De Grondwet beschermt ons tegen willekeur – Eva Vanhoorne
“De Grondwet mag geen blokkade worden.” Met die titel opende CD&V-politicus Stijn De Roo onlangs in Knack de aanval op Artikel 23 van de Belgische Grondwet en het zogenaamde standstillbeginsel. Volgens hem zouden rechters zich steeds meer moeien met politiek beleid en noodzakelijke hervormingen blokkeren. Ook vakbonden, middenveldorganisaties en burgers die naar de rechtbank stappen worden daarbij voorgesteld als hinderpalen voor democratisch bestuur.
Dat discours komt niet uit het niets. Al jaren klinkt vanuit N-VA kritiek op rechters en grondrechten die volgens hen democratisch beleid zouden blokkeren. Ook binnen liberale hoek klinkt al langer de vraag of het standstillbeginsel hervormingen te veel beperkt. Rapporten, opiniestukken en juridische essays waarschuwen steeds vaker dat Artikel 23 beleidsruimte zou “verstikken”. Maar dat nu ook CD&V expliciet mee opschuift in die logica, is politiek veelzeggend. Zeker voor een partij die vandaag de Vlaamse minister van Landbouw én Omgeving levert.
Waar gaat Artikel 23 eigenlijk over?
Opvallend genoeg wordt het debat vaak gevoerd zonder helder uit te leggen wat Artikel 23 precies inhoudt. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat iedereen recht heeft op een menswaardig leven. Het beschermt onder meer het recht op arbeid, sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid, behoorlijke huisvesting, culturele en maatschappelijke ontplooiing én het recht op een gezond leefmilieu.
Het gaat dus niet over een technisch juridisch detail, maar over fundamentele sociale en democratische verworvenheden waarvoor generaties hebben gestreden. Toen Artikel 23 in 1994 in de Grondwet werd opgenomen, betekende dat een historische verschuiving: sociale en ecologische rechten werden niet langer louter politieke doelstellingen, maar kregen grondwettelijke bescherming. Net daarom is het vandaag zo’n ideologisch strijdpunt geworden.
Uit dat artikel heeft het Grondwettelijk Hof het zogenaamde standstillbeginsel afgeleid. Dat principe houdt in dat overheden bestaande bescherming van die rechten niet zomaar aanzienlijk mogen afbouwen zonder ernstige maatschappelijke verantwoording. Dat betekent dus niét dat hervormingen onmogelijk zijn. Het betekent alleen dat een overheid degelijk moet uitleggen waarom een achteruitgang noodzakelijk en proportioneel zou zijn. En blijkbaar is zelfs dát voor sommige partijen al te veel gevraagd.
De mythe van de “activistische rechter”
Gelukkig kwam er snel een scherpe reactie van grondwetspecialist Patricia Popelier in Knack. Zij fileerde de framing van De Roo met cijfers, rechtspraak en juridische ernst. Want wat blijkt? Het Grondwettelijk Hof vernietigt maar zelden beleid op basis van Artikel 23. En wanneer dat wél gebeurt, gaat het meestal om maatregelen die slecht onderbouwd, disproportioneel of juridisch slordig zijn voorbereid. Dat is geen “activistische rechter”. Dat is een rechtsstaat die functioneert.
Toch wordt steeds vaker het omgekeerde beeld gecreëerd. Rechters zouden “de politiek gijzelen”. Vakbonden zouden hervormingen saboteren. Burgers en middenveldorganisaties die hun rechten verdedigen zouden “misbruik” maken van procedures en grondrechten. Maar wat hier werkelijk gebeurt, is fundamenteler: tegenmacht wordt verdacht gemaakt zodra ze macht effectief begrenst.
Het primaat van de politiek… of van de macht?
Van vakbonden tot adviesraden. Van middenveldorganisaties tot milieuverenigingen. Zolang ze beleid legitimeren, zijn ze welkom. Zodra ze beleid kritisch bevragen, worden ze plots “activistisch”, “vertragend” of “obstructief”. Het zogenaamde “primaat van de politiek” wordt daarbij steeds vaker gebruikt als argument om inspraak, controle en juridische bescherming af te bouwen. Maar in werkelijkheid gaat het al lang niet meer over het primaat van de politiek. Het gaat steeds vaker over het primaat van de uitvoerende macht – van regeringen en van partijleidingen die steeds minder tegenspraak verdragen.
Adviezen worden genegeerd. Participatie wordt herleid tot een formaliteit. Rechterlijke controle wordt voorgesteld als sabotage. Wat begint als een pleidooi voor “daadkracht”, eindigt al snel in bestuurlijke arrogantie. Dat zie je niet alleen federaal, maar ook lokaal. Gemeenteraden worden steeds vaker gereduceerd tot stemmachines. Burgers mogen hun mening geven, zolang ze vooral niets fundamenteels in vraag stellen. Zodra protest of juridische procedures daadwerkelijk impact hebben, verschuift het discours snel naar “misbruik”, “vertraging” of “activisme”. Democratie zonder tegenmacht is echter geen sterke democratie. Het is macht zonder rem.
Waarom milieu hier centraal in staat
Dat net milieubescherming steeds vaker geviseerd wordt, is geen toeval. Wanneer natuurorganisaties naar de rechtbank stappen tegen stikstofbeleid, PFAS-vervuiling of de afbouw van milieuregels, worden zij steeds vaker weggezet als “blokkeerders van vooruitgang”. Rechters die milieuwetgeving afdwingen zijn plots “activistisch”. Alsof de echte bedreiging niet de klimaatcrisis of vervuiling is, maar de mensen die daar juridische grenzen aan proberen te stellen.
Nochtans tonen dossiers zoals PFAS precies waarom die tegenmacht noodzakelijk is. Keer op keer zien we daar hetzelfde patroon terugkomen: normen die versoepeld worden, uitzonderingen die verlengd worden, definities die aangepast worden, communicatie die minimaliseert, en overheden die maatschappelijke onrust proberen te beheersen in plaats van de vervuiling zelf aan te pakken.
En telkens opnieuw zijn het burgers, wetenschappers, journalisten, activisten en lokale mandatarissen die die tegenstrijdigheden blootleggen. Niet omdat zij “vooruitgang blokkeren”, maar omdat officiële instanties vaak pas bewegen wanneer anderen blijven doorvragen. Precies daarom is het zo problematisch dat net partijen die vandaag verantwoordelijkheid dragen voor milieu- en landbouwbeleid mee beginnen inbeuken op de juridische bescherming van datzelfde leefmilieu.
Een recht op een gezond leefmilieu heeft immers alleen betekenis als burgers en organisaties dat recht ook effectief kunnen afdwingen wanneer overheden tekortschieten. Anders blijft het een lege belofte.
Een Grondwet beschermt burgers tegen macht
Democratie verzwakt zelden door één grote breuk. Ze verzwakt wanneer kritiek systematisch verdacht wordt gemaakt, wanneer tegenmacht als lastig wordt gezien en wanneer burgers leren dat ze beter niet te veel in vraag stellen. Rechters zijn plots “activistisch”, vakbonden “saboteurs”, milieuorganisaties zouden “vooruitgang blokkeren” en burgers die hun rechten verdedigen zouden “misbruik” maken van de Grondwet.
Maar een Grondwet dient niet om politici carte blanche te geven. Ze dient om burgers te beschermen tegen willekeur – ook wanneer een meerderheid dat lastig vindt.
Eva Vanhoorne
De auteur is gemeenteraadslid voor Groen Brugge


