Veertig jaar - Günter De Bruyn

Veertig jaar - Günter De Bruyn

Toen de Duitse Democratische Republiek (DDR) werd opgericht was Günter De Bruyn tweeëntwintig. Toen de Berlijnse Muur viel drieënzestig. In zijn boek Veertig jaar, verslag van een leven schrijft hij over die veertig tussenliggende jaren. De Bruyn heeft nooit een knieval gemaakt voor het systeem, maar is ook niet naar het westen uitgeweken. Hij zet uiteen wat hem ertoe heeft bewogen in de DDR te blijven. Daarbij spaart hij zichzelf niet maar neemt zijn keuzen gewetensvol en meedogenloos onder de loep. Hij vertelt over zijn jaren als bibliothecaris in Oost-Berlijn, zijn eerste successen als schrijver, zijn ontmoetingen met auteurs als Heinrich Böll, Wolf Biermann en Christa Wolf, en zijn problemen met de cultuurpolitie van de Sozialistische Einheitspartei SED en de Oost-Duitse schrijversbond. In zijn boek staat niet zozeer zijn levensverhaal centraal, hij wil vooral een onvervalste indruk geven van hoe het is als burger in een dictatuur te leven.

Günter de Bruyn vertelt hoe hij in de beginjaren van de DDR tewerk werd gesteld in een bibliotheekkantoor in Oost-Berlijn. Hij inventariseerde er alle boeken die hij aantrof en die vanuit diverse plaatsen werden verzameld. Al snel controleerde zijn chef de opgemaakte lijsten en schrapte alle boeken die als reactionair, decadent of pacifistisch werden bevonden. Dergelijke boeken mochten niet worden gelezen omdat ‘ze voor de opvoeding van de arbeiders toch weinig gewenst waren’. Bij zijn sorteerwerk ging de chef heel ver. Ook boeken van auteurs die hij niet kende verdwenen aldus van de lijsten ‘omdat zijn angst om politieke fouten te maken groter was dan zijn literaire kennis.’ Op die manier werd een enorm pak boeken vernietigd waaronder Der Mann ohne Eigenschaften van de Oostenrijkse schrijver Robert Musil en Die Waffen Nieder van Bertha von Suttner. Dit laatste werk werd al onder de nazi’s verboden wegens te ‘pacifistisch’ en later door de DDR wegens ‘een gebrek aan volksopvoedkundige kwaliteiten’.

In 1953 werd hij als wetenschappelijk medewerker aangesteld in het Centraal Instituut voor het Bibliotheekwezen dat controle had over de Algemene Volksbibliotheken. Tijdens datzelfde jaar was er de eerste arbeidersopstand tegen het regime met de eis om vrije verkiezingen. Vanuit zijn positie beschrijft De Bruyn hoe mensen kwaad op straat kwamen en niet, zoals gebruikelijk, de spandoeken en vlaggen kwamen ophalen die in het gebouw klaarstonden voor gebruikelijke volksfeesten. Partijfunctionarissen discussieerden of ze niet beter de partijinsignes van hun revers zouden afhalen. Maar al snel reageerde de overheid hard en schoot op de menigte terwijl Russische tanks de betogers uiteen dreven. Hierna werd de greep van de overheid nog sterker. Enkele van zijn collega’s op het Instituut kwamen in aanvaring met de overheid omdat ze hun werk niet conform de partijlijn deden. De beschuldigden wisten niet waarvoor ze opgepakt werden en aanklachten gebeurden steeds anoniem. De processen verliepen volgens een vast stramien. De taak van de rechter was niet een oordeel te vellen na afweging van de aanklacht en de verdediging, maar wel om de vooraf opgestelde veroordeling voor te lezen.

