Een sterk  en  rechtvaardig leiderschap? Laat me niet lachen! - Rudi Collijs

Een sterk  en  rechtvaardig leiderschap? Laat me niet lachen! - Rudi Collijs

 Zondag 26 mei 2019. De teerling is weer geworpen en politici voelen zich alweer afgestraft voor hun goedbedoeld maar onbegrepen beleid.  Sommigen geven openlijk toe niet meer te weten hoe de kiezer nog gunstig gestemd kan worden. Dit hoeft nochtans niet te verbazen als men een samenleving bestuurt waarin slechte beoordelingen op zowat alle niveaus de norm en de perverse stimulans tot optimalisatie zijn. Maar ik begrijp ze wel, de politici. Hoe valt het namelijk te rijmen dat een maatschappij haar roep om meer burgerparticipatie op de dag van de verkiezingen – het moment suprême voor hen die de vinger graag diep in de pap hebben -  omzet in een stem voor meer autoritair leiderschap? Welke gunstige effecten hopen deze kiezers – naast sterkere machtsconcentraties en dus juist mìnder burgerparticipatie – vanuit deze hoek te mogen ondervinden? Als politicus zou ik er zelf ook moedeloos van worden.

Maar misschien stel ik de vraag ook wel verkeerd en valt er niet één grote tendens in de kiesuitslagen vast te stellen, maar twee. Misschien is het water tussen de ‘betrokkenen’, die het aftasten van het spanningsveld tussen vrijheid en gelijkheid wèl belangrijk vinden, en de ‘onverschilligen’, die de moed hiervoor hebben laten varen, gewoon weer wat dieper geworden. Maar wat hierin dan zo prominent opvalt, is dat net de ‘onverschilligen’ het hardst roepen dat inspraak ver te zoeken is en er opnieuw nood is aan een grote leider die hen vaderlijk aan de borst drukt.

Hoe dan ook, de teerling mag weer in de kast tot 2024 althans, dan gooien we hem opnieuw. Dat hopen we toch! We leven vandaag nog steeds in een democratie, ook al is die in drie decennia, met daarin evenveel zwarte zondagen, opmerkelijk veranderd. Wat we vandaag, in tegenstelling tot 1991, democratisch aanneembaar achten, neigt meer naar de letter dan naar de geest van het begrip. Waar men zich na de eerste zwarte zondag vragen stelde over de legitimiteit van ondemocratische partijen, stelt men zich nu vragen over de legitimiteit van een cordon rond ondemocratische partijen. Strikt genomen is dit dan ook het resultaat van een doorgeschoten vorm van wat democratie per definitie allemaal kan betekenen. We zijn m.a.w. geëvolueerd naar wat Alexis de Tocqueville le despotisme démocratique noemde. Want hoe principieel mooi en rechtvaardig de democratie ook is, ze blijft drager van dat ene foute gen in haar DNA, namelijk het gen dat ervoor kan zorgen dat ze, geheel trouw aan haar eigen principes, zichzelf bij verkiezingen onomkeerbaar vernietigt. Het blijft dus op elk moment opletten geblazen voor een volgende stap in de democratische gewilligheid, de stap waarin we haar achteloos uit handen geven om ze vervolgens nooit meer terug te krijgen.

De verwachting is wat ze is: een sterk  leiderschap, maar wel democratisch gedragen. Hoe waterdicht deze combinatie is, zal ik u in de komende paragrafen illustreren. De vraag of deze verzuchting bij ons - Europeanen van wie de ervaringen met sterk leiderschap stilaan naar een vaag verleden zijn verdrongen -  oprecht en diep geworteld is of veeleer de zoveelste onbevredigde fetisj op rij, blijft bovendien open.

 

De toekomst zal hierover duidelijkheid brengen. Het is namelijk - alweer - tegenstrijdig dat het actuele verzet tegen het te makke gezag een signaal van bereidheid zou zijn om zich in een toekomstig, sterker gezag, wèl te willen schikken. Deze tegenspraak brengt mij veeleer tot de conclusie dat de kiezer expliciet nìet langer gediend is met dit soort van ontegensprekelijk gezag. Het is een gevolg van, zoals door Hanna Ahrend destijds zeer treffend beschreven,  een ongezond sterke focus op de persoonlijke soevereiniteit ten koste van wat vrijheid betekent in een samenlevingsverband. Dat de hang naar meer politieke dominantie (de sterke leiders zullen dat woord niet graag horen want zij zijn democraten)  daarentegen - op (kies)papier althans - de onderliggende grondstroom voor het huidige kiesgedrag is, is wel een feit en uit zich bijvoorbeeld ook in de forse vooruitgang van extreem links. Helaas, ook hierin schuilt de denkfout dat extreme standpunten ter rechter zijde vragen om extreme tegenstandpunten ter linker zijde; zoniet kapseist het schip. In tegenstelling misschien tot andere domeinen leidt dit voor het bestuur en behoud van een land niet tot intermediaire resultaten, wel tot verdere polarisering en dus steeds dieper water.

