Teksten

Wat heeft het liberalisme de das omgedaan? – Gene Frieda

Wat heeft het liberalisme de das omgedaan? – Gene Frieda

Er is geen gebrek aan mensen en ideeën waaraan de neergang van het liberalisme kan worden toegeschreven, maar de zoektocht naar één enkele schuldige is waarschijnlijk zinloos. Twee nieuwe boeken van Gordon Brown en Daron Acemoglu buigen zich over de lastigere vraag hoe de instituties kunnen worden heropgebouwd die mensen ooit een gevoel van gemeenschap en zeggenschap over hun eigen leven gaven.

De moderne liberale democratie wankelt in veel landen waarvan de burgers geen ander systeem hebben gekend; gevestigde partijen verliezen steun en populistische bewegingen verschuiven van de marge naar de politieke hoofdstroom. Nu overheden invoerrechten en sancties als wapen inzetten, maakt de liberale orde van na de oorlog plaats voor invloedssferen en de ongefilterde uitoefening van brute macht.

Maar wie – of wat – heeft het liberalisme de das omgedaan? Aan verdachten geen gebrek. Dani Rodrik wijst erop dat de globalisering de binnenlandse politieke compromissen die nodig waren om haar in stand te houden, is voorbijgestreefd. Raghuram G. Rajan verwijt economen dat ze zich te veel op markten en de staat hebben gericht, ten koste van de gemeenschap – zijn zogeheten 'derde pijler'. Robert D. Putnam zoekt de oorzaak in de afname van sociaal kapitaal en de langdurige verschuiving van 'wij' naar 'ik'. Volgens Michael J. Sandel ligt de schuld bij de vernederingen die de meritocratie met zich meebrengt. En Martin Wolf ziet een crisis van het democratisch kapitalisme, waarbij tragere groei en toenemende ongelijkheid het pact tussen markt en democratie ondermijnen.

In zijn nieuwe boek, What Happened to Liberal Democracy?, wijst Nobelprijswinnaar en econoom Daron Acemoglu op het uiteenvallen van de coalitie die de liberale democratie ooit schraagde. Industrialisatie zorgde voor relatief goedbetaalde banen en machtige werknemersorganisaties, waardoor de arbeidersklasse en de middenklasse economische zekerheid en politieke invloed genoten. Maar de de-industrialisatie en automatisering – evenals de verzwakking van de georganiseerde arbeid – hebben die fundamenten aangetast. Het liberalisme raakte vervolgens geassocieerd met een hoogopgeleide beroepsklasse, waardoor velen buiten die groep ervan overtuigd raakten dat het systeem hen niet langer vertegenwoordigde.

In The Future Starts With Us kijkt voormalig Brits premier Gordon Brown verder dan alleen het verlies van fatsoenlijk werk; hij richt zich ook op de uitholling van de gemeenschappen die rond die banen waren ontstaan. Hij begint zijn verhaal in Kirkcaldy, de Schotse plaats die hij meer dan dertig jaar lang in het parlement vertegenwoordigde. Toen de mijnbouw en de industrie uit de regio verdwenen, begonnen ook de instellingen die daarop steunden te wankelen. Vakbonden krompen en stadscentra liepen leeg, terwijl politieke partijen hun greep op de lokale gemeenschap verloren.

Deze veranderingen versterkten elkaar. Het verlies van een baan is één ding zolang er nog instellingen zijn die mensen met hun omgeving verbinden; het is heel iets anders wanneer die instellingen er niet meer zijn. De toekomst voelt bedreigender aan, wat een voedingsbodem creëert voor populistische leiders die kiezers vertellen dat migranten, minderheden, elites en buitenlandse mogendheden welvaren ten koste van henzelf. Vanuit dit perspectief beschouwt Brown de Amerikaanse president Donald Trump, Nigel Farage (leider van Reform UK) en de Franse Marine Le Pen niet zozeer als de aanstichters van een populistische opstand, maar eerder als politieke opportunisten die inspelen op economische en maatschappelijke omstandigheden die zich in de loop van decennia hebben ontwikkeld.

Brown onderbouwt dit met nieuw onderzoek. In samenwerking met Focaldata ondervroeg hij meer dan 32.000 mensen in twintig landen – merendeels OESO-lidstaten – en onderzocht hij hoe financiële teleurstelling en sociale contacten van invloed waren op hun economische toekomstverwachtingen, hun vertrouwen in instituties en hun steun voor rechts-populistische partijen. Daarnaast maakte hij gebruik van afzonderlijke peilingen over de houding ten opzichte van internationale samenwerking.