Een zware overtreding was alvast het binnensmokkelen van verboden westerse boeken in de DDR. Hiermee hadden ze ‘het socialisme geschaad, het bestaan van de DDR ondermijnd en bijgevolg de wereldvrede in gevaar gebracht’. Een na een verdwenen aldus de collega’s van De Bruyn die zelf het geluk kende niet te zijn aangegeven voor soortgelijke activiteiten. Maar de veroordelingen misten hun effect niet, dat geeft hij ook ruiterlijk toe: “Bij mezelf kon ik nagaan hoe dat machtsvertoon werkte: hoewel ik het belachelijk vond, het doorgestoken kaart en stuitend noemde, voelde ik behalve minachting ook een angst opkomen die me ertoe aanspoorde in het vervolg voorzichtiger te zijn.”

Toch weigerde hij lid te worden van de Eenheidspartij en begon hij zelf te schrijven en uitgevers te zoeken. Op die manier kwam hij in contact met de censuurcommissie van de partij. Toen hij zijn eerste werken opstuurde kreeg hij een negatief antwoord. “Vanwege de in de beoordeling vermelde ideologische tekortkomingen adviseer ik geen drukvergunning te geven. Berlijn, 28 augustus 1959”, aldus een censor. Wel kreeg hij van diezelfde commissie adviezen welke aanpassingen nuttig konden zijn zoals het benadrukken van anti-imperialistische boodschappen, het aanduiden van klassenstandpunten, het verheerlijken van het collectieve, zelfs tot het verfraaien van een sjofele DDR-hotelkamer door het weglaten van een handdoek vol vlekken. Een dergelijke controle op de inhoud van romans en non-fictie werken was in de DDR algemeen en gold voor alle auteurs. Uiteindelijk slaagde De Bruyn erin enkele werken ‘drukwaardig’ te maken. Het betekende voor hem een beslissende maar dubbelzinnige stap in zijn schrijversloopbaan.

Op 1 april 1961 zegde De Bruyn zijn baan op bij de bibliotheek en ging aan de slag als voltijds schrijver. Een dergelijk beroep was in het toenmalige Oost-Duitsland niet ongewoon en kreeg veel maatschappelijke erkenning zolang men de weg van het sociaal-realisme bewandelde. Enkele maanden later werd de Berlijnse Muur gebouwd. Vanaf dan werd de druk van de overheid op auteurs, om een literatuur te schrijven die strookte met de partijlijn, nog groter. Er werden Schrijversbonden opgericht waar de aanwezigen tot vervelens toe teksten moesten aanhoren van jongelingen die zich via hun literaire onderwerping aan het regime een plaats trachten te veroveren bij de gevestigde elite van sociaal-realistische auteurs. Het waren doorgaans pijnlijke bijeenkomsten van zelfverloochening, hofmakerij, hypocrisie en ronduit domheid. De Bruyn geeft in zijn boek zelf toe dat bij zijn eerste boek ‘zijn ambitie om in druk te verschijnen groter was geweest dan zijn plicht om zich aan zijn eigen waarheid te houden’. Het is een indrukwekkende schuldbekentenis. Enkele maanden later ontving hij van de DDR een prijs waarover hij evenwel niet fier kon zijn “want ik wist dat hier gehoorzaamheid werd gehonoreerd”.

In zijn boek legt De Bruyn de mogelijkheden van schrijvers in de toenmalige DDR: het was liegen of verzwijgen. Zo was het taboe iets onbetamelijk te schrijven over de goede vader, de Sovjet-Unie. Ook gevestigde auteurs zwegen en logen omdat de DDR ‘goed voor hen was’ en dat zowel op psychologisch vlak (inzake publieke erkenning) als op materieel vlak. De Bruyn ontving later de prestigieuze Thomas Mann-prijs en werd zelf lid van de Schrijversbond. In die functie, en omdat de Stasi over hem niets belastend had gevonden, mocht hij reizen naar het buitenland. Zo bezocht hij de Frankfurter Buchmesse, de belangrijkste boekenbeurs in Europa. Daar werd hij overrompeld door de overvloed aan boeken en uitgaven bij de stands van de West-Duitse uitgeverijen.

