Teksten

Gewone deugden - Michael Ignatieff

Gewone deugden - Michael Ignatieff

Ruim 250 jaar geleden leefde de overgrote meerderheid van de bevolking nog op het platteland. Het menselijk contact was beperkt tot de eigen leefgemeenschap en het dorp. De bekommernis bij ziekte, geweld, misoogsten en/of natuurrampen ging dan ook niet verder dan dat. Dit veranderde langzaam aan het eind van de achttiende eeuw. De kennis over wat er in de rest van de wereld gebeurde nam toe door de groei van de steden, de verspreiding van informatie via dagbladen en boeken, door een grotere toename van geletterdheid. Later nam de mondiale kennis nog meer toe door de uitbreiding van mediavormen zoals de telegraaf, radio, telefoon en televisie.Die verspreiding zorgde niet alleen voor de uitbreiding van de eigen morele kring maar ook voor een erkenning van het menselijk leed voor de onderdrukten zoals de slaven, kinderen, vrouwen en vreemdelingen. Daardoor nam de empathie voor een onbekende, voor een ander toe. Het besef dat we allen mensen zijn nam toe alsook het groeiende bewustzijn dat we het lijden van de ander tot een minimum moeten houden, het liefst elimineren.  

Iemand die dit goed inzag was de Zwitser Henri Dunant. Op 24 juni 1859 vond de vreselijke slag rond Solferino plaats tussen enerzijds het Frans-Italiaans kamp de Oostenrijkers anderzijds. Daarbij waren er bijna 40.000 doden en gewonden. Toen Dunant die avond naar het slagveld keek, zag hij nog talloze gewonden liggen die om hulp schreeuwden, maar waar de militaire leiders geen oor naar hadden. Hij riep de hulp in van de plaatselijke vrouwen en begon steun te verlenen zonder een onderscheid te maken tussen ‘vriend’ en ‘vijand’. ‘We zijn allen broeders,’ zo sprak Dunant. In 1862 schreef hij zijn boek Un Souvenir de Solferino waarin hij voorstelde om een neutrale organisatie op te richten die zieken en gekwetsten zou helpen tijdens een conflict. Soldaten die weerloos zijn, horen niet langer tot een bepaalde natie of legergroep, maar omdat ze mensen zijn moeten geholpen worden, het is een humanitaire daad. Dat was volgens hem echter alleen mogelijk als een mens in staat is om zich ‘in de plaats van een ander te stellen’, via empathie. Een jaar later, in 1863, was het Rode Kruis opgericht, hij kreeg hiervoor in 1901 de Nobelprijs voor Vrede.

Dit wil niet zeggen dat de toename van empathie en de erkenning van de ander in één rechte lijn toenam. De nationalistische slachtpartijen tijdens de Eerste Wereldoorlog, de uitroeiing van miljoenen mensen onder het stalinisme de goelags, de Jodenwetten van de nazi’s, de Holocaust, de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, de massamoorden onder Mao en tal van andere gruwelijkheden vormden dieptepunten in de menselijke geschiedenis. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er evenwel een kentering met de aanvaarding van de Universele Rechten van de Mens. Het mensenrechtendiscours vond breed weerklank en ze ondersteunde allerlei gebeurtenissen zoals de dekolonisatie, de burgerrechtenbeweging in de VS, de tweede feministische golf, de groene beweging. De interesse voor het lot van de medemens, voor de aarde nam toe. In zijn boek Het Betere Ik toont Steven Pinker aan dat we als mensen meelevender,  kosmopolitischer en vredelievender zijn geworden, en dat we ons steeds feller keren tegen racisme, discriminatie en uitsluiting. Acties voor het goede doel zoals na de Tsunami in 2004 en/of de zware aardbevingen in Mexico halen recordbedragen op. Het medeleven voor elkaar, het hulp bieden aan elkaar is telkens groot. Dit zien we ook aan nationale speciale interventieteams die direct hulp bieden bij zulke rampen.

