Een eeuw strijd tegen pseudowetenschappelijke rassentheoretici – Jan Dumolyn

Een eeuw strijd tegen pseudowetenschappelijke rassentheoretici – Jan Dumolyn

In 1919 werd Henri Pirenne (1862–1935) rector van de Universiteit Gent. In 1916 hadden de Duitsers hem naar een gevangenkamp gedeporteerd. De Belgische mediëvist was toen al internationaal erkend als een van de belangrijkste historici van zijn tijd. Hij had zich bovendien moedig verzet tegen de cultuurpolitiek van de bezetter. Onder meer in zijn inaugurale rede van 1921 formuleerde hij scherpe kritieken op historische verklaringen die gebaseerd waren op ‘ras’.

Pirenne verzette zich tegen de vermenging van wetenschap en ideologie en nam expliciet afstand van de rassentheorieën die toen bij veel geleerden gangbaar waren. De Belgische natie was voor hem geen etnisch gegeven, maar een gemeenschap gevormd door economische samenhang en politieke ontwikkeling. Ook interne tegenstellingen, zoals die tussen Vlamingen en Walen, die door de Duitsers sterk werden benadrukt, interpreteerde hij niet als raciale breuklijnen maar als culturele verschillen. Niet de aard van een ‘volk’, maar handel, steden en instituties stuurden volgens hem historische verandering. Verschillen tussen mensen en samenlevingen waren dan ook geen uitdrukking van een vermeende biologische essentie.

Racisme en discriminatie

Een generatiegenoot van Pirenne, William E.B. Du Bois (1868-1963), was de eerste Afro-Amerikaan die een doctoraat behaalde. Hij speelde een vergelijkbare rol door binnen de sociologie het wetenschappelijke racisme te bestrijden. In zijn studie The Philadelphia Negro (1899) toonde Du Bois met empirisch onderzoek aan dat raciale ongelijkheid niet biologisch te verklaren valt, maar voortkomt uit segregatie, economische uitsluiting en politieke marginalisering. De term ‘ras’ duidt op een historisch en sociaal geproduceerd systeem van ongelijkheid, niet op een natuurgegeven. Een andere invloedrijke wetenschapper uit die periode, de Duits-Amerikaanse antropoloog Franz Boas (1858-1942), verwierp het dominante raciale denken binnen de etnografie, inclusief de toen gangbare schedelmetingen, als pure nonsens. Ook hij toonde systematisch aan dat persoonskenmerken zoals intelligentie sterk door omgevingsfactoren worden beïnvloed. Zijn studies over migrantenkinderen ondermijnden het idee van vaste raciale types en biologische hiërarchieën tussen volkeren.

Europa had nooit het monopolie op discriminatie op basis van huidskleur of veronderstelde etniciteit. Zulke fenomenen kwamen en komen ook in andere samenlevingen voor. Het specifieke racisme dat zich tijdens de Europese koloniale onderwerping van grote delen van de wereld ontwikkelde, nam echter een nieuwe vorm aan. Tijdens de oudheid, middeleeuwen en vroegmoderne periode kenden zowel Europese als niet-Europese samenlevingen uiteenlopende vormen van stereotypering, uitsluiting en slavernij van wie als ‘de ander’ werd beschouwd. Ook in onder meer de islamitische wereld, China en Japan bestonden vormen van slavernij en uitbuiting die qua wreedheid niet voor de Europese onderdeden. Maar een systematisch uitgewerkte, biologische rassenleer, zoals die rond 1900 dominant werd in de Europese wetenschap, kwam daar niet tot stand. In China werden andere volkeren soms als ‘barbaren’ beschouwd, maar bestond geen vast biologisch rasbegrip zoals Pirenne, Du Bois en Boas dat later moesten ontkrachten.

Rassenhiërarchie

Dat pseudowetenschappelijk gelegitimeerde raciale denkkader ontwikkelde zich geleidelijk tijdens de koloniale periode, ongeveer tussen 1500 en 1900. Daarbij vond een belangrijke verschuiving plaats. In het begin van de Europese expansie werden verschillen tussen mensen vooral religieus geïnterpreteerd. Zo stelde men zich de vraag of de ‘Indianen’, zoals de oorspronkelijke inwoners van Amerika ten onrechte werden genoemd, wel mensen met een ziel waren. Naarmate de trans-Atlantische slavenhandel toenam onder invloed van de plantage-economie, werd slavernij in het Europese denken steeds sterker gekoppeld aan niet-blank zijn. Hoewel ook elders nog lang mensen tot slaaf werden gemaakt, bijvoorbeeld door Ottomaanse en Noord-Afrikaanse slavenhandelaars, was het eeuwenlange transport van Afrikanen naar Amerika een grootschaliger en intensiever gebeuren. Die expansie was immers nauw verweven met de ontwikkeling van een vroeg kapitalistisch wereldsysteem.

