Het verdriet van menselijkheid - Floris van den Berg
“Hoe brengen we onze beste kwaliteiten tot uitdrukking, waarin zich het mooiste toont van wat menselijkheid betekent?” - Dirk Verhofstadt (p. 7)
Canto Ostinato, Simeon Ten Holt, (korte versie) uitgevoerd door Jeroen van Veen en Sandra van Veen.
Ferdinand Cheval (1836-1924) was postbode en een groots levenskunstenaar. Hij is in Frankrijk beroemd; jaarlijks komen 200.000 bezoekers zich vergapen aan wat hij heeft neergezet. Met door hem zelf verzamelde stenen heeft hij decennialang gebouwd aan een betoverend mooi fantasiegebouw (in het Engels een folly genoemd). ‘Zijn dorpsgenoten beschouwden hem als een halvegare, die al zijn vrije tijd in een nutteloos bouwwerk stopte,’ zo verhaalt Braeckman. Ik denk dat het goed is als scholieren zijn Palais Idéal zouden bezoeken. Zie dat in contrast met Versailles: dat is gebouwd met bloedgeld, door uitbuiting, onderdrukking en geweld en tot meerdere eer en glorie van één man – die zich dan maar koning en keizer noemt. Cheval heeft een grotere positieve bijdrage aan Frankrijk geleverd dan Louis XIV. Ten eerste heeft hij een nuttig beroep uitgeoefend en belasting betaald. Ten tweede heeft hij een intrigerend bouwwerk achtergelaten dat veel toeristen trekt. En ten derde is hij een prachtig voorbeeld van een levenskunstenaar die vormgeeft aan zijn leven door het bouwen van een fantasiepaleis. We kunnen niet allemaal zoiets groots maken, maar Cheval is een rolmodel om het zogenaamde nutteloze te koesteren, na te streven en te omhelzen als je daar een gevoel van zingeving uit put (mits je er geen anderen schade mee berokkent). Jammer dat er in Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman. Een zoektocht naar menselijkheid. Deel 2 geen afbeeldingen zijn opgenomen, zoals van het Palais Idéal.
Het Palais idéal van Ferdinand Cheval in de gemeente Hauterives in Frankrijk.
De dialoogvorm tussen twee gelijkgestemde atheïstisch humanistische filosofen maakt de tekst levendig en gezien de zware en moeilijke inhoud van het boek is dat een groot voordeel. Dirk Verhofstadt treedt op als Socrates: hij is de vroedman die Johan Braeckman helpt bevallen van een gezonde tweeling. Het was een zware bevalling want het proces heeft jaren geduurd en tussen deel 1 en deel 2 zat vijf jaar. Ik doe Verhofstadt tekort als ik hem alleen de rol van vroedman toedicht: hij is een capabele sparringpartner van Braeckman en hij voegt kennis toe zodat synergie ontstaat.
Standbeelden laten meestal dode witte mannen zien. Verhofstadt en Braeckman zijn springlevende mannen die samen een standbeeld delen. Hun naam staat in steen gebeiteld op het beeld van de tweejaarlijkse humanismeprijs, voor het Geuzenhuis in Gent. Beiden hebben deze prijs ontvangen. In Nederland zijn beide denkers uitgeroepen tot Vrijdenker van het Jaar. Verhofstadt is politiek filosoof; Braeckman heeft een brede expertise in filosofie, met name op het gebied van wijsgerige antropologie. Het is verleidelijk om de soepel geschreven boeken in dialoogvorm vlot te lezen. Wie zijn kennis wil vergroten over wat het is om als mens op planeet aarde te leven en hoe we ons leven kunnen duiden en bewust worden van de vele valkuilen van het denken, die kan ik dit tweeluik aanbevelen. Maar dan niet om het uitsluitend te lezen, maar om het zorgvuldig te bestuderen, zoals je boeken bestudeert voor een tentamen. Vervolgens kun je 10 (of 100 J ) aanbevolen boeken bestuderen om jouw studie te verdiepen.