De indruk bestaat daarom dat we via de globalisering en de sociale media, een mondiale universele ethiek ontwikkelen. Veel kosmopolitische intellectuelen vinden dit vanzelfsprekend, maar dat is volgens de Canadese schrijver en gewezen politicus Michael Ignatieff een misvatting. In zijn boek Gewone deugden. Samenhang in een verdeelde wereld laat hij zien dat deugden zoals tolerantie, vergevingsgezindheid, vertrouwen en veerkracht niet zozeer kosmopolitisch zijn, maar kernwaarden zijn die lokale bevolkingen boven het universele plaatsen en die de wensen en verlangens van de eigen groep boven dat van vreemden plaatsen. Ignatieff is tot die conclusie gekomen na een reis van drie jaar in acht verschillende landen. Zo is hij terecht gekomen in onder meer arme latinobuurten in Los Angeles, het arme district Queens in New York, infavela’s in Rio de Janeiro in Brazilië, in illegale nederzettingen in Pretoria in Zuid-Afrika en in arme dorpen in de omgeving van Mandalay in Myanmar. Hierbij ging hij telkens na welke deugden universeel waren ondanks de lokale politieke, religieuze en culturele verschillen.

Het project werd ondersteund door de Carnegie Council for Ethics in International Affairs. Andrew Garnegie was een steenrijke staalmagnaat die een groot deel van zijn vermogen besteedde aan goede doelen. Zo liet hij in twaalf Engelstalige landen zowat 2500 openbare bibliotheken bouwen teneinde kennis toegankelijk te maken voor een breed publiek. Het doel van het onderzoek van Ignatieff was na te gaan hoe mensen ‘met honderden verschillende achtergronden, geschiedenissen, overtuigingen en religies erin slagen een gemeenschappelijk ethisch systeem te ontwikkelen’. Een bijzonder actueel thema en probleem want zowat alle grote steden, zeker in het Westen, worstelen met de opgave om het samenleven van de diverse gemeenschap zo goed mogelijk te laten verlopen. Volgens Ignatieff lukt dat wel voor de kosmopolitische elite, de bedrijfsleiders, politici, juristen, journalisten, professoren, universiteitsstudenten en anderen die samen een soort mondiale ethiek hanteren. Zij staan achter de mensenrechten, ze zijn religieus tolerant. Ze strijden actief voor het milieu en ze hebben een sterk geloof in de liberale democratie als het beste samenlevingsmodel en dragen dit ook uit.

Daartegenover staat echter de overgrote meerderheid van de wereldbevolking die vasthoudt aan de eigen tradities, geloof en bestuur. Zelfs de burgers van de meeste democratieën “vinden dat hun eigen belangen, die ze democratisch hebben bepaald, voorrang horen te krijgen boven de belangen van de mensen in andere landen,” aldus Ignatieff. Dat blijkt ook uit de verkiezingsresultaten van populistische, nationalistische, extreemrechtse en extreemlinkse partijen en politici die zich afkeren tegen de globalisering, die opkomen voor hun verworven rechten en die vaak de illusie wekken dat we terugkunnen naar de ‘gouden tijd’. Ze keren zich dan ook tegen de anderen, de vreemdelingen, de asielzoekers die komen profiteren. Ze zijn tegen de have-nots in de wereld. En toch worden diezelfden getroffen door een foto van een verdronken kind langs de Middellandse Zee, de meer dan 300.000 slachtoffers van de tsunami in de Indische Oceaan in 2004 of de aardbeving in Afghanistan die het leven kostte aan duizenden mensen.

Ignatieff bezocht het district Queens in New York en zag hoe massa’s arbeiders er zonder papieren probeerden te overleven. Queens is een smeltkroes van mensen met uiteenlopende culturen, religies en talen. Zij volgen geen universele ethiek maar houden vast aan hun eigen tradities. Daar gaan diversiteit en tolerantie hand in hand met “een dagelijkse praktijk van gescheiden leven,” schrijft Ignatieff. Hetzelfde stelde hij vast in Los Angeles waar de bevolking uit bijna de helft latino’s bestaat. Ook daar leven mensen in gescheiden gemeenschappen waarin deugden als vertrouwen, eerlijkheid, beleefdheid en tolerantie de ethische fundamenten vormen. En dat lukt voor zover “de politie en de rechterlijke macht zorgen voor een basale rechtsgelijkheid, de politici ervoor zorgen dat alle groeperingen in ongeveer gelijke mate worden gesteund, en als het voor iedereen mogelijk blijft ‘omhoog’ te te klimmen op de arbeidsmarkt’. Ook hier gaat het niet zozeer om een beroep op universele mensenrechten, maar om lokale waarden en normen die gelden binnen elke gemeenschap.