De vaststelling dat in Europa het maatschappelijke middenveld verdampt, geldt ondertussen evenzeer voor het politieke centrum, dat beetje bij beetje afbrokkelt en zich tegen de linker en rechter oever opstapelt. Dat dit tij ooit opnieuw zal keren, staat zo goed als vast maar hopelijk gebeurt dit dan ook vòòrdat er grote bressen in de maatschappelijke harmonie geslagen zijn. Alleen lijkt het ongenuanceerde leiderschap van extreem rechts en links hiervoor niet meteen de ideale voorzorgsmaatregel.

Toch dromen de nieuwe politieke krachten en hun achterban van zulk soort bestuur,  al zullen zij die achterban  nooit de ware betekenis van de woorden in hun pathetische retoriek uitleggen.  De oude partijkrokodillen zijn ondertussen netjes aan de kant geschoven maar mogen uit dankbaarheid wel nog uitgebreid mee aan de dis. En dan volgt nog een knap staaltje van selffulfilling prophecy. Want zij, de nieuwe sterke leiders, zullen hun dito leiderschap bestendigen; zij zijn voortaan de rots in de branding bij onzeker weer. En voor onzeker weer zullen ze zorgen, wees daar maar zeker van!

Als notoire strijders tegen het politieke establishment en de vervuilende migratiestroom zullen zij  een ongeziene  luistervaardigheid richting eigen volk aan de dag leggen. Want het volk, zo stellen zij, is dat eeuwige dédain van de gevestigde politieke klasse meer dan moe. Maar dan, op een onbewaakt moment, gebeurt wat moest gebeuren, de groepsfoto: met de ene hand nonchalant maar diep in de rechter broekzak en met in de andere hand het obligatoire, democratische pintje werkmansbier, spreiden de nieuwe sterke leiders met hun amicale, kamerbrede glimlach een dédain tentoon… Sterk leiderschap? Laat mij niet lachen!

Helaas bevindt zich onder het oppervlakkige, wat jongensachtige vernislaagje dat alt-right heet een nog veel begeerlijker parel dan de populariteit, namelijk de macht. En wie in een sterk geleide samenleving de macht bezit, heerst ook over de notie van wat rechtvaardigheid is. Voor de omgang met beide, zowel macht als rechtvaardigheid, valt heel wat te vrezen. Ook hier heeft Hannah Ahrend vanuit haar ervaringen als Joodse in het midden van de twintigste eeuw meermaals gewaarschuwd voor begripsverwarring tussen macht en geweld (weliswaar vanuit haar Duitse taalachtergrond, waar beide begrippen samenkomen in het woord Gewalt). Men mag namelijk niet uit het oog verliezen dat nog strengere en meer verticale machtsstructuren  in geen geval zullen bijdragen tot dat conglomeraat van horizontaal samenwerkende burgers en organen, dat voor een liberale democratie van zo grote waarde is.

Ik  wil bovendien nog even stilstaan bij de thema’s migratiestop en ethisch conservatisme, twee door extreem rechts fel bereden stokpaardjes.  De roep naar beide klinkt, zeer zeker ook vanuit de basis, steeds luider. Maar ook hierin schuilt een merkwaardige redeneringsfout. Migratie is een reëel probleem, een niets ontziende migratiestop is dan weer onrechtvaardig. Het probleem met vreemdelingen zoals we dat nu kennen, wordt meestal gemarkeerd als een sociaal probleem, terwijl in de praktijk veelal  normatieve onverenigbaarheid de oorzaak van conflicten is. Dat merkt Paul Scheffer op in zijn boek De Vorm van Vrijheid. Zo is vaak het religieus en ethisch conservatisme van migranten de oorzaak van wantrouwen en aversie. Maar, om dit nu van de weeromstuit met een eigen ethisch conservatisme te beantwoorden, is ridicuul en past perfect in die waangedachte dat elkaar tegenwerkende uitersten wel tot een gulden middenweg zullen leiden. Bovendien is het ook hier waarschijnlijk dat een eigen ethisch conservatisme bij ons maar vers zal blijven zolang er geen nood is om er om persoonlijke redenen afstand van te doen of er de gepaste uitzonderingen-op-maat op te bedenken. Aan ethisch conservatisme, van welke soort ook, zijn wij niet meer gewend. Een totale migratiestop dan maar? Die getuigt dan weer in geen enkel opzicht van oplossend vermogen of ook maar een poging daartoe en dat was toch wel de belofte die we uit de rechtse retoriek mogen onthouden. Dus dit zwaktebod: weg ermee en werken voor uw boterham verdorie!