Tijdens het lezen maak ik een lijst met genoemde boeken die ik wil bestuderen, zoals Karl Popper, De armoede van het historicisme, Robert Louis Stevenson, Het vreemde verhaal van Dr. Jekyll & de heer Hyde (1986), Daniel Dennett, The intentional stance (1987), Barbara Demick, Nothing to Envy: Ordinary lives in North Korea (2009), Giovanni Pico della Mirandola, Oratie over de waardigheid van de mens (1486), Bronnie Ware, The top five regrets of dying (2012), Albert Camus, De mythe van Sisyphus (1942), Napoleon Chagnon, Noble savages. My life among two dangerous tribes: the Yanomamö and the antropologists (2013), Ellen Dissanayake, Homo Aestheticus: where art comes from and why (1995), Nicolas Humphrey, Sentience. The invention of consciousness (2024), Robert Sapolsky, Behave. Waarom we van nature goed en slecht zijn (2017) en Robert Wrangham, The goodness paradox. The strange relation between virtue and violence in human evolution (2019).
Filosofie is een doolhof waarin je makkelijk kunt verdwalen – en een academische studie filosofie is zeker geen garantie dat je dat niet overkomt en bij postmoderne quatsch terecht komt. Dit tweeluik (plus de andere twee interviewboeken van Verhofstadt, met Etienne Vermeersch en met Paul Cliteur) zijn een daverend heldere, verrijkende en wijze handleiding hoe verstandig in het leven te staan en hoe je je leven kunt verrijken en verdiepen, en een bijdrage leveren aan een betere wereld. Ik focus in op deel 2 waarin in vijf lange hoofdstukken vijf thema’s aan de orde komen: taal, geweld, maakbaarheid, vrije wil en zingeving.
Als ik een leestip mag geven: lees, na Verhofstadts ‘woord vooraf’, eerst het magnifieke slothoofdstuk over zingeving. Ik hoop dat de uitgever en auteurs willen overwegen dat hoofdstuk als separaat boekje uit te geven – dat kan een boekje van troost en betekenis zijn. Toen ik aan de Universiteit Utrecht filosofie studeerde zei de hoogleraar logica lacherig dat veel studenten diep teleurgesteld zijn in de studie filosofie, niet in het minst bij het vak logica, omdat ze zich willen verdiepen in de Grote Vragen en bezig willen zijn met zingeving. ‘Nou, dan komen ze van een koude kermis thuis!’ Dat Braeckman als (oud) academicus het slothoofdstuk van dit magnum opus aan zingeving wijdt, laat zien dat hij daar anders tegenaan kijkt.
Ieder hoofdstuk begint met een goed gekozen citaat dat de toon zet. Het zingevingshoofdstuk begint met een citaat van psychiater en Holocaustoverlevende Viktor Frankl. Ik citeer een deel van het langere citaat: ‘De zin van het leven verschilt van mens tot mens, van dag tot dag en van uur tot uur.’ De zin van mijn leven nu, op 25 juni 2026, bestaat eruit dat ik plezier heb in en voldoening put uit het schrijven van deze bespreking, luisterend naar een bondige versie van Canto Ostinato van Simeon ten Holt, uitgevoerd door Jeroen van Veen en Sandra van Veen. Ik ben vrolijk vanwege de 85ste verjaardag van mijn moeder die vol goede zin door het leven danst, samen met mijn vader en dat we met een groot deel van de familie bij het prachtig aan de Kromme Rijn gelegen Theehuis Rhijnauwen pannenkoeken aten (voor mij is er een vegan pannenkoek – de rest van de familie blijkt doof voor mijn boutades). Op deze bloedhete dag – de door mensen veroorzaakte klimaatverandering begint samenlevingen te ontwrichten - zit ik, shirtless en met mijn voeten op de stoel voor mij, in een filosofisch universum dat ik deel met Dirk en Johan. Ik ben domweg gelukkig. Ik zoek niet naar zingeving. Alles is goed. Zelfs mijn houten kont van het zitten – het wordt tijd om op te staan en wat yoga te doen.