Intussen werkte hij aan zijn volgende roman Buridans Esel. Na de verschijning werd hij opgenomen in een ziekenhuis ingevolge een totale fysieke inzinking gepaard gaande met fatalisme en onverschilligheid. Voor de publicatie van zijn boek had hij maandenlang strijd geleverd met de censuurcommissie. Sommigen vonden het partijvijandig en revisionistisch. De directeur van de uitgeverij durfde geen beslissing te nemen uit schrik de bewindvoerders voor het hoofd te stoten. Pas na aanpassingen en wijzigingen kreeg het boek groen licht. Anderhalf jaar later lag het in de boekwinkel. Het werd een groot succes, ook in het Westen waar het vertaald en verspreid werd in diverse landen. Ondanks de verdoken kritische inhoud steeg De Bruyn op de ladder van de erkenning door de DDR-bonzen omdat zijn boek weinig reveleerde en eerder een toonbeeld was van de zogenaamde tolerantie van het bewind. Een cultureel alibi dus.

De Bruyn bleef weigeren om lid te worden van de partij maar voelde zich steeds minder goed in zijn vel. Vooral zijn gedweëe houding tegenover de censuur en de inschikkelijkheid waarmee hij zich in De Schrijversbond naar voren had laten schuiven, ondermijnde zijn zelfrespect. Deze ‘innerlijke’ kwelling werd nog groter met de Ausbürgerung van Wolf Biermann in 1976 waarbij hem zijn staatsburgerschap werd ontnomen. Toen twaalf collega-schrijvers hiertegen een protestbrief schreven sloot De Bruyn zich hierbij aan. De partijleiding schrok van deze actie omdat de door haar afgedwongen schijnbare unanimiteit werd doorbroken. Het protest ging intussen niet alleen meer over de zaak Biermann, maar over een vorm van intellectuele emancipatie. De overheid reageerde evenwel slim. De Stasi liet de actievoerders schaduwen, vaak openlijk teneinde ze te intimideren. Er kwamen geen collectieve straffen maar wel individuele. Minder bekende schrijvers werden gevangen gezet of uitgestoten. De schrijvers met enige naam verloren hun erebaantjes en voordelen zoals bezoekmogelijkheden aan het buitenland. Wie zich berouwvol toonde werd mild behandeld.

Meerdere malen verwijt De Bruyn zichzelf dat hij niet naar het Westen was gevlucht of er gebleven bij een van zijn buitenlandse reizen. In zijn boek geeft hij hiervoor een verklaring. Enerzijds weigerde hij zijn geboortestreek en vooral zijn moeder achter te laten, anderzijds stelt hij dat het juist goed was dat kritische mensen in de DDR bleven en als enigen een vorm van protest lieten horen, al was het tussen de regels van een roman door. Zo wijst hij erop dat vooral jonge dissidenten in de jaren tachtig een groot gevaar vormden voor de SED. Vanaf 1976 kregen schrijvers en beeldende kunstenaars die de censuur en treiterijen niet meer verdroegen dan ook vlotter een uitreisvergunning. Het stemde De Bruyn allemaal droef: “Hoewel ik de DDR het verlies aan aanzien gunde, voelde ik me pijnlijk getroffen door de uittocht van vrienden en gelijkgezinden, omdat het steeds leger werd om me heen.”

Ook de lezers in de DDR bekeken de leegloop met gemengde gevoelens. Zij voelden zich voor een stuk verraden. Tijdens een openbare lezing kreeg hij alvast een stormachtig applaus omdat hij bekendmaakte dat hij niet van plan was naar het westen te verhuizen. Deze bijval geneerde De Bruyn duidelijk omdat hij vond dat hij te weinig had gedaan om dergelijke bijval te verdienen. “Ik heb altijd vermeden om op verzoek van hogerhand in het openbaar te zeggen wat gewenst werd geacht, maar vaak heb ik ook gezwegen als er ongewenste zaken gezegd hadden moeten worden (…) Eerbetoon vervulde me met tweeslachtige gevoelens, omdat het enerzijds een vleiende zelfbevestiging was, maar me anderzijds voorkwam als een poging tot inlijving die in zekere zin met de term omkoping kon worden omschreven.”

