De voorgestelde regeling blijft een juridisch gedrocht – Henri Heimans
Open brief aan de ministers van Justitie en Asiel en Migratie
Geachte dames Excellenties,
Tot mijn grote verbazing stel ik vast dat het wetsontwerp over de woonstbetredingen inmiddels ook in tweede lezing door de Kamercommissie werd goedgekeurd. De vele juridische bezwaren die tijdens de parlementaire behandeling naar voren kwamen, lijken weinig indruk te hebben gemaakt. Nochtans gaat het hier niet om juridisch geneuzel, maar om basisprincipes van onze rechtsstaat. De minister van Asiel en Migratie heeft in de Kamercommissie alle rechtsstatelijke bezwaren ontweken.
In een eerdere open brief noemde ik de voorgestelde regeling een juridisch gedrocht. Na verdere studie zie ik geen enkele reden om die omschrijving terug te nemen. Integendeel. Het Grondwettelijk Hof heeft zich namelijk al in 2017 uitgesproken over een constructie die opvallende gelijkenissen vertoont met het wetsontwerp dat de regering nu wil invoeren. Ik herinner even aan arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017. Het Hof vernietigde toen een bepaling van de zogenaamde Potpourri II-wet die toeliet om via een mini-instructie een huiszoeking te laten bevelen door een onderzoeksrechter, zonder dat een volwaardig gerechtelijk onderzoek werd geopend.
De onderzoeksrechter kwam dus wel degelijk tussenbeide, maar het onderzoek bleef onder leiding van het openbaar ministerie. Daardoor beschikten de betrokkenen niet over dezelfde rechten als in een gerechtelijk onderzoek, onder meer inzake toegang tot het dossier, het vragen van bijkomende onderzoeksverrichtingen en het toezicht op de regelmatigheid van de procedure. Het Grondwettelijk Hof vond dat niet kunnen en stelde dat die waarborgen noodzakelijk waren vanwege de ernst van de inmenging in het privéleven en de onschendbaarheid van de woning, die door de Grondwet worden gewaarborgd. De betreffende bepaling werd dan ook retro-actief vernietigd.
Ook nu wil men een onderzoeksrechter inschakelen voor een zuiver bestuurlijke aangelegenheid, op verzoek van de Dienst Vreemdelingenzaken, zonder hem de normale bevoegdheden van een onderzoeksrechter toe te kennen en zonder de rechtswaarborgen die aan een gerechtelijk onderzoek verbonden zijn.
Er bestaat maar één soort onderzoeksrechter. Zijn functie is nauwkeurig omschreven in het Wetboek van Strafvordering. Als onafhankelijk magistraat leidt hij gerechtelijke onderzoeken, met het oog op het opsporen van misdrijven en het verzamelen van bewijzen, zowel ‘à charge et à décharge’, zoals de wet mooi formuleert. Hij waakt over de wettigheid van de bewijsgaring en de loyaliteit waarmee die gebeurt. Hij kan daartoe zelf de politie of inspectiediensten vorderen. Wat het wetsontwerp nu creëert, is een soort administratieve nep-onderzoeksrechter, zonder eigen onderzoeksbevoegdheid.
Ik heb zelf jarenlang als onderzoeksrechter gewerkt, later als raadsheer-onderzoeker en voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling. Het blijft mij een volstrekt raadsel hoe een ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken een echte onderzoeksrechter zou kunnen opvorderen om de toelating te krijgen om een woning binnen te dringen, terwijl die magistraat zelf geen gerechtelijk onderzoek mag voeren en zelfs geen eigen onderzoeksverrichtingen mag bevelen.
De regering blijft de tussenkomst van de onderzoeksrechter voorstellen als de garantie dat de rechten van de betrokkenen gerespecteerd worden. Maar precies dat argument werd in 2017 door het Grondwettelijk Hof onvoldoende bevonden. Toegegeven, het arrest betrof een huiszoeking in het kader van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek, terwijl het huidige wetsontwerp een bestuurlijke woonstbetreding of huiszoeking regelt. Dat verschil ga ik niet ontkennen. Maar dat maakt de vraag naar de vereiste rechtswaarborgen niet minder dringend. Integendeel. Als een huiszoeking zelfs binnen het strafrecht niet zomaar via een mini-instructie kon worden toegestaan, hoe kan men dan aannemen dat een vergelijkbaar ingrijpende aantasting van de woning binnen een administratieve procedure wél voldoende gewaarborgd zou zijn?
Daar komt bij dat de regeling ook voor de politiediensten grote problemen oplevert. Daarin blijven essentiële vragen open over de voorbereiding en uitvoering van woonstbetredingen, de inbeslagnames, de aanwezigheid van derden en minderjarigen en vooral de aanpak van strafbare feiten die tijdens een bestuurlijke interventie aan het licht komen. Zo kan de politie in een onduidelijke positie belanden tussen bestuurlijk en gerechtelijk optreden, met alle mogelijke juridische gevolgen en verantwoordelijkheden van dien.
Ik verbaas me erover dat men dit alles zo licht lijkt op te nemen. Het gaat immers om het binnengaan van een woning, zo nodig met dwang. En het kan ook gebeuren in woningen van derden die zelf niets te maken hebben met de administratieve verwijderingsprocedure.
Dames Excellenties, ik blijf ervan overtuigd dat deze regeling naar alle waarschijnlijkheid geen standhoudt bij het Grondwettelijk Hof. Het arrest uit 2017 biedt daarvoor alvast een ernstig aanknopingspunt. De Kamer kan dit wetsontwerp nog tegenhouden. Gebeurt dat niet, dan hoop ik dat men stappen zet om de wet zo snel mogelijk voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof in een vernietigingsprocedure. Het zou immers opmerkelijk zijn als de wetgever in 2026 opnieuw een regeling invoert waarvan het Grondwettelijk Hof negen jaar eerder al de fundamentele tekortkomingen heeft blootgelegd.
Met hoogachting,
Henri Heimans
De auteur is magistraat op rust