Verhofstadt en Braeckman zijn cultuurkatholieken: ze zijn door hun jeugd in een van katholicisme doordesemde cultuur grootgebracht. Beiden zijn vrolijke vrijdenkende atheïsten. Als je kijkt naar het aantal verwijzingen naar het christendom, zou je kunnen denken dat het om een devoot christelijk traktaat gaat. De culturele referenties verwijzen telkens naar het katholicisme. Dat zag je ook bij filosoof Etienne Vermeersch die in het klooster was ingetreden om er na een existentiële geloofscrisis uit te stappen. De wereld is nog steeds – ondanks alle ronkende religiekritiek van recent nog de New Atheists – grotendeels (bij)gelovig, al is België grotendeels een geseculariseerd land. Als ik al kritiek zou hebben op dit boek, dan zou het zijn dat er teveel aan het christendom wordt gerefereerd. Ik hoop niet dat dit jongere lezers, die vrij van religie zijn opgegroeid, afschrikt. Aan de andere kant, het boek leert je veel over het christendom, op een logische, kritische manier vanuit diverse wetenschappelijke perspectieven die je bij catechisatie-indoctrinatie niet krijgt. Voor culturele vorming is kennis van religie en in het bijzonder het christendom, onontbeerlijk. Wie (Vlaamse) literatuur leest zonder kennis van het christendom, zal veel ontgaan. Ook helpt Braeckman een hardnekkig misverstand uit de wereld dat het Nieuwe Testament en de figuur van Jezus moreel bewonderenswaardig zijn. Hoewel het christendom, zoals ik elders heb betoogd, een boekenclub met maar één boek is, lezen christenen dat boek bijzonder slecht. Religie is institutionele immunisatie tegen kritisch denken. Braeckman citeert uit het evangelie van Matteüs over immorele emotionele chantage en doodsverheerlijking: “Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig. En wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.”
Vergelijk Mattëus met Karl Popper uit diens boek De armoede van het historicisme (1964) die Braeckman instemmend citeert: “[…] We moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen; en daarbij moeten we steeds de ogen openhouden voor de onvermijdelijke ongewilde gevolgen van ons ingrijpen, die we nooit geheel kunnen voorzien en die maar al te vaak de balans van onze verbeteringen passief doen staan.”
Dit citaat is kenmerkend voor wat Braeckman en Verhofstadt met filosofie beogen: filosofie kan bijdragen aan ‘de nooit eindigende taak het lijden te verminderen’. De vraag naar zin is feitelijk zinloos. Het leven is namelijk zinloos en absurd. De zingevingsvraag is een reliek uit religieuze tijden. Religie is een antwoord op een onzinnige vraag – de vraag naar de zin van het leven. Dat die vraag onzinnig is betekent overigens niet dat mensen – ook niet-religieuze mensen – er niet mee bezig zijn. Goed om er aandacht aan te besteden. De vraag naar de zin van het leven (of de zin van jouw leven) is een categoriefout: het is als vragen: wat is de kleur van rond? Of hoe ruikt het getal drie? Het gaat erom dat mensen voor zichzelf ervaren dat wat zij doen, zinvol is.
Wat voor de één zinvol is, kan voor een ander totaal zinloos lijken – als je een hobbybeurs bezoekt van iets dat niet je hobby is, vraag je je al gauw af waar die mensen mee bezig zijn, zoals metaaldetectie (zoeken naar oude munten en voorwerpen in de natuur), eendenroepen (het nabootsen van eendengeluiden), extreme modelspoorbouw (gedetailleerde miniatuursteden met automatisering), historische re-enactment (naspelen van historische periodes in kostuum), urban exploring / urbex (verlaten gebouwen en locaties fotograferen), Rubik’s Cube speedsolving (puzzels oplossen op competitief niveau), LARP – Live Action Role Playing (fantasy- of rollenspel in het echt uitvoeren), taxidermie (dode dieren opzetten), competitief jojoën, cosplay van niche-personages van game-, anime- of filmfiguren, wedstrijdduiven houden, miniatuur wargaming (historische of fantasy legers naspelen), recreatief boomklimmen, geocaching (GPS-schatzoeken), pompoenkweken voor recordgewichten, HEMA – historisch zwaardvechten (Historical European Martial Arts) en hobby horsing (met een stokpaard tussen je benen parcoursen afleggen of dressuur- en springoefeningen doen).
Deze voorbeelden zijn hobby’s die in Nederland voorkomen. Ik neem de lijst op omdat hobby’s extreem zingevend zijn, maar voor wie de hobby niet deelt, extreem vreemd. Mensen doen nog wel eens denigrerend over ander persoons hobby – mea culpa! – maar dat is onterecht en ongepast. Zingeving is individueel. In een open samenleving van de liberale democratie zijn er mogelijkheden voor mensen om vreedzaam te experimenteren. Niet iedereen heeft werk dat intrinsiek motiverend en bevredigend is. Dankzij de opkomst van vrije tijd en meer financiële mogelijkheden, is het zingevingsspectrum door hobby’s, sport en recreatie exponentieel toegenomen. De mens is, om met (de niet in het boek genoemde) cultuurhistoricus Johan Huizinga te spreken, een homo ludens, een spelende mens. Lang leve het competitief jojoën.
