Na Orbán staat Hongarije een nog zwaardere strijd te wachten – Maciej Kisilowski
De overtuigende overwinning van de Hongaarse oppositie op de regerende Fidesz-partij van premier Viktor Orbán is in de hele democratische wereld met opluchting ontvangen. Met een grondwettelijke meerderheid op zak staan de centrumrechtse Tisza-partij en haar leider Péter Magyar nu klaar om Orbáns zestien jaar durende greep op de staatsinstellingen te doorbreken. Wat echter lastiger zal blijken, is het omgaan met de maatschappelijke vraag naar het illiberale bestuur dat deze machtspositie jarenlang heeft gedragen.
Het succes van Tisza laat zien dat zelfs een diep verankerd regime via verkiezingen kan worden verslagen, ondanks institutionele controle, mediadominantie en manipulatie van het verkiezingsproces. Dat is belangrijk, omdat het Hongarije van Orbán al lang méér is dan een nationale kwestie. Het diende als een soort bewijsmodel voor de nieuwe mondiale rechtervleugel, en liet zien dat een politiek die zich verzet tegen mensenrechten en gelijkheid ook in het Westen levensvatbaar kan zijn.
Orbán was opvallend open over deze ambitie. Hij studeerde aan de universiteit van Oxford met een beurs van George Soros, maar keerde zich later met grote duidelijkheid en consistentie tegen de liberale orde – iets wat maar weinig van zijn tegenhangers zo uitgesproken deden. Het is dan ook geen toeval dat figuren uit de nieuwrechtse beweging, zoals de Amerikaanse vicepresident JD Vance, inspiratie hebben geput uit zijn beleid. Vance bezocht zelfs enkele dagen voor de verkiezingen Hongarije om campagne te voeren voor Orbán.
Magyar treedt nu aan met de institutionele voordelen die eerder het bewind van Orbán mogelijk maakten. Het Hongaarse kiesstelsel, gebaseerd op een meerderheidssysteem, geeft de grootste partij een aanzienlijk voordeel. Westerse waarnemers hebben hier jarenlang terecht kritiek op geuit. Toch verdient Tisza nu erkenning voor het effectief benutten van dit systeem. Door steun uit vrijwel het hele oppositiespectrum te bundelen, wist de partij ongeveer 53 procent van de stemmen te behalen – bijna net zoveel als Orbán vier jaar geleden – en dat om te zetten in een grondwettelijke supermeerderheid.
Orbáns snelle erkenning van de uitslag en zijn persoonlijke felicitaties aan Magyar wijzen erop dat de gevreesde institutionele tegenwerking bij de machtsoverdracht mogelijk uitblijft. Alles bij elkaar vormen deze ontwikkelingen een duidelijke overwinning voor de Europese democratie. Het gevaar is echter dat er opnieuw wordt gesproken van ‘het einde van de geschiedenis.’ Het illiberale systeem in Hongarije hield zestien jaar stand, niet alleen door risicovolle politiek en onderdrukking, maar ook omdat het inspeelde op blijvende maatschappelijke gevoelens – zoals xenofobie, behoefte aan hiërarchie en een politiek die draait om verdeeldheid.
Die behoefte is niet verdwenen. Volgens de meeste gangbare maatstaven voor beleid is het trackrecord van Orbán al lange tijd zwak: de economie blijft achter en de publieke diensten verkeren in chaos. Toch hebben de Hongaarse kiezers hem vier keer aan de macht geholpen. Zelfs na de nederlaag genieten Fidesz en de Beweging Ons Vaderland – een nog radicalere extreemrechtse partij – samen nog steeds de steun van ongeveer 43 procent van de kiezers. Dat is allesbehalve een marginale groep.
