Vrouwen in duistere tijden – Alicja Gescinska
Hij zou beter zijn dan de vorige eeuwen, onze twintigste.
Dat kan hij niet meer waarmaken,
zijn jaren zijn geteld,
zijn tred is wankel,
zijn adem kort.
Er is al te veel gebeurd
wat niet had mogen gebeuren,
en wat had moeten beginnen,
is niet begonnen.
Dit gedicht – De eeuw loopt ten einde – van de Poolse dichteres en Nobelprijswinnaar voor Literatuur Wisława Szymborska uit 1986 vat goed de essentie samen van de eeuw waarin de meeste lezers van onze website geboren zijn en geleefd hebben. Wat na de eeuwwisseling in 1900 nochtans begon met uitzicht op een vredevolle, vrolijke en avontuurlijke eeuw, draaide vanaf 1914 uit op een regelrechte nachtmerrie. Naast twee wereldoorlogen, de Holocaust en de atoombom, volgden de Culturele Revolutie in China, de Vietnamoorlog, de massamoorden door de Rode Khmer, de etnische zuiveringen in Bosnië en de genocide in Rwanda, om maar enkele drama’s te noemen. Daarbij leefde Szymborska, samen tal van andere kunstenaars, dichters en schrijvers, tot de val van de Muur onder het juk van het communisme in Polen (en anderen in Oost-Europa) met censuur en publicatieverbod, zodat ze haar heil moest zoeken bij dissidente netwerken in het Westen. We weten niet hoe ze het eerste kwart van de geschiedenis van de 21ste eeuw zou beoordelen, maar ook deze eeuw is vanaf de aanslagen van 9/11 tot de oorlog in Oekraïne en Gaza vandaag, evenzeer doordrenkt met bloed en tranen.
Er waren ook lichtpunten in deze vreselijke eeuw, zoals Jean Jaurès, Bertrand Russell, Mahatma Gandhi, Martin Luther King, Karl Popper, Václav Havel en Nelson Mandela, allemaal mannen die zich inspanden voor een betere wereld en terecht veel aandacht kregen voor hun strijdvaardigheid. Veel minder aandacht ging echter naar een hele reeks moedige en intelligente vrouwen die elk op hun manier vochten tegen ‘de verdrukking, ontmenselijking en vernietigingsdrang uit hun tijd’. Over een aantal van hen schreef de Pools-Belgische filosofe Alicja Gescinska het indrukwekkende boek Vrouwen in duistere tijden, waarmee ze op slag de prestigieuze Socratesbeker 2026 won. Volgens de jury combineert Gescinska in haar boek ‘een vlammende actualiteit’ met een ‘doordachte filosofische missie’. En verder: ‘Zonder belerend te zijn bieden haar portretten krachtige voorbeelden voor het eigen leven, hoe je je kunt verzetten tegen kwaad en verontmenselijking, en de vrijheid vorm kunt geven.’
Gescinska zet via biografische portretten en essays tien vrouwen voor het voetlicht die zich de voorbije eeuw met woord en daad verzet hebben tegen het totalitarisme en opkwamen voor de vrijheid. Ze begint enigszins verrassend met Rosa Luxemburg, een communiste die vanuit (extreem)rechtse, maar ook vanuit gematigde socialistische hoek, vaak werd voorgesteld als een gevaarlijke oproerkraaister en terroriste, die om die reden op een vreselijke manier vermoord werd. Dat beeld klopt niet. Luxemburg, zo schrijft Gescinska, was geen blinde volgelinge van het bolsjewisme, maar voorspelde juist dat Lenins dictatoriale methoden zouden ‘uitmonden in tirannie en verdrukking’. Ze verdedigde met overtuiging de democratie, de vrijheid van meningsuiting, het algemeen kiesrecht, educatie en het recht om te staken. Anderzijds keerde ze zich consequent tegen het gebruik van geweld en verzette zich tegen het opkomende militarisme, het nationalisme en de bereidwilligheid van de Duitse sociaaldemocraten die in aanloop van de oorlog in 1914 de oorlogskredieten goedkeurden. ‘Wat verloren gaat in de oorlog is de menselijkheid van de mens zelf,’ zo parafraseert Gescinska Luxemburgs bekommernis om de mens.