Naast onzinnige vragen (wat is de zin van het leven?), zijn er ook nogal wat onzinnige maar hardnekkige concepten in omloop die tot veel nodeloze verwarring leiden, zoals het begrip ‘ziel’. Braeckman sluit op dit punt aan bij de logisch positivisten die de filosofie hebben bevrijd van theologie en metafysica. Filosofie dient, zo betogen zij, te helpen bij het verhelderen van taal. Als woorden geen empirische betekenis hebben, dan is het zinloos ze te gebruiken. Dat is een opschoning van het door metafysica en theologie vertroebelde denken. Helaas heeft het collectieve denken onderhoud nodig, want zinloze begrippen als god, hiernamaals, hemel, ziel, zin, god wil, bidden, heiligheid, zonde worden nog steeds gebezigd, ook door niet-religieuze mensen.
Met genoegen heb ik Braeckmans uiteenzetting over pseudozingeving gelezen. Als mensen die weinig lezen, mij weleens een boek aanraden, dan is het negen van de tien keer een boek van het genre pseudozingeving. Ik lees zulke boeken, vaak megabestsellers, nooit. De analyse van Braeckman vond ik verhelderend. Zoals over de pseudodiepzinnigheid van Jordan Peterson (die volgens Richard Dawkins Drunk on metaphors is) en diens boek12 Rules for Life.
Centraal in het interviewboek staat de vraag: wat is de mens? “Puur biologisch is er niet zoveel verschil tussen een eencellig organisme en een mens. […] Het verschil zit hem erin dat wij zin kunnen geven aan wat we denken en voelen, aan hoe we handelen en leven. Het is een bijzonder neveneffect van een brein dat evolueerde in functie van overleving en reproductie.” (p. 282)
De renaissancefilosoof Pico della Mirandola betoogt: ‘De mens is zijn eigen beeldhouwer. Hij mag zich uitbeelden in de vorm die hij verkiest.’ Blijkbaar zijn kunstenaars Fernando Botero en Niki de Saint Phalle toonaangevend, want de vorm waarin mensen zichzelf fysiek vormgeven gaat in rap tempo naar obees. Dat is meteen ook een paradox van vrijheid: datgene waarvoor mensen in vrijheid kiezen, is vaak niet het beste of mooiste dat er in potentie is. We zouden ook kunnen streven naar de menselijke vorm zoals in de hellenistische beeldhouwkunst. Vrijheid zonder culturele, cognitieve en morele vorming leidt ertoe dat mensen zich vergrijpen aan fastfood en fast entertainment. Ondanks dat, zijn de mensen in de vrije (en rijke) wereld nog steeds buitengewoon gelukkig, zoals blijkt uit de gelukssociologie zoals de World Happiness Index.
Misschien ben ik betuttelender dan Braeckman en Verhofstadt. Ik denk dat het nastrevenswaardig is om de menselijke potentie zoveel mogelijk te ontplooien en ernaar te streven het beste in de mens boven te halen en ik denk dat het wenselijk is dat de overheid hierin faciliteert en aanmoedigt. De discussie hierover is al gevoerd door de twee beroemde utilisten Jeremy Bentham en John Stuart Mill. Bentham betoogt dat mensen streven naar plezier (of genot), zonder daarover een oordeel te vellen. Mill daarentegen meent dat er een hiërarchie is van genot (pleasure). Mill stelt in zijn boek Utilitarianism: ‘It is better to be a human being dissatisfied than a pig satisfied; better to be Socrates dissatisfied than a fool satisfied.’ Ik zou inderdaad liever een ongelukkig denker zijn dan een gelukkig varken dat zich in de warme modder kan wentelen. En ik durf er mijn mooie fiets om te verwedden dat Braeckman en Verhofstadt deze keuze ook zullen maken (al weet ik niet of ze blij zullen zijn met mijn fiets). De Nederlandse overheid is voornemens om meer paternalistisch op te treden en de brede sociale acceptatie van alcoholgebruik te ontmoedigen, zoals door alcoholverkoop uit supermarkten te weren. Alcohol speelt in de levens van veel mensen een belangrijke rol en mensen denken dat je zonder alcohol niet met vrienden een goede tijd kunt hebben. Als Belgen hebben Braeckman en Verhofstadt trouwens een positieve houding tegenover drank. Ik herinner me dat ik met Etienne Vermeersch eens in Utrecht rondliep en hij al om tien uur in de ochtend een biertje wilde drinken. Dat ik met hem meedeed betreur ik nog. Toen ik ‘s avond lazerus naar huis fietste, bedacht ik me dat ik weliswaar plezier had gehad, maar geen erg diepe conversatie. Dat jonge mensen, inclusief mijn zoon en neef, veel alcohol drinken, en dat vooral mijn neef daar trots over vertelt, vind ik droevig en stuitend. We kunnen vormgeven aan ons leven, aan ons lichaam, aan ons brein, maar we kiezen er vaak voor om telkens weer slechte keuzes te maken: roken, drinken, slecht eten, weinig beweging, mainstream entertainment. En dan nog eens de breinrot door de schermtijd.
