Adélaide Hautval, een geweten in de kampen – Dirk Diels
In 2024 verschenen twee biografieën over dezelfde, bijna vergeten Elzasser psychiater: Adélaïde Hautval. Sabine Faivre schetst haar in Adélaïde Hautval, une conscience face au mal (L’Harmattan), Denis Labayle in het sobere Adélaïde Hautval (Plon). Samen halen ze een vrouw uit de schaduw die geen verzetsgroep leidde, geen wapens droeg, en toch in Auschwitz en Ravensbrück bleef doen wat zij als arts en als mens moreel noodzakelijk vond.
Hautvals leven vormt een stille maar krachtige weerlegging van de gedachte dat het kwaad onvermijdelijk is, dat de mens in extreme omstandigheden onherroepelijk tot het beest wordt gereduceerd. Het is het verhaal van iemand die, midden in de ontmenselijking, weigerde haar eigen menselijkheid op te geven.
‘Adélaïde Haas’ werd op 1 januari 1906 geboren in Le Hohwald, in een Elzas die toen tot het Duitse Rijk behoorde. Zij was de jongste van zeven kinderen van een hervormde predikant. Haar vader gaf haar een diep respect voor menselijke waardigheid, een vanzelfsprekende compassie voor het Joodse volk en een uitgesproken liefde voor Frankrijk. Faivre noemt haar “patriote dans l’âme comme son père”. Haar naam werd verfranst tot Hautval.
Zij studeerde geneeskunde in Straatsburg, specialiseerde zich in de psychiatrie en promoveerde in 1933. In de jaren dertig werkte zij onder meer met kinderen in moeilijkheden. Bij het uitbreken van de oorlog bevond zij zich in de Dordogne, waar zij zorgde voor geëvacueerde psychiatrische patiënten.
In mei 1942 werd zij gearresteerd bij het oversteken van een onduidelijke demarcatielijn. In de cel in Bourges nam zij het openlijk op voor een mishandelde Joodse vrouw. Tegenover de Gestapo verklaarde zij: “Joden zijn mensen zoals wij.” Zij weigerde die woorden in te trekken, waardoor zij het stempel “Amie des Juifs” kreeg. Labayle opent zijn boek met de harde reactie van de Duitsers: “Omdat u de Joden verdedigt, zult u hun lot ondergaan.”
Zij werd overgebracht naar de kampen van Pithiviers en Beaune-la-Rolande, later naar de gevangenis van Orléans en het fort van Romainville. Op 24 januari 1943 vertrok zij met het “convoi des 31000” – het enige niet-Joodse vrouwenkonvooi uit Frankrijk in het kader van Nacht und Nebel – naar Auschwitz. In het convoi des 31000 zaten 230 vrouwen, en slechts 49 van hen hebben de deportatie en het einde van de oorlog overleefd. Het is een moment waarop haar morele helderheid een prijs krijgt: een nummer, een transport, een lot dat zij niet had gezocht, maar dat zij niet ontweek.
In Auschwitz werd zij als arts ingezet in Blok 10 onder leiding van SS-hoofdarts Eduard Wirths. Daar weigerde zij categorisch deel te nemen aan de sterilisatie-experimenten van de gynaecoloog Carl Clauberg en aan de experimenten van SS-Lagerarzt Josef Mengele – zelfs onder directe doodsbedreiging. Medegevangenen verborgen haar toen zij eenmaal door de Politieke Afdeling werd opgeroepen. In het Revier, de zogenaamde ziekenboeg, verzorgde zij, troostte zij en vervalste zij soms papieren om vrouwen van de gaskamers te redden.
In de zomer van 1944 werd zij overgebracht naar Ravensbrück. Na de bevrijding in april 1945 bleef zij nog twee maanden daar om de zwaksten te helpen. In totaal bracht zij zevenendertig maanden door in gevangenschap en deportatie. Wie haar levensverhaal leest, merkt hoe haar verzet nooit luid was, maar altijd concreet: een hand vasthouden, een temperatuurcurve aanpassen, een lichaam verzorgen dat door anderen al was opgegeven.