Uit Browns schattingen blijkt dat meer vertrouwen in de gemeenschap en meer contact met mensen met een andere achtergrond de steun voor rechts-populisten elk met ongeveer drie procentpunt zouden kunnen verminderen. Het terugdringen van financiële onzekerheid zou nog eens 4 tot 5 procentpunt van dat cijfer kunnen afhalen, terwijl zelfs een bescheiden mate van economisch optimisme voor een daling van zes procentpunt zou kunnen zorgen. Alles bij elkaar wijst dit op een mogelijke verschuiving van 16 tot 20 procentpunt. Een dergelijke verandering zou het electoraal landschap in een groot deel van het Westen ingrijpend veranderen.

De eenzame kiezer

Het is verleidelijk om deze cijfers voor zoete koek te slikken. Maar Brown baseert zich op een eenmalig onderzoek en zijn statistische model kan niet aantonen wat nu precies de oorzaak is van wat. Mensen die vertrouwen hebben in instituties, zijn wellicht simpelweg eerder geneigd lid te worden van maatschappelijke organisaties, terwijl kiezers die voorstander zijn van immigratie van nature meer contact hebben met mensen met een andere achtergrond. En populistische kiezers hebben wellicht een negatiever beeld van de economie omdat ze een afkeer hebben van de overheid.

Brown definieert zijn 'maatschappelijke kern' (civic core) mede aan de hand van hoe positief mensen staan ​​tegenover handel en immigratie; het is dan ook nauwelijks verrassend dat deze groep meer voorstander is van internationale samenwerking. Een strengere toets zou zijn om te kijken of lidmaatschap van een maatschappelijke organisatie daadwerkelijk de opvattingen kan veranderen van iemand die politiek al beziet in termen van een nulsomspel – waarbij de winst van de een het verlies van de ander betekent.

Een sterke maatschappelijke cultuur biedt bovendien geen garantie voor een liberaal-democratische politiek. Brown leunt op het idee van Alexis de Tocqueville dat maatschappelijke verenigingen fungeren als leerscholen voor de democratie. Duitsland in het interbellum wemelde echter van de clubs en vrijwilligersorganisaties. Zoals bleek uit een studie uit 2017 van Shanker Satyanath, Nico Voigtländer en Hans-Joachim Voth, groeide het ledental van de nazipartij sneller in plaatsen waar er meer van dergelijke verenigingen waren.

Sociaal kapitaal is niet van nature liberaal. Een vakbond smeedt sociale banden, maar dat doet een nationalistische partij ook. Denk aan de conservatieven in Louisiana met wie Arlie Russell Hochschild jarenlang optrok voor haar boek Strangers in Their Own Land (2016). Ze waren zeer toegewijd aan hun gezin en kerk, en toch steunden velen van hen de Tea Party-beweging en later Trump. Het 'dieperliggende verhaal' dat ze steeds hoorde, ging over geduldig wachten in de rij voor de Amerikaanse droom, terwijl ze zagen hoe anderen – ogenschijnlijk geholpen door de overheid – voordrongen.

Acemoglu heeft een andere theorie. Sterke gemeenschappen waren in zijn visie niet zozeer de oorzaak van het naoorlogse economische bestel, maar eerder een bijproduct ervan. Vakbonden zorgden voor onderlinge verbondenheid tussen werknemers, maar ze bedongen ook hogere lonen en verschoven de macht ten gunste van de arbeid. Toen ze aan invloed inboetten, namen ze zowel het sociale kapitaal als de economische onderhandelingsmacht met zich mee. Acemoglu’s alternatief, ‘liberalisme voor de arbeidersklasse’, gaat verder dan sterkere vakbonden of een snellere loongroei; het combineert betere publieke voorzieningen en meer politieke macht voor werkenden, terwijl er ruimte blijft voor verschillen in waarden en levensstijlen. Gemeenschapszin speelt een rol in deze visie, maar mensen hebben ook daadwerkelijke invloed nodig op de instituties die hun leven bepalen.

Waar Brown sociale verbondenheid en vertrouwen wil herstellen, vraagt ​​Acemoglu zich af wat mensen überhaupt een reden zou geven om op het systeem te vertrouwen. Technologie vormt een belangrijk onderdeel van zijn antwoord. In de oude industriële economie namen groeiende bedrijven meer werknemers aan, wat doorgaans leidde tot hogere lonen. Automatisering heeft dat verband verzwakt. Acemoglu’s oplossing – ‘AI ten dienste van de werknemer’ – is erop gericht technologie in te zetten om werknemers productiever te maken, in plaats van hen te vervangen.

