Een iets beschuttere plek misschien Journaal 2017 - Cyrille Offermans

Een iets beschuttere plek misschien Journaal 2017 - Cyrille Offermans

Een eclecticus is een filosoof die zich niets aantrekt van vooroordelen, traditie, anciënniteit, het algemeen gevoelen, autoriteit, kortom alles wat de grote massa in de ban houdt, en die het aandurft zelf te denken, terug te gaan naar de duidelijkste algemene grondbeginselen, die te bestuderen en onder de loep te nemen, en niets voor waar aan te nemen dat niet gestaafd wordt door zijn eigen ervaring of zijn verstand. Hij heeft alle filosofieën kritisch en onvooringenomen geanalyseerd en gebruikt de elementen daarvan om zijn eigen unieke privéfilosofie op te bouwen. Denis Diderot

Zo citeert de veelzijdige intellectueel en essayist Cyrille Offermans (1945) Denis Diderot en het lijkt erop of Offermans zich hierin kan vinden, vooral in de regels die erna volgen:

Ik zeg unieke privéfilosofie, omdat de eclecticus niet zozeer ambieert de leermeester van de mensheid te zijn als wel de leerling, niet zijn medemensen wil verbeteren maar vooral zichzelf, en de waarheid liever wil kennen dan onderwijzen.

Ik voel me juist wel een ‘leermeester van de mensheid’ die mijn medemensen wil verbeteren door hen ecoveganist en atheïstisch humanist te maken en ik doe niets liever dan onderwijzen. Uit mijn verkenning van Journaal 2017 van Offermans blijkt dat hij soms toch ook geneigd is om anderen te onderwijzen en de wereld te verbeteren. Maar het verschil zit hem in attitude; waar Offermans een adept is van de gematigde Verlichting sta ik in de traditie van de radicale Verlichting. Waar de expliciete aspirant-wereldleraar nogal eens arrogant wordt gevonden, wordt de impliciete moralist juist geroemd voor diens tolerantie en openheid. Misschien dat ik ooit nog die stap op de wijsheidsladder zal kunnen zetten.

Terwijl ik schrijf aan dit stuk reflecteer ik over prioriteiten. Ik heb een stapel werk van studenten na te kijken. Er is een lange to do lijst (die ik maar niet opschrijf), het huishouden is een bende en ik doe wat het minst relevant is maar waar ik zelf het meest voldoening uit put, zowel door het resultaat (een essay) als door het proces (het schrijven). Mijn essay wordt er één dat ik, in tegenstelling tot Offermans die schrijft voor de kwaliteitskranten en opiniebladen, aan de straatstenen niet kwijt kan – ik ben te vaak afgewezen om het nog naar literaire tijdschriften, opiniebladen of kranten te sturen.

Als schrijver mis ik het echter als ik niet schrijf. Schrijven is een hobby, een bezigheidstherapie. Dikwijls keek ik in de etalage van de handwerkwinkel aan het eind van de straat waar huisvlijtproducten lagen uitgestald waarvan sommige van verrassende kwaliteit, maar die niemand kocht, zelfs niet tijdens de uitverkoops- en later opheffingsuitverkoop.

Ik las, ondanks het gebrek aan tijd, met veel genoegen en herkenning Een iets beschuttere plek misschien. Journaal 2017 door Offermans uitgegeven in de befaamde reeks privé-domein van De Arbeiderspers. Offermans heeft zijn palmares in de Nederlandse literatuur verdient met een flinke reeks essaybundels, een aantal romans en een geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur na de Tweede Wereldoorlog en hij heeft een trits literaire prijzen in de wacht gesleept.

Het is een omvangrijk boek dat is voorzien van een uitgebreid en indrukwekkend personenregister. Dat is handig en behulpzaam bij het bestuderen van het boek, maar ik had graag ook nog een literatuurlijst erbij gezien met de titels van de vele honderden boeken die in de tekst worden genoemd. Zo’n bibliografie geeft houvast. Dat hoop ik althans, want ik heb in Finissage moeite gedaan om een uitgebreide bibliografie te maken en ik ben van plan om, geïnspireerd door Offermans, ook een personenregister aan te leggen.

