Waarom brak er geen hongersnood uit tijdens corona? – Thomas Rotthier

Waarom brak er geen hongersnood uit tijdens corona? – Thomas Rotthier

Grote pandemieën gingen in het verleden steevast gepaard met hongersnoden. Er stierven zodanig veel mensen dat er te weinig boeren overbleven om het graan te oogsten. De coronapandemie vormt hierop een opmerkelijke uitzondering. Op elk moment bleven de rekken van de supermarkten gevuld met een overvloed aan voeding (en wc-papier).

Als onze voorouders in een teletijdmachine konden stappen naar onze tijd, zouden ze die overvloed allicht miraculeus vinden. Dit moderne mirakel is voortgevloeid uit de menselijke vindingrijkheid. De ontwikkeling van een hoogtechnologische landbouw maakt dat hongersnood in onze contreien niet meer voorkomt. Een ander voordeel is dat de moderne landbouw veel minder mankracht vergt dan vroeger. Vandaag draait de landbouw grotendeels op machines in plaats van op mensen. Amper 1 à 2 procent van de bevolking is vandaag boer of boerin. Daardoor kon de voedselproductie het voorbije jaar doordraaien, zelfs toen de meeste mensen 'in hun kot' moesten blijven door de lockdowns.

Nog niet zo heel lang geleden zag de wereld er totaal anders uit. Toen was ongeveer 90 procent van de bevolking boer of boerin, meestal in dienst van een heer. Tijdens de Middeleeuwen was de landbouwopbrengst ontzettend laag, nauwelijks voldoende om de boer en zijn gezin in leven te houden. Eén zware misoogst kon tot de hongerdood leiden. Pas in de Hoge Middeleeuwen, de periode tussen het jaar 1000 en 1300, konden boeren een klein graanoverschot creëren dankzij de introductie van de zware ploeg en het gareel voor paarden.

Deze harde Middeleeuwse realiteit staat mijlenver af van onze moderne belevingswereld. De overvloed in de supermarkt is intussen de normaalste zaak van de wereld. Maar die overvloed is er niet vanzelf gekomen. Ze werd mogelijk dankzij technologische innovaties van de voorbije 150 jaar. Eerst werden paarden vervangen door tractoren en maaidorsers, waardoor boeren veel sneller konden zaaien en oogsten. Daarna zorgden kunstmest en verbeterde graansoorten (zogenaamde ‘hybride soorten’) voor een enorme boost in de opbrengsten, ook wel bekend als de Groene Revolutie. Door al deze innovaties werd de spierkracht van de landbouwer grotendeels overbodig. Vandaag lopen landbouwers niet meer met hun paard achter de ploeg, maar bedienen ze tractoren met gps en airco.

Ondanks deze landbouwrevolutie blijft het beeld van de traditionele landbouw voor veel mensen aantrekkelijk. We denken bij de landbouw graag aan mooie rustieke taferelen: zonovergoten graanvelden, koeien die rustig grazen op een frisse groene weide, boeren die hun groenten zonder pesticiden kweken. Voedingsbedrijven gebruiken zulke taferelen graag in hun reclame. Ook voorstanders van biologische landbouw en agro-ecologie spelen in op dit verlangen naar een landbouw in harmonie met de natuur. Maar dit landbouwideaal is misleidend: het idyllische boerenleven heeft nooit bestaan. De overgrote meerderheid van onze voorouders die het land bewerkten, voerden een constante strijd tegen schaarste en de honger. De natuur was meer vijand dan vriend.

Ergens is dit verlangen naar een (denkbeeldig) landbouwverleden wel te begrijpen. Als consument worden we steeds meer geconfronteerd met de keerzijden van de huidige landbouw. De moderne landbouw is zeer productief, maar berokkent tegelijk schade aan het klimaat, het milieu en aan dierenwelzijn.

De huidige landbouw draagt sterk bij aan de klimaatopwarming. Bij het kweken van gewassen komen veel broeikasgassen vrij. De productie van kunstmest zorgt voor CO2-uitstoot. Koeien en schapen stoten methaan uit en bij de afbraak van hun mest in de bodem ontsnapt er lachgas (N2O). En klimaat is niet het enige pijnpunt. Het overmatig gebruik van pesticiden tast de bodem aan en doet insectenbestanden krimpen. De industriële veeteelt zorgt voor stikstofvervuiling, massaal dierenleed en ontbossing in het tropisch regenwoud. 