Voor Acemoglu houdt menselijk handelingsvermogen meer in dan alleen deelname aan het maatschappelijk leven. Het betekent ook dat men enige zeggenschap heeft over het eigen loon en de arbeidsvoorwaarden. Een bloeiend maatschappelijk leven kan het verlies aan economische macht van werknemers niet compenseren.

De lange schaduw van economische ontwrichting

Browns staat van dienst als regeringslid bemoeilijkt zijn betoog. Als minister van Financiën (Chancellor of the Exchequer) tussen 1997 en 2007 zag hij toe op een Britse economie die steeds afhankelijker werd van de financiële sector en vastgoed. Hij verwijst zelf naar de schatting van Rachel Reeves dat ongeveer 85% van de 1,3 biljoen pond (1,7 biljoen dollar) die Britse banken in die jaren uitleenden, naar financiële instellingen of vastgoed ging. Uiteraard heeft Brown de de-industrialisatie – die al decennia eerder was ingezet – niet veroorzaakt, en doet zijn regeringsverleden niets af aan zijn analyses. Toch besteedt het boek, dat zo kritisch staat tegenover het neoliberale tijdperk, opvallend weinig aandacht aan het groeimodel van New Labour zelf.

Veel van de economische ideeën die Brown bekritiseert, zijn uit de gratie geraakt. Weinig beleidsmakers geloven nog dat het maximaliseren van wereldwijde integratie, gecombineerd met achteraf compenseren van de verliezers, een afdoende groeistrategie vormt. Industriebeleid is terug van weggeweest: overheden subsidiëren halfgeleiders en schone energie, en nemen tegelijkertijd maatregelen om de veerkracht van toeleveringsketens te vergroten. Ook hebben beleidsmakers veel meer oog voor regionale ongelijkheid en de verdeling van de vruchten van technologische vooruitgang dan twintig jaar geleden. Toch is de populistische tegenreactie alleen maar heviger geworden, ook al hebben overheden het neoliberalisme de rug toegekeerd.

Een verklaring hiervoor is dat de schade blijft voortbestaan, lang nadat de schokken die haar veroorzaakten zijn weggeëbd. Economen noemen dit verschijnsel 'hysteresis'. Wanneer een fabriek sluit, verdwijnen ook de vakbonden en lokale bedrijven. Een nieuw logistiek centrum of een nieuwe fabriek kan weliswaar banen terugbrengen, maar niet noodzakelijkerwijs de status of de instituties die werk zijn maatschappelijke betekenis gaven. Het heropbouwen van deze pijlers kan tientallen jaren in beslag nemen.

Hysteresis kan ook van toepassing zijn op politieke narratieven. Denk aan het beeld van de 'wachtrij' van Hochschild: zodra kiezers de politiek gaan zien als een systeem waarin elites andere groepen bevoordelen ten koste van henzelf, zijn sterkere economische groei of hogere lonen wellicht niet voldoende om hen van gedachten te doen veranderen.

Politieke verschuivingen kunnen eveneens voortduren nadat de oorspronkelijke aanleiding is verdwenen. Populistische bewegingen kunnen de toon van het debat bepalen zonder verkiezingen te winnen, doordat gevestigde partijen standpunten over bijvoorbeeld immigratie of handel overnemen om kiezers terug te winnen. Zelfs als Brown gelijk heeft wat betreft het belang van financiële zekerheid en maatschappelijke betrokkenheid, zal het herstel daarvan de populistische golf mogelijk niet keren. Politieke identiteiten kunnen hardnekkig zijn en partijen zelf kunnen veranderen; de electorale verschuiving die Brown voorspelt, zou daarom kleiner kunnen uitvallen en veel meer tijd in beslag kunnen nemen dan zijn hypothetische scenario suggereert.

Dit is het voornaamste zwakke punt in Browns nadruk op participatie. Een buurthuis biedt mensen een ontmoetingsplek, maar kan niet onderhandelen over hun lonen. De uitdaging ligt in het creëren van instituties die beide taken aankunnen, in een economie waarin carrières minder stabiel zijn en mensen mobieler. Nostalgie naar instituties uit de naoorlogse periode brengt ons niet verder, en een lange lijst van lokale initiatieven evenmin.