Zo ik een bucketlist in mijn leven heb, dan is een uitgave in privé-domein een actiepunt op die lijst. In die serie zijn bestaande egodocumenten (brieven en dagboeken) opgenomen en delen die op verzoek geschreven zijn, vaak een jaarjournaal (Buch, ’t Hart, Giphart, De Wispelaere), journaalfragmenten (Nooteboom) of brieven (Pfeijffer). Ik vind het literaire egodocument een fascinerend genre omdat het mij het gevoel geeft dicht bij de innerlijke beleving van de auteur te komen. Het is de persoon echt, niet als echte persoon, geen romanfiguur. Ook vind ik de aandacht voor de zogenaamd onbelangrijke dingen in het leven belangrijk. Ze dragen bij aan de authenticiteit van de tekst. Nu weet ik wel dat dagboekschrijvers die uitgaan van publicatie, rekening houden met een lezerspubliek, maar dat stoort mij doorgaans niet.

Zijn Journaal is in twaalf maanden opgedeeld en elke maand bestaat uit een reeks essays. Sommige essays staan op zichzelf die zijn ingevoegd in het Journaal, andere essays zijn dagboekaantekeningen die naar de actualiteit verwijzen en naar zijn leven van alledag. Offermans kennis is encyclopedisch en er komen honderden namen langs van vooral schrijvers en denkers.

Offermans is een bewonderaar van de kunstcriticus en schrijver John Berger (1926-2017), over wie Offermans een uitgebreide necrologie schrijft. Hij duidt Bergers romans, als bijvoorbeeld A Painter of Our Time (1958), aan als ideeënlaboratorium. Dat vind ik een prachtig concept: literatuur als laboratorium voor ideeën. Dat kan in de filosofie natuurlijk ook, maar literatuur is vrijer en er zijn meer mogelijkheden om te experimenteren met ideeën en stijl.

Er zijn meerdere necrologieën in het boek opgenomen. Een fraai necrologisch essay is dat over de Belgische auteur, criticus en hoogleraar Nederlandse literatuur Paul de Wispelaere (1928-2016) die met Offermans bevriend was en op wiens uitvaart hij sprak. Offermans bewondert Het verkoolde alfabet. Dagboek 1990-1991 (1992) – ook uitgegeven in de serie privé-domein – van De Wispelaere dat ook ik een prachtig boek vind. De Wispelaere gebruikt zijn dagboek anders dan Offermans en blijft dichter bij zichzelf en is veel intiemer. Hij reflecteert over zijn leven en voegt biografische notities in die ons laten lezen die ons een vergoed verdwenen tijd laten zien. De Wispelaere woont samen met zijn achtendertigjaar jongere vriendin Ilse in zijn huis op het Vlaamse platteland met een grote beschutte tuin. De Wispelaere geeft niet alleen literaire reflecties maar heeft het ook over zijn leven en verlangens. Het verkoolde alfabet – een regel uit een gedicht van Octavio Paz – is een boek waarin het leven voelbaar is en daarmee vergeleken is Offermans boek afstandelijk cerebraal. Ik las het bij toeval vlak voor ik Offermans boek las. De Wispelaere reflecteert over dagboekschrijven:

Het schrijven van een dagboek is zelf een manier van leven, de dagboekschrijver leeft in het licht van zijn dagboek en met de ogen gericht op zijn dagboek, de inhoud van het dagboek bestaat uit het schrijven ervan. Zoals de rups al de vlinder is, is de meegemaakte werkelijkheid zelf al dagboekliteratuur. (Alfabet, p. 17)

Terwijl ik aan het aan het schrijven ben, word ik vaak gehinderd door de gedachte aan iets wat ik liever zou schrijven of wat veel beter zou zijn. Op die manier wordt het schrijven begeleid door de schaduw van wat ongeschreven blijft en daardoor geen toegang tot de geschiedenis krijgt. Maar zo is het met het hele leven gesteld. De mens is iemand die iemand anders had kunnen zijn. De bestaande wereld leeft ten koste van haar mogelijkheden. Zij wordt bevolkt door ongeboren kinderen. (Alfabet, p. 67).

