeilijk. Een nieuwe politieke cultuur dringt zich op. Hij eindigt zijn boek met een vijftal voorstellen. Hoewel een aantal van zijn oplossingen sterk geënt zijn op de specifieke Nederlandse politieke context – bijvoorbeeld een pleidooi voor minderheidsregeringen en (transparante) stembusakkoorden – hebben ze toch een bredere relevantie, ook voor een institutioneel complexer land als België. Omdat de ideeën de lezer uitdagen en doen denken buiten de klassieke patronen. Met zijn observatie dat we nood hebben aan een politisering van het parlementaire debat, en aan een depolitisering van het openbaar bestuur (nu gebeurt juist het omgekeerde!) slaat hij nagels met koppen.

Politieke partijen – zeker die in het midden – moeten zich opnieuw durven profileren. Politiek moet gaan over het grote verhaal. Te vaak verzanden politieke debatten in pseudo-technocratische welles-nietes spelletjes over studies, cijfers en details waar niemand iets aan heeft – niet de politici, niet de echte experten, en al zeker niet de burgers. Aan de andere kant moeten politieke partijen hun stevige greep op de benoeming van functies in het openbaar bestuur loslaten. Het is echt niet meer van deze tijd. Ze schieten er zichzelf mee in de voet. Het is een oud zeer, ook in de Belgische politiek.

Het is jammer dat de auteur niet dieper ingaat op die spanning tussen depolitisering en politisering. Hij wijst de juiste richting aan, maar zegt niet waar het eindpunt of het evenwicht ligt. Dat zou ook buiten het opzet van het boek vallen, en waarschijnlijk de toegankelijkheid ervan verkleinen. Maar je voelt als lezer dat hij zijn vinger op een belangrijke wonde legt. En je wilt hier meer over weten. Hetzelfde gevoel had ik bij zijn onderscheid tussen institutionele en culturele veranderingen. De hindernissen zijn volgens hem vooral cultureel van aard, en daarom moeilijker om te overwinnen. Het vergt een langdurige inspanning. Hij heeft daarin volgens mij gelijk, maar hoe kunnen institutionele ingrepen die broodnodige cultuuromslag versnellen? Of moeten we het gewoon uitzweten? Hopelijk niet. Het onderscheid tussen instituties en cultuur is ook niet absoluut. Ook daar had het boek dieper op kunnen ingaan. Maar dat zou hem waarschijnlijk te ver voeren. Begrijpelijk, maar jammer.

Tegendraads. Feitelijk. Optimistisch.

Het boek Niet de kiezer is gek van Tom van der Meer is een absolute aanrader. Het is een welkome ‘wake up call’ voor iedereen die politiek actief is. Zolang de gevestigde politieke partijen blijven vasthouden aan de verouderde bestuurscultuur en hun greep op het openbaar bestuur, dan zal hun crisis voortduren. Partijen die blijven fungeren als verlengstuk van de staat plaveien de weg voor een nieuwe kiezersvlucht naar de politieke flanken. Een nieuwe populistische revolte dreigt als de gevestigde partijen gewoon verder doen als voorheen. Bovendien is het boek een welkome feitelijke analyse van de toestand van de westerse democratie.

Een tijd geleden heeft de Zweedse historicus Johan Norberg een fantastisch boek geschreven Vooruitgang, waarin hij op basis van empirische feiten aantoont hoe sterk we er op vooruit zijn gegaan. Wel, de Nederlandse politicoloog Tom van der Meer heeft een zelfde krachttoer uitgehaald, en een noodzakelijk boek geschreven over hoe sterk onze democratie wel niet is.


Recensie door Tom Willems

Tom van der Meer, Niet de kiezer is gek, Het Spectrum, 2017

Al die aanslagen. Ik ben daar bang van - Luckas Vander Taelen

Al die aanslagen. Ik ben daar bang van - Luckas Vander Taelen

We do things differently - Mark Stevenson

We do things differently - Mark Stevenson