Het is dus duidelijk dat er iets moet veranderen. Maar het zou een pijnlijke vergissing zijn om ons heil te zoeken in nostalgische landbouwmodellen zoals de biolandbouw. Deze vorm van landbouw evenmin vrij van vervuiling. Bioboeren gebruiken enkel dierlijke mest en ‘natuurlijke’ pesticiden, maar die kunnen fauna en flora net zo goed schaden.

Het tweede nadeel van de biolandbouw is haar lagere productiviteit: een biologische akker levert simpelweg minder op dan een gewone akker. Dat maakt dat er meer land nodig is om dezelfde hoeveelheid gewassen te kweken. Die extra landbouwgrond gaat ten koste van natuurgebied, terwijl die gebieden juist cruciaal zijn voor de biodiversiteit en de opslag van koolstof. Vreemd genoeg blijft de EU - ondanks dit grote nadeel - subsidies uitreiken aan de biolandbouw.

In onze huidige wereld kunnen we niet zonder hoogproductieve landbouw, anders slagen we er nooit in om miljarden mensen te voeden. Meer zelfs, we zouden de productiviteit van de landbouw nog moeten verhogen. Als we dat niet doen, is het niet uitgesloten dat we deze eeuw nog met zware voedseltekorten zullen kampen. Tegelijk moeten we de schadelijke gevolgen voor het milieu tot een minimum beperken. Hoe slagen we daarin?

Daarvoor hebben we drie wapens tot onze beschikking: nieuwe spitstechnologie, koolstofopslag en het aanpassen van ons dieet. De eerste stap is om meer opbrengst te behalen met minder ‘inputs’. Inputs zijn zaken zoals kunstmest, pesticiden en water, met andere woorden al de dingen die een boer ‘in’ zijn gewassen stopt zodat ze beter groeien. Een meer precieze toediening van kunstmest of pesticide is heilzaam omdat er zo minder vervuilende stoffen ontsnappen in het milieu. Deze precisielandbouw kan gebeuren met behulp van landbouwrobots en AI. Ook de veredeling van planten in het labo is een belangrijke techniek. Met gentechnologie (bijvoorbeeld CRISPR) kunnen we sterkere plantenrassen kweken die minder pesticide of kunstmest nodig hebben.

Een ander belangrijke techniek is het gebruik van de bodem als opslagplaats voor koolstof. Dit kan door middel van ’landbouw zonder ploegen’. Hoe minder de bodem omgewoeld wordt, hoe meer koolstof erin blijft vastzitten en hoe minder er in de atmosfeer ontsnapt. Ook gewasrotatie helpt om meer koolstof te stockeren.

Tot slot zullen we ook een verandering in ons dieet moeten doorvoeren. Door dierlijk vlees te vervangen door plantaardige vleesvervangers kunnen we heel wat milieuschade voorkomen. Binnen een enkele jaren zal het eerste kweekvlees op de markt komen, waardoor de overschakeling nog makkelijker wordt.

Er zijn dus vele oplossingen mogelijk voor de milieuproblemen van de landbouw. Die oplossingen schuilen niet in een terugkeer naar een geïdealiseerd verleden, maar wel in het gebruik van slimme landbouwtechnieken. Op die manier kunnen we een landbouw creëren die zowel milieuvriendelijk als hoogproductief is. Die hoge productiviteit moeten we koste wat kost behouden want anders zullen de supermarktrekken in de toekomst niet langer uitpuilen van het voedsel.

 

Thomas Rotthier (°1987) heeft filosofie gestudeerd aan de Universiteit Gent. Hij is medeoprichter van de Vlaamse ecomodernistische beweging, een nieuwe milieustroming die wetenschap en humanistische waarden hoog in het vaandel draagt (Ecomodernisme.be). Alle teksten en bijdragen van Thomas zijn te vinden op thomasrotthier.be.

Print Friendly and PDF
N-VA dreigt bewust en ondubbelzinnig bij extreemrechts uit te komen – Vincent Stuer

N-VA dreigt bewust en ondubbelzinnig bij extreemrechts uit te komen – Vincent Stuer

All life is problem solving - Karl Popper

All life is problem solving - Karl Popper