Onlangs las ik de magistrale roman Grand Hotel Europa (2018) van Ilja Leonard Pfeijffer (1968). Daarin las ik over het megalomane project om midden in de woestijn in de Arabische een Westers kunstmuseum als satelliet van het Louvre neer te zetten. In Pfeijffers boek gaat de vriendin van de hoofdpersoon naar Abu Dhabi om daar tegen een riant salaris als conservator aan de collectieopbouw te werken. Tot mijn verbazing lees ik bij Offermans een uitgebreide beschrijving over het Louvre in Abu Dhabi omdat zijn dochter daar gaat werken aan de website van het museum. De werken van Pfeijffer en Offermans zijn beide uitgegeven bij De Arbeiderspers en ze hebben allebei dezelfde redacteur, namelijk Peter Nijssen (die trouwens ook redacteur was van Het verkoolde alfabet). Ik ken Nijssen omdat ik jaren geleden bij hem op de uitgeverij ben geweest omdat hij Geleefde brieven I: Prometheus wilde uitgeven, misschien zelfs bij privé-domein. Helaas deelde hij mij mede dat het voorstel door de directeur was afgewezen. Enfin, Offermans en Pfeijffer kennen elkaar, ze hebben dezelfde redacteur en ze schrijven een soortgelijke passage over Abu Dhabi. Wie heeft het van wie of is het toeval? Ik vermoed dat Pfeijffer het overgenomen heeft van Offermans.

‘[…] in het gemak waarmee mensen in nood zich laten misleiden door valse beloften, ligt een van de pessimistische maar naar valt te vrezen tijdloze waarheden van dit boek.’ (p. 59) In 1985 verschenen als Sátánstangó van de Hongaarse postmoderne schrijver László Krasznahorkai (1954) waarvan Offermans een bespreking opneemt. ‘Mensen in nood’ dat zijn wij allemaal, dat is de mensheid als geheel en hoe jonger de mensen, hoe groter de nood. Wij laten ons verleiden door de mensen die ons zogenaamd geruststellen dat het allemaal wel meevalt met dat klimaat en die milieuproblemen, dat het allemaal maar onzin is (zoals Trump en Baudet) of door mensen die menen dat het allemaal wel goedkomt omdat ze geloven en vertrouwen op de menselijke creativiteit, innovatie en technologische oplossingen (‘vierde generatie kerncentrales’). We laten ons allemaal verleiden omdat de waarheid ongemakkelijk is. Maar het negeren van de waarheid zal nog veel meer pijn doen natuurlijk. Leg ik nu mijn eigen interpretatie op aan de tekst? Lees ik wat ik wil lezen?

Fascinerend is het essay ‘Een dissidente intellectueel’ over de rechts-radicale Amerikaan en neonazi Richard Spencer (1978). Spencer herhaalt telkens dat hij alleen voor vreedzaam verzet is, maar dat past slecht bij zijn openlijke adoratie voor Hitler. Hij is werkzaam bij het National Policy Institute – dat is een nogal nietszeggende naam voor een extreemrechtse wit nationalistische lobbyorganisatie (ook wel denktank genoemd, maar dat vind ik te veel eer), die als oogmerk heeft dat alleen blanke mensen in Amerika zouden moeten en mogen wonen: een blanke etnostaat. Hij pleit voor vreedzame etnische zuivering. Hij labelt zichzelf als identairist[1] en pleit voor het behoud van de nationale identiteit en een terugkeer naar traditionele christelijke waarden. Het zou kunnen dat hij de term Alt-Right heeft bedacht. Alt-Right staat voor enerzijds een subcultuur van (vooral mannelijke) internetgebruikers, anderzijds voor een verzameling extreemrechtse ideologen en activisten.[2] Alt-Right is een combinatie van antifeministisch masculinisme, libertarische economische denkbeelden en ideeën over raszuiverheid en antisemitisme. Spencer publiceert onder andere op de website American Renaissance van Jared Taylor (1951)  – ook zo’n extreemrechtse engerd die raszuiverheid en superioriteit van het blanke ras propageert. 

De installatie van Trump als president van de Verenigde Staten stemt Offermans somber: ‘[….] méér dan ooit besef ik ook dat het naoorlogse Europa, zeker het noordwestelijke deel daarvan, door toekomstige historici als een uitzonderlijke periode in de geschiedenis van de mensheid zal worden gezien, ik realiseer me hoe uitzonderlijk en bevoorrecht het was dat ik al die jaren als vanzelfsprekend elke dag gewoon aan het werk kon gaan, en nog wel aan werk dat ik zelf had gekozen en geheel naar eigen voorkeur en inzicht kon uitvoeren.’ (p. 64) Offermans lijkt te suggereren dat met Trump democratie wereldwijd aan het wankelen is gebracht. De ergernis over Trump richt zich ook op de taalarmoede van de president, waaronder de veelvuldige zelfherhaling (palilalie): ‘[Trump] zit opgesloten in een linguïstische echokamer, een van de rijkste mannen van Amerika behoort tegelijk tot de taalarmste.’ (p. 65)