Na de oorlog hervatte zij haar werk als schoolarts. Al in 1946 legde zij haar ervaringen op papier. Het manuscript bleef decennialang privé. In 1987, geconfronteerd met de herleving van geweld en met ontkenning van de Shoah, herlas en bewerkte zij de tekst en vertrouwde die toe aan haar vroegere medegevangenen. Het boek verscheen postuum in 1991 onder haar eigen naam als Médecine et crimes contre l’humanité.[1]
In 1964 getuigde zij in Londen in de zaak Dering versus Uris. De Poolse arts Władysław Dering, die in Auschwitz experimentele operaties had uitgevoerd, had de schrijver Leon Uris aangeklaagd wegens laster vanwege een passage in de roman Exodus. Dering beweerde dat weigeren in het kamp onmogelijk was geweest. Hautval verklaarde onder ede dat zij zelf herhaaldelijk had geweigerd en dat zij daarvoor niet was geëxecuteerd. Rechter Frederick Lawton prees haar als een van de indrukwekkendste en moedigste getuigen die ooit voor een Britse rechtbank hadden gestaan. Dering won technisch het proces, maar kreeg slechts de symbolische schadevergoeding van een half penny. Moreel was het een overwinning voor de overlevenden.
In 1965 erkende Yad Vashem Adélaïde Hautval als Juste parmi les Nations – op dat moment de tweede Franse vrouw en de eerste arts die deze titel kreeg. Dat is uitzonderlijk: de meeste Justes werden erkend voor reddingsdaden buiten de kampen, maar Hautval werd onderscheiden voor haar moreel verzet in Auschwitz en Ravensbrück. Haar weigering om deel te nemen aan medische misdaden, haar zorg voor Joodse gevangenen en haar consequente menselijkheid onder extreme druk maakten haar tot een unieke figuur in de geschiedenis van de Justes.
Pas in 1963 had zij, na moeizame procedures, de officiële status van déportée résistante gekregen, precies omdat zij tot geen netwerk had behoord. In 1988, toen zij tekenen van Parkinson ontdekte, maakte zij een einde aan haar leven. Ook daarin blijft haar autonomie voelbaar: een laatste, stille keuze van iemand die haar leven lang trouw bleef aan haar innerlijke kompas.
Faivre legt in haar biografie de nadruk op de morele en spirituele dimensie. Zij schrijft dat Hautval “een christen was wier geloof, geërfd van haar vader, tot in haar botten zat”, en dat zij “geen concessies doet als het gaat om de verdediging van de waardigheid en de onschendbaarheid van de menselijke persoon”. Het boek, zo vat Faivre zelf samen, beschrijft “het morele en spirituele traject van een vergeten figuur, die allereerst en vooral een geweten was tegenover het kwaad”. De schrijver-arts Labayle is nuchterder, klinischer: hij schetst de fysieke ellende en de morele druk met documentaire precisie.
Beide boeken hebben hun verdiensten. Faivre’s werk is bezield en toegankelijk, maar onnodige herhalingen en stilistische onhandigheden maken het verhaal soms verward. Labayle’s portret is strakker en historisch scherper, maar mist soms de spirituele diepte die Faivre juist zoekt. Samen vullen zij elkaar aan: de ene geeft de innerlijke houding, de andere de harde realiteit van de kampen. Wie beide leest, krijgt een mens in al haar gelaagdheid: kwetsbaar en standvastig, gelovig en rationeel, zacht en onverzettelijk.
Wat Hautval zo treffend maakt, is de eenvoud van haar verzet. Ze zocht geen heroïek; ze handelde vanuit een vanzelfsprekende ethiek. Daarmee raakt haar leven aan de filosofie van Emmanuel Levinas, voor wie ethiek niet begint bij abstracte principes, maar bij de onmiddellijke ontmoeting met het kwetsbare gelaat van de ander. Dat gelaat is weerloos en gebiedt: gij zult niet doden. Het onderbreekt mijn zelfgerichtheid en legt een verantwoordelijkheid op die oneindig en asymmetrisch is – zonder dat ze wederkerig hoeft te zijn.