Braeckman is overwegend positief over internet, inclusief sociale media. Ik vrees echter dat hij zich door een vooroordeel laat misleiden: het internetgebruik van hemzelf en zijn vrienden is vast verstandig en verrijkend en er zijn voorbeelden te vinden van positieve invloeden, maar pedagogen en onderwijskundigen luiden de noodklok over de toenemende schermtijd van kinderen en pubers. Kortom, ik denk dat Braeckman en Verhofstaft dichter bij Bentham staan, terwijl ik meer neig naar Mill. Braeckman zegt wel dat de opvattingen over het goede leven van veel filosofen elitair waren (en zijn): een vita contemplativa. Hij bekritiseert – terecht – dit elitisme, maar gaat weinig in op het verheffingsideaal van de Verlichting, terwijl dat idee toch ook bij het (georganiseerd) humanisme aanwezig is. Nu moet ik zeggen dat het niet zo zwartwit is want Braeckmans boeken, lezingen, audiocolleges, podcasts, webzines dragen wel degelijk bij aan volksverheffing.
Verhofstadt legt nog eens duidelijk uit wat het verschil is tussen individualisme en egoïsme: ‘Een egoïst is iemand die voortdurend zijn eigen belangen centraal stelt, ook ten koste van anderen. Individualisme betekent het recht op zelfbeschikking voor zover men geen schade toebrengt aan anderen.’ (p. 305) Volgens zijn eigen definitie is Verhofstadt dus een egoïst die willens en wetens volhardt in het participeren in de dierenholocaust. Ik word er dieptreurig van om dit op te moeten schrijven. Maar ik heb, volgens Braeckman althans (die dus ook een egoïst is) geen vrije wil en in zijn optiek is mijn typen gedetermineerd en de reactie van beide heren dus ook. Braeckman bouwt voort op het door Verhofstadt omschreven individualisme en haalt Sartre aan die meent dat mensen altijd een autonome keuze hebben, maar zich verschuilen achter uitvluchten en fabeltjes; ze leven in kwade trouw (mauvaise fois). Braeckman merkt op: ‘Ze maken zichzelf wijs dat het zo hoort, dat er geen alternatief is, of dat ze het best mogelijke leven der levens leiden, terwijl dat duidelijk niet zo is.’ Er is, volgens Braeckman, inderdaad geen vrije wil, maar wel een zekere mate van autonomie. Zoals Braeckman en Verhofstadt uitvluchten zoeken en onderwijl blijven participeren in de dierenholocaust. Braeckman is vegetariër, maar ook dan blijft de horrorindustrie intact. Vegetarisme is als een katholieke biecht en virtue signaling om jezelf zogenaamd een schoon geweten te geven.
Het doet pijn om over mijn vrienden te schrijven en nog wel op een publiek platform. Als filosoof kom ik op voor het onnodig leed – ook als mijn vrienden en familie daarin participeren. Vriendschap mag nooit een excuus zijn om weg te kijken van onnodig leed. ‘Veel mensen slagen er niet in om tot zelfdeterminatie te komen.’ (p. 306) stelt Braeckman. En Verhofstadt: ‘We moeten ook de verantwoordelijkheid nemen die dat met zich meebrengt, hoe zwaar of ongemakkelijk die soms ook kan aanvoelen.’ (p. 307). Lege woorden.