Offermans merkt op – naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant – dat jongeren in de leeftijd dertien tot negentien jaar nog geen tien minuten per dag lezen in een boek of krant tegenover ruim zeven en een half uur mediagebruik. Hij is zelf decennialang leraar Nederlands geweest op een middelbare school en hij beklaagt zich over het geruisloos verdwijnen van het literatuuronderwijs in het middelbaar onderwijs. Blijkbaar is het literatuuronderwijs verdwenen op de middelbare school. Dat is een verschraling van het onderwijs en daarmee van de cultuur.

Hoewel hij in het zuiden van het land woont, moet hij niets hebben van het carnaval. Nu is Offermans een voorbeeld van een erudiete kunstkenner die zich bewust richt op de hoge cultuur. Hij contrasteert carnaval met moderne kunst: ‘In de carnavalsgekte schuilt een oud verlangen naar transgressie, een paar dagen per jaar wordt de maatschappelijke hiërarchie met ieders goedvinden op zijn kop gezet en mag men zich te buiten gaan aan praktijken die normaliter taboe zijn. Maar dat verlangen is, aangemoedigd door de horeca, verbleekt, uitgeblust, gekanaliseerd; de ware transgressie vindt plaats in de moderne kunst en het daarbij horende leven […] Van grensoverschrijding is er hoogstens nog sprake in de meest triviale zin: als ontremming.’ (p. 78) Hij ziet een carnavalisering in de cultuur in de buutreetner (de tonredenaars): ‘Het kost weinig moeite in de geleerdenspot van de buutreedner een vroege nog tamelijk onschuldige vorm van het tegenwoordig virulente anti-intellectualisme te herkennen.’ (p. 83)

Ik heb meerdere keren met het boek Honger (2015) van de Argentijnse journalist en schrijver Martín Caparrós in mijn handen gestaan, maar omdat ik het niet makkelijk kon duiden, legde ik het steeds terug. Offermans geeft een duidelijke duiding van Honger. Het boek bestaat uit vele genres: ‘geschiedschrijving, antropologisch onderzoek, reisreportage, verhalencyclus, politiek manifest; je zou het om redenen van stilistische, narratieve en compositorische aard ook gewoon een roman kunnen noemen, zij het een bijzonder ongewone roman.’ (p. 112) Caparrós verblijft voor zijn boek langere tijd in Calcutta. ‘Opnieuw verbaast hij zich over het gemak waarmee de Indiërs leven met de gruwelijke armoede van anderen, niemand die zich te midden van alle ellende schaamt voor het eigen geluk, van enig medelijden is geen sprake, zelfs niet in schijn.’ (p. 113) Zelf heb ik dat precies zo ervaren, maar dan in New Delhi. Het doet me deugd dat Caparrós de moeite neemt om die hardnekkige mythe van medemenselijkheid van Moeder Theresa te ontkrachten, net zoals Christopher Hitchens overigens die er een heel boek aan wijdde, The missionary position. Mother Theresa in Theory and Practice (1995). Ik citeer een flink stuk, want ik erger me aan de hardnekkigheid waarmee de Moeder Theresa-mythe in stand blijft, ook bij ongelovigen:

Moeder Theresa liet doodzieke mensen van de straat halen, niet om ze enige medische verzorging te geven maar om ze in Christus te laten sterven. Haar opvanghuis was een sterfhuis waar het lijden werd verheerlijkt. […] Ze riep de slachtoffers van de giframp van Bhopal op te ‘vergeten en vergeven’ in plaats van schadevergoeding te eisen van Union Carbide. Ook kon ze het goed vinden met de dictator Jean-Claude Duvalier, de zoon van Papa Doc van Haïti, die haar financieel ondersteunde, en legde ze op bezoek in haar vaderland Albanië […] bloemen bij het standbeeld van Enver Hoxha, een van de ergste dictators van Europa. En bij de uitreiking van de Nobelprijs noemde ze abortus “de grootste bedreiging van de wereldvrede”.’ (p. 113)