Tegelijkertijd maakte het Westen vanaf de zeventiende eeuw een wetenschappelijke revolutie door. Een belangrijk kenmerk daarvan was de drang tot classificatie en ordening, zoals de Zweed Carl Linnaeus (1707-1778) die toepaste in de plantkunde. In dat kader ontwikkelde men ook classificaties van de mensheid, waarin fysieke kenmerken werden gekoppeld aan mentale en morele eigenschappen. De verlichtingsfilosofen stonden daar vaak ambivalent tegenover. Zij profileerden zich als verdedigers van universele menselijke rede en waardigheid, maar gingen tegelijk vaak uit van hiërarchische of eurocentrische opvattingen over andere volkeren, mede beïnvloed door de koloniale context. Vooral Immanuel Kant (1724-1804) heeft, ondanks zijn grote filosofische invloed, uitspraken gedaan over rassenhiërarchie die vandaag als zeer problematisch worden beschouwd.

In de negentiende eeuw werden raciale theorieën verder geïnstitutionaliseerd, onder meer binnen de fysische en culturele antropologie en in de praktijk van de koloniale administratie. ‘Ras’ werd zowel een bestuurlijke als een wetenschappelijke categorie. Tegelijkertijd werden etnografische musea gevuld met roofkunst die diende om verschillende ‘stammen’ te bestuderen en beter te beheersen. Zo ontstond een denkkader waarin oppervlakkige en irrelevante menselijke verschillen als vanzelfsprekend en hiërarchisch werden voorgesteld, ingebed in een wereldwijd koloniaal systeem van machtsuitoefening.

Stammen en boerderijtypes

In nazi-Duitsland hadden rassenleer, eugenetica en biologisch determinisme de extreemste uitwerking. Raciale ideologie bleef er niet beperkt tot één discipline, maar werd geïntegreerd in een breder kennissysteem waarin archeologie, geschiedenis, antropologie en biologie samenwerkten: de Germanische Altertumskunde, waar ook sommige Vlaams-nationalisten aan meewerkten.

Vóór de verbijsterende terugkomst in mijn alma mater van wat nu blijkbaar ‘rassenrealisme’ wordt genoemd, was de laatste rassenkundige aan de Gentse universiteit de arts en nazi Roger Soenen (1902-1977). Samen met onder meer de folklorist Clemens Trefois (1894-1984), die onderzoek deed naar het verband tussen Germaanse stammen en boerderijtypes, vertegenwoordigde Soenen de laatste golf van deze gevaarlijke pseudowetenschap aan onze universiteit. Althans, dat dachten wij tot voor kort.

Na 1945 werd rassentheorie binnen de wetenschap fundamenteel verworpen. Unesco-verklaringen van 1950 en 1951 stellen expliciet dat er geen biologische basis bestaat voor hiërarchische rassen. De genetica bevestigt dat inzicht: menselijke genetische variatie is grotendeels continu, en de verschillen binnen populaties zijn groter dan die tussen zogenoemde ‘rassen’. Het idee van scherp afgebakende biologische groepen met vaste eigenschappen verliest daarmee zijn wetenschappelijke grondslag. Onder specialisten bestaat bovendien de consensus dat intelligentie geen enkelvoudige eigenschap is, maar een complex fenomeen dat voortkomt uit de interactie van zeer veel genen en omgevingsfactoren. Individuele genen hebben slechts een zeer beperkt effect. Dat betekent dat verschillen in gemeten IQ niet eenvoudig kunnen worden teruggevoerd op aangeboren biologische verschillen.

Franz Boas en W.E.B. Du Bois dachten al vroeg in de richting die later brede wetenschappelijke steun zou krijgen: er is maar één menselijk ras en al de rest valt ter herleiden tot sociale constructies. Maar de zogenoemde cultuuroorlog heeft de academische wereld bereikt en extreemrechts is aan zet. Vrezen universiteiten als ‘woke’ of ‘te links’ te worden bestempeld, zodat racistische onzin opnieuw academische legitimiteit krijgt? Henri Pirenne draait zich om in zijn graf.

 

Jan Dumolyn

De auteur is historicus aan de UGent. Zijn column ‘Tragedie & klucht’ verschijnt maandelijks in De Standaard. Foto © Davy Coghe

Print Friendly and PDF
Banda - Marjolijn van Pagee

Banda - Marjolijn van Pagee