Over wat autoritarisme met de notie van rechtvaardigheid zoal vermag, wil ik het ook nog even hebben en wel aan de hand van een heel eenvoudige redenering. In hoeverre kan en mag men vrijelijk inhoud geven aan het begrip rechtvaardigheid en is een democratische meerderheid de onderscheidende factor? Extreem rechts laat tenslotte in geen enkele uitspraak na te beklemtonen dat zij democraten zijn, zeer veilig dus. Indien men vindt dat hierin ver gegaan kan worden: kan dan een democratische meerderheid bepalen wat rechtvaardig is en wat niet? Indien het antwoord ja is: is een democratische meerderheid dan ook (moreel) gemachtigd om willens nillens tot onrechtvaardige besluiten te komen? In het doembeeld van Alexis de Tocqueville en zijn ‘despotisme démocratique’ zijn de antwoorden hierop alleszins  ja. Een gevolg hiervan zou dan kunnen zijn dat men, gesteld dat hiervoor een democratisch draagvlak  zou worden gevonden, beslist dat ouders hun kinderen mogen mishandelen. Of concreet in het kader van dit onderwerp, dat een democratisch verkozen partij van een land, in weerwil van al wat tot nu toe ter bescherming van de rechten van elk mens op papier werd gezet en in consensus ondertekend, opteert voor bijvoorbeeld de herinvoering van de doodstraf en hiermee, uiteraard steeds democratisch geruggensteund, het pad van het abolitionistisch strafrecht verlaat. Vervolgens zou men de deur op een kier kunnen zetten om opnieuw foltering als onderzoekstechniek op het menu te brengen. Door het verwerpen van de abolitionistische principes zou dan ook de bescherming van bijvoorbeeld prostitué(e)s tegen uitbuiting door derden verdwijnen en zou daardoor de facto de slavernij van mensen heringevoerd worden. En als slavernij in de wereld van de prostitutie wordt gedoogd, waarom zouden dan andere sociaal zwakkeren hiertegen beschermd moeten worden? Iedereen gelijk voor de wet, toch?  

Beseft men dan ook ten volle dat men met dit democratisch despotisme  vroeg of laat zichzelf in de voet schiet?  

Finaal heb ik, beste lezer,  getoond  wat ik u wilde tonen, namelijk dat een partij die niet alleen de grondgedachte van de UVRM in vraag stelt (wat uiteraard volkomen aanvaardbaar is) maar ze ook expliciet verwerpt, hiermee meteen ook de basisprincipes negeert waarop onze notie van rechtvaardigheid is gebouwd. In een paar heel eenvoudige woorden komen de URM erop neer dat alle mensen ter wereld gelijkwaardig zijn en dan ook het recht hebben om zo behandeld te worden. Dit niet respecteren creëert A-mensen en B-mensen. Nonchalant of opportunistisch omgaan met het gelijkheids- en rechtvaardigheidsbeginsel is ronduit gevaarlijk en kan zich tegen om het even wie keren, dus ook tegen diegenen die zich aanvankelijk in het veilige kamp wanen. De heer Tom Van Grieken waande er zich trouwens vorige week al zelf slachtoffer van. Toen er bij Vlaams Belang even de vrees ontstond dat Van Grieken niet bij de koning ontboden zou worden, piepte hij klaaglijk dat hij vreesde voor een A- en een B-bevolking en voor het niet luisteren naar de roep van 812000 Vlaamse kiezers. Ei zo na werd hij hiermee getrakteerd op een koekje van eigen deeg.

Rudi Collijs is Kernlid Liberales 

Print Friendly and PDF
Toxiciteit - David Van Turnhout

Toxiciteit - David Van Turnhout

Een zwarte zondag - Joshua Lindeboom

Een zwarte zondag - Joshua Lindeboom