Braeckman wijst erop dat mensen vatbaar zijn voor gevaarlijke irrationele opvattingen (in deel I is hij daar uitgebreider op ingegaan): ‘We blijven kwetsbaar voor allerlei vormen van irrationalisme, waarop gruweldaden zich kunnen enten.’ (p. 279) En verder: ‘We zijn briljant in het interpreteren van onwelkome informatie om toch maar te kunnen vasthouden aan onze diepste overtuigingen.’ (p. 295) Zoals ook Verhofstadt en Braeckman hun hoogbegaafdheid en eruditie blijven gebruiken aan het goedpraten van hun carnisme. – Ik geef het op: ‘Het zit diep in onze psychologie ingebakken om niet kritisch te zijn tegenover het ogenschijnlijk vanzelfsprekende.’ (p. 220) Zinloos in de zin dat de slachtoffers er niets mee opschieten.
In het voorwoord schrijft Verhofstadt een belangrijke zin: ‘Inzicht in de schaduwzijde van de menselijke psychologie leidde gaandeweg tot het besef dat een overheid noodzakelijk is om onze morele impulsen in te tomen en te beteugelen.’ Ziedaar het argument voor een rechtsstaat en regulering. Ongebonden vrijheid voor iedereen leidt tot schade en leed aan derden. Het is daarom dat de overheid veganisme als morele plicht moet stellen.
Hoewel zowel Verhofstadt als Braeckman zeer wel op de hoogte is van ontwikkelingen in de wijsbegeerte over argumenten voor het verbreden van de morele cirkel, is de teneur van het boek antropocentrisch en speciësistisch. In het hoofdstuk over geweld, waarin er veel aandacht is voor de gruwelijkheden van de nazi Holocaust, wordt met geen woord gerept over de dierenholocaust die onder onze ogen en door ons eigen toedoen plaatsvindt. Dat is een joekel van een morele blinde vlek en des te erger omdat ik weet dat beiden kennis hebben van die morele blinde vlek. In het dankwoord geven beide heren een woord van dank aan hun niet-menselijke viervoeters die hun huisgenoten (in slavernij) waren. Op het eerste gezicht kan het lijken dat ze empathisch zijn tegenover dieren, maar daarvoor is de omissie in het hoofdstuk over geweld te groot.
Het boek begint met een hoofdstuk over het ontstaan van en de betekenis van taal voor de mens. Braeckman doceerde decennialang wijsgerige antropologie aan de UGent. Dit onderwerp is zijn expertise. Braeckman spreidt een duizelingwekkende eruditie tentoon. Hij bestudeert taal vanuit zoveel mogelijk wetenschapsgebieden. Dit hoofdstuk is een overzicht van de multidisciplinaire kennis die er over taal is. Taal is wat de mens het meest doet verschillen van andere diersoorten. Je kunt het vergelijken met dieren die enigszins kunnen tellen, en mensen met begrip van wiskunde die getallen kunnen manipuleren en met getallen kunnen werken die groter zijn dan het aantal objecten direct voor hun neus. Braeckman combineert zijn overzicht van kennis over taal met beschouwingen over wetenschapsbeoefening en wetenschapsfilosofie, zoals kritiek op pseudowetenschappers als Rupert Sheldrake. Ik miste een bespreking van kunstmatige talen, zoals programmeertalen, en kunsttalen zoals Esperanto en Lojban, omdat deze, in tegenstelling tot natuurlijk talen, met een specifiek doel in gedachte zijn ontworpen. Kunsttalen hebben een hogere graad van logica en consistentie dan natuurlijke talen. Voor een menselijker wereld zou het mooi zijn als iedereen naast zijn of haar moedertaal een kunsttaal leert die als wereldtaal geldt.
Verhofstadt vraagt Braeckman naar diens boekje Er was eens. De mens als vertellende aap (2017) dat hij schreef over verhalen vertellen. Braeckman: ‘Verhalen leren ons wat we niet willen meemaken, zodat we het niet zelf hoeven ervaren.’ Dat lijkt mij een te snelle generalisatie. Het verklaart waarom mensen zo’n hunkering hebben naar verhalen over moord en doodslag zoals in detectiveverhalen en krimi’s. Maar er zijn ook verhalen over dingen die we juist wel willen meemaken – al is het maar om erover te lezen: verhalen over reizen, over erotisch vertier, over hunkerende liefdes, over geluk, over vriendschap, over vrede, over schoonheid. Je kunt onderzoeken hoe, in een bepaald genre, bijvoorbeeld in Nederlandstalige romans verschenen tussen 2016 en 2026, de verdeling is tussen verhalen over ellende en verhalen over geluk.