Ook de Russische dichters Anna Achmatova had het niet begrepen op die uitwassen van het communisme. In 1917 was ze een veelgelezen en geprezen dichteres. Maar na de revolutie werd ze door de rode leiding en de pers afgemaakt omdat haar werk te persoonlijk, mondain en verderfelijk zou zijn. Ondanks grote druk weigerde ze zich echter te conformeren met het door de partij opgelegde ‘socialistisch realisme’, maar bleef in het geheim dichten met als hoogtepunt haar bekende Requiem als een ode aan haar dierbaren en vrienden die door het Stalinregime werden opgepakt, gemarteld en naar de Goelagkampen gestuurd. Haar vriend Osip Mandelsjtam en haar zoon Lev waren er voorbeelden ervan. Pas op het einde van haar leven, onder Chroesjtsjov kreeg ze wat erkenning al bleef ze hameren op het anti-intellectualisme als ‘een wezenskenmerk van het totalitarisme’. Vandaag wordt ze erkend als een van de voornaamste dichters van de voorbije eeuw. En haar standpunt over het anti-intellectualisme bij autoritaire leiders blijft tot vandaag actueel.
Daarna portretteert Gescinska de Duitse filosofe Edith Stein die zich bekeerde tot het katholicisme en zich intellectueel en spiritueel verzette tegen het nazisme. Omwille van haar Joodse herkomst werd ze in 1942 vermoord in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau. Ze was sociaal bewogen, geëngageerd en kwam op voor vrouwenrechten, waarvoor ze alle lof verdient. Wrang is wel dat de katholieke kerk haar in 1988 heilig verklaarde, terwijl diezelfde kerk haar letterlijk in de steek had gelaten. Zo protesteerde in een brief van 12 april 1933 rechtstreeks bij de paus tegen het nazisme: ‘Niet alleen de Joden, maar ook duizenden trouwe rooms-katholieken in Duitsland verwachten en hopen al weken dat de Kerk van Christus haar stem verheft om dit misbruik van de naam van God te doen beëindigen. (…) Al weken wachten en hopen niet alleen de Joden, maar duizenden van trouwe katholieken in Duitsland – en ik denk in heel de wereld – op het feit, dat Christus’ Kerk haar stem verheft om paal en perk te stellen aan dit misbruik van Christus’ naam.’[1] Staatssecretaris Pacelli (de latere paus Pius XII) bevestigde op 20 april 1933 de ontvangst van de brief maar er kwam geen reactie. Sterker nog, op 20 juli 1933 sloot het Vaticaan een Concordaat met het naziregime dat hiermee veel internationaal aanzien kreeg. Toen Stein in 1942 gedeporteerd werd zweeg de plaatsvervanger van God op aarde in alle talen.
En dan is er natuurlijk Hannah Arendt, allicht de meest bekende filosofe uit de 20ste eeuw, die een regelrechte afkeer had voor elke vorm van onrecht. Ze begreep snel het gevaar van het nazisme en week uit naar Frankrijk en later naar de VS. Ze werkte in Parijs voor een zionistische organisatie, maar verzette zich tegen de stichting van een Joodse natiestaat in Palestina. ‘Haar volk liefhebben, wat was dat? Arendt kon vrienden hebben, en ze kon de amor mundi als ideaal uitdragen: de liefde voor de wereld en de mensheid. Maar een volk?,’ zo schrijft Gescinska. Al stelde Arendt ook dat ‘de natiestaat en het behoren tot een gemeenschap een primaire voorwaarde [zijn] voor het bestaan van rechten’ en wees ze erop dat vluchtelingen en statelozen (wat ze zelf 18 jaar lang was) heel vaak verontmenselijkt worden. Maar ze had ook oog voor de ongelijke machtsverhoudingen die mensen in hun politiek handelen beperken. In dialoog gaan met je medemens is zowat het credo van Arendt en bij uitbreiding van de andere vrouwen in dit boek. Wel nog een probleempunt: Arendt had een intieme verhouding met Martin Heidegger die later het nazisme diende. Hij heeft zich daar nooit voor geëxcuseerd, maar Gescinska schrijft terecht dat ook Arendt hem daarvoor niet afviel. Nooit uitte ze publieke kritiek op de man die studenten ertoe aanzette het Führerprinzip blind te volgen.[2]