Dat religies, zoals Karen Armstrong onder andere gelooft, als essentie allemaal compassie hebben, daar valt veel op aan te merken, zoals het voorbeeld van Moeder Theresa laat zien. Maar met compassie in het hindoeïsme is het ook niet best gesteld, al zullen veel door yoga verblinde westerlingen die met een roze bril naar die prachtige kleurrijke armoede kijken, dat vast anders zien. Caparrós schrijft over het hindoeïsme: ‘Als iemand arm is, lijdt en hongert, is dat de aan den lijve ervaren prijs voor misstappen in vorige levens, het is dus zijn eigen schuld.’ (p. 114)

Offermans heeft talloze essays opgenomen in zijn Journaal. Tot mijn verbazing staan er ook onleesbare saaie essays tussen zoals ‘In rook opgelost’ over Claudio Magris en ‘Joyce heeft het gedaan’. Ik ga niet proberen te schrijven waar die essays over gaan om niet in de overtreffende trap van saaiheid te belanden. Het verbaast me alleen dat deze stukken erin staan. Het leidt ook tot zelfreflectie. Mijn essaybundel Finissage bevat immers ook velerlei soorten essays, ik hoop deze valkuil te kunnen ontlopen door te vertrouwen op de schare van kritische proeflezers.

‘Donderdag 1 juni [2017] zal naar alle waarschijnlijkheid in de recente geschiedenis van de geopolitieke ontwikkelingen een cruciale datum blijken te zijn. Het is de dag waarop Trump het Parijse klimaatakkoord heeft opgezegd.’ (p. 191) Het is één van de vele voortekenen van het begin van het einde dat we niet willen zien omdat we het niet kunnen geloven. De verontwaardiging over het terugtrekken uit het Parijsakkoord ebde snel weer weg. In Nederland gaan er ook stemmen op om ons land om dat akkoord op te zeggen. Waar Offermans zich ergert aan de lompheid en ongeletterdheid van Trump, erger ik mij groen en geel aan de debiliteit van Baudet. Die is dan weliswaar welbespraakt en hoogopgeleid, maar hij raaskalt. Een hoge opleiding en een zeker IQ blijken geen garantie voor kritisch rationeel handelen. Offermans reflecteert over de opkomst van populisme en nationalisme in Europa: ‘Het populisme is de reflex van de machtelozen, het verkeerde, want louter defensieve, geborneerde en rancuneuze antwoord van “het volk” op een rits reële problemen. Het kan alleen verdwijnen als er iets aan die problemen gedaan wordt.’ (p. 193) Het zou mooi geweest zijn als Offermans die ‘rits van reële problemen’ dan ook had benoemd. Hij meent blijkbaar dat iedereen dat wel weet.

De Club van Rome en het rapport De grenzen aan de groei komen even langs: ‘De planeet aarde is niet eindeloos belastbaar en vraagt om een verstandig beheer, met onontkoombare gevolgen voor onze manier van leven – dat was ondanks alle latere kritiek op het rapport de niet mis te verstane boodschap.’[3] Maar dat was het dan weer. Hij ligt er niet van wakker en doet er niets aan.

Offermans is een veellezer en hij introduceert auteurs waar ik nooit eerder van gehoord heb, zoals de schrijver Huub Beurskens (1950). Offermans vindt diens roman Eindeloos eiland (2017) goed en hij stuurt een berichtje aan de schrijver ‘[…] omdat ik wel een vermoeden heb van het gevoel van radeloosheid dat zich van een schrijver meester maakt die, zoals hij, domweg genegeerd wordt, heb ik hem dat ook laten weten.’ (p. 215) Nu hoop ik natuurlijk ook op een berichtje van Offermans himself.

Literatuur en ethiek gaan niet echt lekker samen. Met het zoekende essayisme van Offermans schieten slachtoffers niets op. Zo schrijft hij een essay met als titel ‘Varkens’ naar aanleiding van de roman De melancholie van het verzet (1989) van László Krasznahorkai die als jongeman op een varkensboerderij een trauma opliep toen hij biggetjes moest vasthouden die onverdoofd gecastreerd werden.