Hautval stond letterlijk oog in oog met de ander in diens uiterste kwetsbaarheid. Haar “nee” was geen theoretisch standpunt, maar een concrete, onontkoombare verantwoordelijkheid die zich aandiende in het lijden dat zij zag. In haar handelen wordt Levinas tastbaar: ethiek als een onmiddellijke, niet te ontlopen verplichting die zich aandient in het gelaat van de ander.
Er is ook een treffende parallel met Barbara Skarga, de Poolse filosofe over wie Alicja Gescinska met grote helderheid heeft geschreven. Skarga, geboren in 1919, was lid van de Armia Krajowa en streed tegen de Duitse bezetting. In september 1944, kort na de komst van het Rode Leger in Vilnius, werd zij door de NKVD gearresteerd en beschuldigd van collaboratie – precies omdat zij tot het niet-communistische verzet had behoord. Zij bracht tien jaar door in de Goelag, gevolgd door dwangarbeid in een kolchoz, en keerde pas in 1955/1956 terug.
Haar memoires Na de bevrijding getuigen van dezelfde spanning: hoe bewaart men menselijke waardigheid wanneer alles erop gericht is die te vernietigen? Skarga raakte nooit verbitterd. Zij bleef, net als Hautval, aandacht houden voor de ander, voor kleine gebaren van solidariteit. Gescinska benadrukt dat voor Skarga het grootste gevaar niet de fysieke marteling was, maar de sluipende onverschilligheid tegenover het leed van de ander. “Het tegenovergestelde van liefde,” noteerde Nobelprijswinnaar voor de Vrede Elie Wiesel die zelf de Holocaust overleefde, “is niet haat, maar onverschilligheid.” Skarga gaf die onverschilligheid net als Hautval nooit vrij spel.
Gescinska zelf heeft er herhaaldelijk op gewezen dat wij elkaar nodig hebben om mens te zijn: onze menselijkheid is iets wat wij aan de ander verschuldigd zijn, en wat wij alleen in de ontmoeting met de ander tot stand brengen. Het is een gedachte die in Hautvals leven een stille echo vindt: menselijkheid is nooit een soloproject, maar een wederkerige opdracht.
Hautval in de nazi‑kampen en Skarga in de Sovjet‑Goelag tonen allebei dat totalitaire systemen de mens nooit volledig tot instrument kunnen reduceren. Er blijft altijd een rest: een geweten, een verantwoordelijkheid die niet uitwisbaar is. Dat is geen optimistische boodschap, maar een veeleisende.
Ook vandaag, in oorlogen waarin burgers systematisch worden ontmenselijkt, ziekenhuizen worden aangevallen en medische ethiek onder druk staat, blijft hun voorbeeld scherp. Het vraagt geen heroïsche daden, maar de bereidheid om op het beslissende moment te zeggen: dit doe ik niet; dit is een mens. Het is een oproep die zacht klinkt maar hard aankomt – een herinnering dat morele moed vaak begint in het kleine, in het alledaagse, in het weigeren om weg te kijken.
Faivre en Labayle hebben met hun boeken een figuur uit de vergetelheid gehaald die dat op bijzonder zuivere wijze belichaamde. Hautvals stilste les is misschien de krachtigste: morele helderheid is geen luxe, maar een plicht – en zelfs in de donkerste omstandigheden kan één mens weigeren om het licht te doven.
Dirk Diels
De auteur is redacteur bij het nieuwsplatform Flows en voormalig directeur Ondernemen en innovatie, stad Antwerpen
[1] Adélaide Hautval, Médecine et crimes contre l'humanité: Le refus d'un médecin, déporté à Auschwitz de participer aux expériences médicales (1991), Editions du Félin, 2019.