We hebben inmiddels veel voorbeelden gezien van liberaal-progressieve regeringen die weer aan de macht komen na een periode van nieuwrechts bestuur, zoals Joe Biden in de Verenigde Staten, Keir Starmer in het Verenigd Koninkrijk en Luiz Inácio Lula da Silva in Brazilië. In geen van deze gevallen leidde de verkiezingsoverwinning tot een fundamentele ommekeer. Zwevende kiezers stapten over, maar de kern van het electoraat dat deze regimes had gesteund, bleef grotendeels intact.
Nergens is dit duidelijker dan in Polen. In 2023 behaalde de brede coalitie onder leiding van Donald Tusk, na twee termijnen van nieuwrechts bestuur, een resultaat dat zelfs iets sterker was dan dat van Tisza. Toch leidde dit niet tot een blijvende politieke verschuiving. Minder dan twee jaar later kozen de Polen de extreemrechtse Karol Nawrocki tot (semi-)uitvoerend president van het land. De verkiezingsoverwinning veranderde de regering, maar niet het electoraat.
Geconfronteerd met die realiteit paste Tusk zich aan. Zijn regering schoof op onderwerpen als immigratie en LGBTQ+-rechten naar rechts op. Magyar lijkt nu dezelfde koers te volgen. Als voormalig insider van Fidesz was hij nooit een uitgesproken liberaal. Vastbesloten om Orbán te verslaan, toonden liberale en linkse kiezers uitzonderlijke discipline door zich achter Tisza te scharen. Daardoor kregen hun eigen partijen geen vertegenwoordiging in het nieuwe parlement. Het gevolg is dat een aanzienlijk deel van Orbáns conservatieve beleid waarschijnlijk zal worden voortgezet.
Deze politieke afweging hoeft echter geen beperking te zijn voor liberale krachten buiten de regering, zoals maatschappelijke organisaties, wetenschappers, docenten en journalisten. Omdat de illiberale democratie kon voortbestaan dankzij steun vanuit de samenleving, kan haar nederlaag alleen duurzaam zijn als die steun wordt aangepakt. Liberalen moeten Hongarije daarom niet zien als een systeem dat simpelweg hersteld moet worden, maar als een samenleving die overtuigd moet worden.
De huidige teleurstelling in Orbán biedt een zeldzame kans. Binnenlandse en internationale experts kunnen een post-Orbán-regering helpen om concrete verbeteringen te realiseren, zoals beter onderwijs, betrouwbaardere gezondheidszorg en een minder corrupte overheid. Maar liberaal-progressieven moeten niet de fout maken om deze verbeteringen als ‘niet-politiek’ te zien en te verwachten dat ze voor zichzelf spreken. Ze moeten juist duidelijk worden gepresenteerd en verdedigd als het resultaat van een open samenleving – een samenleving die niet alleen effectief bestuur levert, maar ook bijdraagt aan waardigheid en sociale samenhang.
Hongarije heeft er politiek en economisch belang bij om de banden met landen als Zwitserland en Nederland te versterken. Deze landen weten hun meer conservatieve elementen te accommoderen, en tegelijkertijd open en internationaal betrokken te blijven. Voor Hongarije is het dan ook veel logischer om dit model te volgen, dan om het autoritaire voorbeeld van landen als Rusland of Turkije te kopiëren.
Het terugdraaien van anderhalf decennium aan normveranderingen zal niet eenvoudig zijn. Maar als dit probleem niet direct wordt aangepakt, blijven de mythen, gevoelens van wrok en paranoia die Orbáns vorm van illiberalisme voeden bestaan – en kunnen ze opnieuw worden aangewakkerd.
Maciej Kisilowski
De auteur is universitair hoofddocent Recht en Strategie aan de Central European University, is voor het jaar 2025-2026 Europe’s Future Fellow aan het Institut für die Wissenschaften vom Menschen en mederedacteur van Let’s Agree on Poland: A Case Study in Strategic Constitutional Design (Oxford University Press, 2025). Vertaling: Menno Grootveld © Project Syndicate, 2026 (www.project-syndicate.org).