‘De meeste mensen deugen, zolang ze zich in goede omstandigheden bevinden,’ zo brengt Braeckman nuancering aan op de titel van het boek De meeste mensen deugen van Rutger Bregman. Het lezen van het hoofdstuk over geweld is geen sinecure. Wie het oeuvre en de voordrachten van Dirk Verhofstadt kent, weet dat hij zijn publiek geen gruwelijkheden bespaart. Het uitgangspunt van het hoofdstuk over geweld is de vraag of de mens van nature slecht is (Hobbes) of van nature goed (Rousseau). Verhofstadt en Braeckman zijn het erover eens dat deze vraag een drogreden is: het is een vals dilemma. De mens is zowel tot wreedheid als tot compassie instaat, vaak in dezelfde persoon. Waar het om gaat is om uit te vinden hoe wreedheid ingedamd en compassie bevorderd kan worden. De huidige liberale democratie laat zien wat het antwoord is – met uitzondering van de morele blinde vlekken voor niet-menselijke dieren in de bio-industrie, mensen in Verweggistan die de lasten dragen van het kapitalistische uitbuitingssysteem en toekomstige generaties.
Verhofstadt schrijft: ‘Het is zeker makkelijker om iemand te doden als hij geen menselijke trekken meer heeft maar als Untermensch of ‘slechts’ als een dier wordt gezien, bij voorkeur een parasitair dier dat afschuw oproept, zoals een rat.’ De woorden ‘slechts als een dier wordt gezien’ zijn een mokerslag want in onze huidige samenleving is er een Eternal Treblinka[1] waarbij niet-menselijke dieren geen enkele compassie krijgen en met miljoenen worden vermoord. Braeckman: ‘Als men anoniem en straffeloos geweld kan plegen gaat dat blijkbaar veel gemakkelijker.’ Precies! Zoals op leren schoenen lopen, melk, boter, kaas en vlees bij het ontbijt… Braeckman vervolgt: ‘Het is van belang te beseffen dat ‘doodgewone mannen’ die extreme misdagen plegen, vaak zelf denken dat hun handelen moreel correct is.’ (p. 110). Die ‘gewone mannen’ of gewone mensen zijn het overgrote deel van de mensen om ons heen, inclusief de auteurs. We veroordelen de holocaust en zijn zelfs daders in een andere holocaust die we semantisch afscheiden zodat we onszelf wijsmaken dat dat iets fundamenteel anders is. De kennis over de discriminatie van niet-menselijke dieren is al zeker 50 jaar, zeker na de publicatie van Animal Liberation van Peter Singer, voorhanden, maar de kloof tussen passieve kennis en doorleefde kennis is onoverkoombaar groot. En daarom neig ik ertoe om de kant van Hobbes te kiezen: mensen zijn van nature slecht. Slecht in de zin dat ze een heel beperkte morele blik hebben die maar met heel veel moeite vergroot kan worden. Ik had gedacht dat filosofie daar een rol bij kon spelen, maar dat blijkt niet zo te zijn.
In zijn voorwoord vraagt Verhofstadt zich af: ‘Hoe brengen we onze beste kwaliteiten tot uitdrukking, waarin zich het mooiste toont van wat menselijkheid betekent?’ Een rechtdoorzee antwoord is: laat mensen (leerlingen, studenten, deelnemers aan leesclubs en filosofiecursussen) dit toegankelijk filosofisch tweeluik bestuderen en bediscussiëren. Dat leidt er gegarandeerd toe dat mensen beter en met meer zelfinzicht gaan leven. Laten we dit boek op Nederlandstalige universiteiten lezen en bespreken met studenten, docenten en medewerkers. Dat zal wel weer te utopisch zijn. Dat is verdomd een gemiste kans. Je kunt natuurlijk ook prima je leven leiden zonder ooit te worden getergd door filosofische zingevingsvragen. Ik hoop dat er een Engelse vertaling komt – er zijn meer landen die een boost in Verlichtingsdenken kunnen gebruiken.