Dit zwakke punt is echter niet alleen Brown toe te rekenen. De literatuur over de neergang van het liberalisme is doorgaans veel beter in het verklaren van wat er misging dan in het aangeven hoe instellingen kunnen worden heropgebouwd die mensen een deel van de verloren gegane economische en politieke macht teruggeven.

Het herstel van de liberale orde

In de tweede helft van The Future Starts With Us richt Brown zich op de liberale internationale orde, een onderwerp waaraan Acemoglu, Rajan en Putnam veel minder aandacht besteden. Hij stelt een vorm van "op waarden gebaseerd pragmatisme" voor, gestoeld op een coalitie van verantwoordelijke staten die werken volgens een handvest met zeven principes om de samenwerking tussen middelgrote mogendheden te versterken. Volgens Brown hoeft multipolariteit niet tot versnippering te leiden. Landen kunnen om macht concurreren en tegelijkertijd samenwerken op basis van gemeenschappelijke regels.

Brown stelt vast dat mensen die actief zijn in hun gemeenschap en regelmatig omgaan met mensen uit andere sociale milieus, veel meer voorstander zijn van internationale samenwerking. Net zoals instabiliteit in het buitenland de binnenlandse welvaart en veiligheid kan ondermijnen, kan een sterker maatschappelijk leven samenwerking met andere landen politiek aanvaardbaarder maken.

Dit sluit aan bij de logica die ten grondslag lag aan het naoorlogse liberalisme. Die economische orde hield mede stand doordat overheden openheid combineerden met fatsoenlijke banen en sociale bescherming. Brown pleit op vergelijkbare wijze voor internationalisme: wanneer de binnenlandse politiek een nulsomspel is, zullen kiezers de betrekkingen met andere landen onvermijdelijk op dezelfde manier zien. Als ze geloven dat ze baat hebben bij samenwerking, zullen ze die eerder steunen.

Dat gezegd hebbende: meer publiek draagvlak voor internationale samenwerking is niet voldoende om tegenstrijdige nationale belangen te overbruggen. De Russische oorlog tegen Oekraïne of de Chinese territoriale aanspraken op Taiwan roepen vragen op die niet kunnen worden opgelost door een sterkere burgercultuur in Europa of de Verenigde Staten. Dat geldt ook voor de verspreiding van kernwapens of geschillen over wie de kosten van klimaatadaptatie moet dragen.

Brown is overtuigender wanneer hij concreet wordt, vooral als het gaat om klimaat- en ontwikkelingsfinanciering. Een overheidsgarantie van 1 miljard dollar, zo merkt hij op, zou de kosten van privékapitaal kunnen verlagen door een deel van het risico naar de publieke balans te verplaatsen. In combinatie met 200 miljoen dollar aan subsidies zou dit bijna 5 miljard dollar kunnen genereren voor klimaatadaptatie en de energietransitie.

Aangezien de krachten achter de neergang van het liberalisme op verschillende momenten ontstonden en elkaar versterkten, is de zoektocht naar één enkele schuldige waarschijnlijk zinloos. De betrokken factoren traden na elkaar op en versterkten elkaar. Brown brengt een belangrijk deel van dat proces in kaart, maar hij verwacht wellicht te veel van maatschappelijke vernieuwing als oplossing voor deze problemen. The Future Starts With Us is nog steeds het lezen waard. Weinig voormalige politieke leiders hebben geprobeerd een verband te leggen tussen economische onzekerheid, de erosie van het maatschappelijk middenveld en internationale wanorde, laat staan ​​dat ze die stellingen empirisch hebben getoetst.

Hoewel Acemoglu en Brown het probleem vanuit verschillende invalshoeken benaderen, komen ze tot een opvallend gelijkluidende conclusie: de liberale democratie staat of valt bij de mate waarin mensen invloed kunnen uitoefenen op de instituties die hun leven bepalen. Noch economische hervormingen, noch maatschappelijke vernieuwing bieden een eenvoudige oplossing om dat model te herstellen zodra het is vastgelopen.

 

Gene Frieda

De auteur is voormalig wereldwijd strateeg bij PIMCO, senior visiting fellow aan de London School of Economics en non-resident fellow bij Bruegel

Daron Acemoglu, What Happened to Liberal Democracy?, Dutton, 2026

Gordon Brown, The Future Starts With Us, Simon & Schuster UK, 2026

Copyright: Project Syndicate, 2026 www.project-syndicate.org

Print Friendly and PDF
Europa in 7½ hoofdstukken – Timothy Garton Ash

Europa in 7½ hoofdstukken – Timothy Garton Ash