Trouw aan de partij werd door de bonzen afgekocht met privilegies zoals levensmiddelenpakketten, toewijzing van woningen, auto’s, reizen en het mogen ontvangen van westerse boeken. In de loop van de jaren was de terreur van de staat verfijnder geworden, niet langer (en alleen) puur geweld maar steeds meer door het onderdrukken van kritiek door mensen aan zich te binden. De DDR deed ook ten aanzien van De Bruyn haar best maar mislukte keer op keer. In de loop van 1989 kreeg hij de Nationale Prijs Eerste Klasse toegekend, maar hij weigerde prompt.

Toen op 9 november 1989 de Muur viel was hij een stille getuige van de vreugde. Zelf ging hij gebukt onder een zeker zelfverwijt, nl. het gebrek aan daadkracht met betrekking tot het bevrijdingsproces. “We hadden allemaal weinig oefening in het tolereren van een grote verscheidenheid van meningen, omdat we alleen voor of tegen hadden gekend.” Dit standpunt is alvast eerlijker dan diegenen die na de val van de Muur plots vergaten dat ze meewerkten aan het systeem, en ook van diegenen die gekant waren tegen een hereniging omdat ze bleven geloven dat het echte ‘democratische socialisme’ ondanks de mislukking van de DDR toch mogelijk was. De Bruyn zelf geloofde er na zijn ervaring met twee dictaturen niet langer in. Maar gelukkig was hij wel. “Voor de tweede keer in mijn leven kende ik het geluk te mogen meemaken dat een staatsmacht ineenstortte die zichzelf had wijsgemaakt dat ze voor de eeuwigheid was gevestigd.”

Na de hereniging kwamen ook de geheime Stasi-documenten vrij. Daaruit bleek hoezeer de ‘democratische’ republiek haar eigen onderdanen wantrouwde. Via een leger aan informanten en spionnen werd het doen en laten van de burgers gevolgd. Uit zijn dossier bleek dat de Stasi poogde om ook De Bruyn als spion aan te werven. Het wemelt van verslagen van informanten die uit de literaire wereld afkomstig waren. Zo vermelden ze zijn gesprekken, zijn manier van wonen en zijn liefdesleven. In de loop van de jaren werden de opmerkingen negatiever ondermeer omwille van de positieve recensies die in West-Duitse bladen verschenen. Via vervalste brieven waarvan kopieën in het dossier terug te vinden waren had men hem tot uitspraken trachten te bewegen die belastend konden zijn. “Hij bevindt zich volledig in het vaarwater der krachten in binnen- en buitenland die geen enkele antenne voor onze cultuurpolitiek hebben… Onze tegenstanders hebben hem in de hand. Let goed op hem!”, zo meldt een spion.

Alleen zijn status van erkend schrijver met literaire onderscheidingen en het feit dat hij ook in het westen bekend raakte hebben hem behoed voor ‘sancties’. Minder bekende en minder getalenteerde schrijvers werden voor minder gekraakt.

 

Günter De Bruyn, Veertig jaar, verslag van een leven, De Arbeiderspers, 2002

Recensie door Dirk Verhofstadt

verhofstadt.dirk@pandora.be

Print Friendly and PDF
Nazi-Duitsland en de Joden - Saul Friedländer

Nazi-Duitsland en de Joden - Saul Friedländer

Islamisten willen uiteindelijk de wereld overheersen - Darya Safai

Islamisten willen uiteindelijk de wereld overheersen - Darya Safai