In Rio de Janeiro bezocht Ignatieff de favela’s van de armen. Zij wantrouwen de nationale regeringen die de voorbije decennia verwikkeld zaten in corruptie- en omkopingsaffaires, maar ook de drugsbendes die in hun lokale gemeenschap de plak zwaaien. Zo keerden heel wat Brazilianen zich in 2014 tegen de buitensporige uitgaven voor het wereldkampioenschap voetbal terwijl tegelijk de politici prijzen voor het openbaar vervoer verhoogden. Het leidde tot dagenlange betogingen. Wat Ignatieff opviel was dat de demonstranten zich niet zozeer keerden tegen de instellingen – een onafhankelijke rechterlijke macht, de grondwet – maar tegen de corruptie, de ongelijkheid. In Bosnië ging zijn aandacht naar de deugd ‘verzoening’ na de vreselijke oorlog in jaren negentig. Die verzoening zal volgens Ignatieff enkel mogelijk zijn “als mensen het gevoel hebben dat ze een gemeenschappelijke toekomst hebben”. In Myanmar stootte Ignatieff hij op fundamentalistische boeddhisten die de anderen, vooral moslims, letterlijk willen uitroeien. Hij reageert dan ook fel tegen Aung San Suu Kyi, Nobelprijswinnaar voor de Vrede in 1991, die nu zwijgt over de wreedheden die worden begaan tegen de Rohingya-moslims in haar land door het Birmaanse leger.     

In Japan praatte Ignatieff met mensen die de kernramp in Fukushima meemaakten. Hij stelde vast dat heel wat Japanners sinds die ramp hun vertrouwen in de overheid verloren hadden. Want hun werd immers voortdurend voorgehouden dat alles veilig was. Daarbij besteedt Ignatieff veel aandacht aan de technici in de kerncentrale die de ramp, op gevaar voor eigen leven, probeerden in te dijken door anderen te waarschuwen en te redden, door de lijken te bergen. De auteur heeft het over ‘veerkracht’. Het toont aan dat er inderdaad een gemeenschappelijke menselijke ethiek bestaat, namelijk de zwakken beschermen en redden, zelfs ten koste van zichzelf. In Zuid Afrika zag Ignatieff hoe de volgelingen van Mandela zelf ordinaire corrupte leiders werden die zich niets aantrokken van het leven van de gewone zwarte Afrikaan. Het ANC is door en door corrupt en probeert andersdenkenden uit te schakelen. Net zoals vroeger leven de armen nog steeds in erbarmelijke omstandigheden. De apartheid blijft genesteld in de geesten van de bevolking.

De essentie van Ignatieffs verhaal is dat al die mensen, van New York en Los Angeles, over Brazilië, Bosnië, Myanmar, tot aan Japan en Zuid Afrika, eenzelfde set deugden nastreven waardoor een universele seculiere moraal dichterbij lijkt te komen. Echter, zover is het nog niet want in tal van gemeenschappen blijven tradities de boventoon vieren. Wat het discours van de mensenrechten wel heeft veroorzaakt, is het bewustzijn dat iedereen mens is. Maar ondanks die bereikte morele gelijkwaardigheid die men overal inziet, blijven er enorme ongelijkheden bestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de patriarchale structuur die op tal van plaatsen zoals in Latijns Amerika, India en in het bijzonder in de islamitische wereld zorgt voor de onderdrukking van vrouwen. De enige hoop is dat steeds meer landen zullen inzien dat de enige juiste weg naar een mens evenwaardig bestaan, de weg van een universele seculiere moraal is. Gewone Deugden van Michael Ignatieff, legt op klare manier uit waarom. Dit boek is een must-read. Een universele seculiere moraal is er nog niet, maar wel een groeiend besef dat we met elkaar verbonden zijn.

 

Michael Ignatieff, Gewone deugden, Cossee, 2017

Recensie door Dirk Verhofsta

 

Print Friendly and PDF
Sapiens - Noah Harari

Sapiens - Noah Harari

The Politics of Climate Change - Anthony Giddens

The Politics of Climate Change - Anthony Giddens