Natuurlijk, dat was ergens in een achterlijke uithoek van het Hongaarse platteland, maar er is geen enkele reden om te denken dat het hier en nu, in het minder achterlijke West-Europa, met het lot van de varkens beter is gesteld, het tegendeel is vermoedelijk eerder het geval, hoewel er afgaande op de omvang van de protesten tegen de eigentijdse “varkensproductie” toch ook aanleiding is voor enig optimisme. De mishandeling van varkens afgelopen voorjaar in het slachthuis van het Belgische Tielt, het grootste van het land, ligt nog vers in het geheugen; de door undercovercamera’s van Animal Rights vastgelegde beelden van varkens die werden geschopt en geslagen en die, als ze niet meer in staat waren om te lopen, met kettingen om de poten uit een vrachtwagen werden gesleept en even later, als het zo uitkwam en in strijd met alle voorschriften, bij bewustzijn werden opgetakeld en gekeeld, waren te gruwelijk om aan te zien – zoals werd bevestigd door de massale protesten. Maar tot een radicale verandering in onze omgang met de dieren zal ook dat voorlopig niet leiden. (p. 233)

Maar waarom zal dat niet tot een radicale verandering in onze omgang met dieren leiden? Wat is er nog meer nodig om het morele tij te keren? Offermans schrijft dit allemaal netjes op, maar ook hij doet er niets mee. Als hij al vegetariër is dan weet hij dat goed te verbergen. Bij hem geen moreel appèl. Wat heb je aan reflectie als je er niets mee doet? Hij analyseert het probleem keurig: ‘En zolang de consument bezwijkt voor de verleiding van de kiloknallers voor de barbecue voelen de vijf of zes grootwinkelbedrijven die onder aanvoering van Albert Heijn de markt beheersen, geen enkele noodzaak om het roer drastisch om te gooien.’ (p. 233) Hij maakt allerlei literaire vergelijkingen, maar er komt geen conclusie. Wat is het doel van zijn essay?

Doorgaans is Offermans niet bijzonder uitgesproken. Het verbaasde me daarom om een fel antireligieuze passage tegen te komen: ‘Om überhaupt mentaal in staat te zijn mensen af te slachten is de implementatie van een superieure gebiedende en wrekende instantie noodzakelijk en dat lijkt alleen via een religieus-ideologische hersenspoeling te bewerkstelligen. […] Al met al is er geen reden voor optimisme met betrekking tot de islamitische wereld, de zachte krachten van de rede en de tolerantie maken er voorlopig weinig kans.’[4] Verder in het boek schrijft hij: ‘Voor islambashers staat het vast: de islam is een achterlijke godsdienst, onverenigbaar met westerse waarden en dus met de westerse democratie omdat ze niet “door de verlichting is gegaan.”’[5] Dat hij zelf zo’n islambasher is was hij blijkbaar even vergeten.

Offermans is een bibliofiel, niet dat hij zeldzame boeken of eerste drukken verzamelt, maar hij leeft in, tussen en met zijn boeken. ‘[…] een huis zonder boeken is een onleefbaar huis. In al die boeken heb ik geleefd, ze hebben mijn gevoel voor de hopeloze onvolmaaktheid van het lezen evenzeer gevoed als mijn dromen, ze zijn tastbare getuigen van alle lyriek en alle denkkracht die me hebben voorzien van een bijna ononderbroken stroom van revitaliserende injecties, van mentale weerbaarheid en kritische zin. Onmogelijk uit te maken wie ik zonder die boeken zou zijn geweest.’ (p. 518-519). Ik ben voortdurend in dialoog met de boeken rondom mij. Als ik in een lees- of schrijfpauze wacht tot de koffie klaar is, sta ik voor de boekenkasten te kijken. Ik ben constant met mijn boeken in de weer. Hun aanwezigheid vergroot mijn belevingshorizon. Offermans vraagt zich weleens af of hij het echte leven niet heeft gemist door al dat lezen. ‘Was die leeswoede niet ten koste gegaan van het zelf denken, het leven, de spontaniteit? Had ik niet al veel te lang in stoffige binnenkamers geleefd die hoognodig eens gelucht moesten worden?’ (p. 518) Het klinkt mij in de oren als wat tegenwoordig wordt aangeduid als FOMO: Fear Of Missing Out. Het gevoel dat wat je vrienden doen – zoals je dat ziet op sociale media – het echte leven is en dat dat allemaal langs je heen kan gaan. Dat is een gevoel dat ik ook wel heb, dat ik een braaf en burgerlijk leven leid, terwijl anderen een spannend, sprankelend en enerverend bestaan vol exotisch en erotisch vertier leiden. Meestal gaat dat gevoel wel weer weg. Ik ben eigenlijk best een refo qua levensstijl: een kalm leven bestaande uit wandelen en in mijn stoel zitten. Als ik dan eens een dag iets anders doe, dan krijg ik enorme leeshonger en verlang ik als een junkie naar lezen zodra ik weer de kans krijg.