Daarna volgt nog een portret en essay ver Martha Gellhorn, de gedreven oorlogscorrespondente die net na de bevrijding van Dachau getuige was van de gruweldaden van de nazi’s, maar de wereld ook verweet te weinig gedaan te hebben om die te stoppen. ‘Wie wegkijkt van het kwaad in de wereld is er zelf medeverantwoordelijk voor,’ zo parafraseert Gescinska Gellhorn. Ook dit vormt een j’accuse tegen paus Pius XII die als geen ander op de hoogte was van de Jodenvervolging. Verder Simone Weil waarover Gescinska terecht opmerkt dat ‘je aandacht aan de wereld schenken een daad van generositeit [is]’. Over Jeanne Hersch die zich als Joods-Pools- Zwitserse filosofe actief inzette voor de universele mensenrechten, de liberale democratie en de individuele vrijheid. Over het dramatische lot van Barbara Skarga die jarenlang gevangen zat in een goelagkamp en in een kolchoz, maar net als Viktor Frankl het geloof in de mens en in de zin van het leven niet verloor. En over de Lets-Amerikaanse filosofe en politicologe Judith Shklar die wreedheid bestempelde als de grootse ondeugd en dat vrijheid in essentie betekent dat we geen angst hoeven te hebben voor machtsmisbruik. Tenslotte ook een portret over Etty Hillesum die sprak over de menselijke verantwoordelijkheid voor het goddelijke, al is haar erfenis eerder van theologische dan van filosofische aard. Misschien waren Simone de Beauvoir, Iris Murdoch of, waarom niet, Wisława Szymborska hier een betere keuze geweest.
‘Elk denken moet beginnen bij herinneren,’ schrijft Gescinska en dat is een grote waarheid. In feite is dit een drijfveer geweest voor alle vrouwen die ze in haar boek beschrijft, want allen hebben ze een bijzonder drama meegemaakt in hun levensloop. Alleen begrijp ik niet hoe het kan dat sommigen onder hen nog in God bleven geloven. Velen in de kampen vielen juist van hun geloof af omdat ze niet langer konden verdragen dat dergelijke wreedheden, folteringen en moorden op massale schaal gebeurden. Pius XII bleef tijdens en na de oorlog herhalen dat God een plan heeft met de geschiedenis, ook al begrijpen we dat plan niet. Hij stelde dat God het kwaad tijdelijk toelaat om de vrije wil van de mens te respecteren, maar dat God uiteindelijk het kwaad ten goede zal keren. Het is een magere troost voor de miljoenen mensen die de kampen, de terreur en de oorlog niet of verminkt overleefd hebben. Een almachtige, alwetende en algoede God die het kwaad toelaat, bewijst net zijn incompatibiliteit en onbestaanbaarheid. Het zijn uiteindelijk mensen die morele regels moeten opstellen en afdwingen.
Dat doet niets af van de enorme prestatie van Gescinska die eens te meer bewijst dat ze een van onze belangrijkste hedendaagse filosofen is in de Lage Landen. Vrouwen in duistere tijden is een magnum opus, een magistrale vorm van narratieve filosofie die toegankelijk is voor een breed publiek zonder aan diepgang in te boeten. Een zoveelste hoogtepunt in haar al rijk gevulde carrière.
Recensie door Dirk Verhofstadt
Alicja Gescinska, Vrouwen in duistere tijden, De Bezige Bij, 2025
[1] Stein aan Pius XI, 12 april 1933, Archivo Segreto Vaticano, Affari Ecclesiastici Straordinari, Pos. 643 P.O. fasc. 158 fos 16r-17r. Een belangrijke passage in de brief: ‘Wir alle, die wir treue Kinder der Kirche sind und die Verhältnisse in Deutschland mit offenen Augen betrachten, fürchten das Schlimmste für das Ansehen der Kirche, wenn das Schweigen noch länger anhält. Wir sind der Überzeugung, daß dieses Schweigen nicht imstande sein wird, auf die Dauer den Frieden mit der gegenwärtigen deutschen Regierung zu erkaufen.’
[2] Op 3 november 1933 verscheen een artikel in de studentenkrant van Freiburg, waarin Heidegger stelde: "Laat stellingen en ideeën niet de regels van uw leven zijn. De Führer zelf, en hij alleen, is de Duitse realiteit van vandaag en morgen, en haar wet." Zie: https://www.information-philosophie.de/heidegger-nationalsozialismus.html.