Mensen vragen weleens: maar wanneer lees jij dan? Dat gaat uit van de veronderstelling dat tijd vrijgemaakt zou moeten worden om te lezen. Bij mij is lezen mijn eerste levensbehoefte, ik doe de andere dingen er een beetje afgeraffeld tussendoor. En wanneer schrijf je dan? Ook dat laat ik niet wachten tot ik een leeg dagdeel met een opgeruimd bureau voor me heb. Ik schrijf voortdurend. Als ik niet schrijf, denk ik aan wat ik ga schrijven. Ik ben een langzame lezer omdat ik tijdens het lezen al in dialoog ga met de tekst en verken wat ik erover wil schrijven, al schrijf ik niet over alle boeken die ik lees, ik zou dat het liefste wel doen omdat het schrijven over een boek mij een explicietere verhouding tot het boek verschaft. Schrijven is op deze wijze een mentale verwerking van het lezen. Schrijven veronderstelt een actieve relatie met een boek terwijl lezen een passieve ervaring inhoudt.

Offermans noemt filosofen als Rousseau, Schopenhauer, Nietzsche en Lichtenberg die waarschuwden tegen te veel lezen. Ik zie zelf de beperkingen van lezen: het gaat er niet om dat je leest en zelfs niet alleen om wat je leest, maar om hoe je leest en vooral wat je met die leeservaring doet. Ik heb dit al tot in den treure geschreven en gezegd, maar wat heb je aan boekenwijsheid als het niet leidt tot een morele levensstijl waar veganisme deel van uitmaakt, wat heb je aan het lezen van boeken als je in je dwaling blijft ronddolen als gelovige, wat heb je aan veel lezen als het je wegleidt van de waarheid en weg van compassie? Het gaat er uiteindelijk om wat je met je met je leeservaring doet. Als lezen puur als ontspanning dient maakt het weinig uit wat je leest, als het maar iets is dat je vermaakt en jou aanspreekt. Maar als lezen een manier is om je beter in de wereld te doen staan dan is lezen niet meer vrijblijvend. Dan is het niet vrijblijvend wat je leest en ook niet wat je denkt, door lezen kom je – als het goed is – op het pad van kritische rationaliteit terecht, maar ik weet ook dat dat dikwijls niet opgaat en wat doet lezen er dan nog toe? Dan rest de leeservaring die mensen hebben die een bevredigende ervaring kan zijn, niet alleen op het moment zelf maar ook bij de herinnering aan het boek.

Zo herinner ik me zintuigelijke ervaringen die ik had bij het lezen van de Indië-romans toen ik in de bovenbouw van het lyceum zat ik in ’s middags alleen thuis op de stoel bij het raam zat met thee en een toren van biscuits luisterend naar Sade, zoals Brieven van Willem Walraven, Hoe hij raad van Indië werd en Uit de suiker in de tabak van P.A. Daum, De stille kracht van Louis Couperus, Het land van herkomst van E. du Perron en de Max Havelaar van Multatuli.

In de laatste zin van Offermans boek wordt de boektitel die ontleend is aan een gedicht van de mij onbekende dichter Hans Tentije (1944), duidelijk. Die iets beschuttere plek is niet wat Offermans zelf zoekt, hij schrijft zowel in het begin als aan het slot van zijn boek over de Syrische vluchtelingen die het door burgeroorlog verscheurde land ontvluchten en in groten getale in Europese landen asiel aanvragen, als het hen lukt om levend het land uit te komen:

Maar liever zagen we ze niet, godverdomme, al die berooide mensen, op weg naar een minder hachelijke, iets beschuttere plek misschien. (p. 546)


Cyrille Offermans, Een iets beschuttere plek misschien, De Arbeiderspres, 2018

 Recensie door Floris Van Den Berg auteur van o.a. “Groen Liberalisme”

[1] In Nederland is er ook organisatie die zich Identitair Verzet noemt: https://www.idverzet.org/over_idverzet/. Hier bereiden mensen (mannen) zich voor op de “komende rassenoorlog”.

[2] Dank aan Wikipedia waar ik vrijelijk uit heb geput en bewerkt.

[3] P. 356.

[4] P. 298- 299.

[5] P. 343.

Print Friendly and PDF
Vlaanderen leert niet graag

Vlaanderen leert niet graag

'De welvaart van landen', recensie door Dirk Verhofstadt

'De welvaart van landen', recensie door Dirk Verhofstadt