Bij lezingen vraagt er altijd wel iemand waarom het goed is om te streven naar rationaliteit in denken en doen. Braeckman heeft een mooie respons: ‘Het nastreven van rationaliteit is op zichzelf waardevol. Het kan ons behoeden voor illusies, en bijgevolg ook voor zingeving die op onredelijke inzichten stoelt.’ Hij schrijft over zijn gevoel van medelijden met mensen die zich hebben laten ringeloren door een of andere (religieuze) zingevingsfabel, zoals de vijftienjarige Belg Giel Foubert die Tibetaans monnik wil worden en jong als hij is, naar Tibet vertrekt: ‘Er overvalt me soms een gevoel van treurnis als ik zie hoezeer sommige mensen hun leven laten domineren en leiden door illusies of door hoogst dubieuze overtuigingen.’ (p. 327)
De zoektocht naar menselijkheid eindigt bij Braeckmans randvoorwaarden voor een menselijke samenleving – Braeckman is een universalist, dit geldt dus niet alleen voor België maar voor alle menselijke samenlevingen (nummering door FB toegevoegd): “Het komt erop aan om samenlevingen zo te organiseren, dat onze beste eigenschappen boven drijven. Dat is zeker niet onmogelijk. We weten ondertussen wat de basiskenmerken zijn van zo’n samenleving: die is (1) democratisch, (2) heeft respect voor mensenrechten, en (3) kan rekenen op een goed justitieel apparaat dat onrecht en corruptie aanpakt. (4) Ze kent een overheid die mensen bescherming biedt, (5) een goede sociale zekerheid, (6) degelijk onderwijs voor alle jongeren, (7) gendergelijkheid, en (8) vrije media en (9) onafhankelijke instellingen die het beleid kunnen bekritiseren. (10) Ze voorziet rechtvaardige belastingen, (11) creëert waardevolle jobs en (12) bestrijdt armoede, (13) investeert in wetenschap, (14) cultuur, (15) nuttige technologie en (16) zorg.” (p. 338)
In het hoofdstuk over maakbaarheid stuit ik op de volgende uitspraak van Braeckman: ‘Pessimisten die enkel oog hebben voor het negatieve, zijn doorgaans niet diegenen die verbetering realiseren.’ (p. 209) Deze opmerking blijft als een graat in mijn keel hangen (al eet ik geen vis): ik ben een pessimistische misantroop, maar geen fatalist. Ik vind dat we alles op alles moeten zetten om 1) de ecologische crisis af te wenden en 2) democratie en 3) rechten van menselijke en niet-menselijke dieren wereldwijd te promoten. Maar ik ben, op basis van de best beschikbaar wetenschappelijke prognoses, pessimistisch en zonder hoop. (Al ben ik gelukkig en geniet ik van kunst, theater, muziek, wetenschap – over deze spanning tussen pessimisme en persoonlijk optimisme heb ik geschreven in mijn dagboek De vrolijke misantroop.) Veel humanisten, waaronder Dirk en Johan, menen dat er iets is als een plicht tot optimisme omdat optimisme een psychologische drive is om te zoeken naar oplossingen. Ik denk echter dat het, in ieder geval theoretisch en filosofisch, fundamenteel is om een onderscheid te maken tussen enerzijds prognoses op basis van de best beschikbare wetenschappelijke onderzoeken en anderzijds toekomstmodellen en de houding die we kunnen aannemen om de problemen het hoofd te bieden. Ik zal tot het bittere einde mijn best blijven doen om te streven naar een duurzame wereld met zo min mogelijk voorkoombaar leed en zoveel mogelijk geluk voor alle wezens die pijn en genot kunnen ervaren.
Als ik eerlijk ben – en ik ben nu eerlijk – vind ik het ecomodernistisch optimisme van beide humanisten stuitend naïef. Ik hoop natuurlijk dat zij gelijk krijgen en dat technologische innovatie en morele vooruitgang zullen leiden tot een betere wereld. Maar ik zie niet in hoe. De parameters voor de ecologische crisis, zoals voortgaande CO2-uitstoot en daaruit volgende klimaatverandering (we zitten momenteel in een ongekend hete hittegolf) staan niet gunstig. Ik zou willen dat het anders was en dat het allemaal goed komt of dat het mee zal vallen. Maar ik zie het niet. Ik zie een suïcidale koers van de mensheid. En ik snap niet dat deze geleerden – die ik zeer hoog acht – zulk hemeltergend optimisme omarmen. In het tweeluik is er bijzonder weinig aandacht voor de multidimensionale ecologische crisis. Filosofie dient, meen ik, een prioritering te maken van problemen, op basis van de best beschikbare informatie, zoals beschikbaar op de ook door Braeckman aangehaalde Our World In Data website.
Het is interessant te zien dat Verhofstadt en Braeckman van mening blijken te verschillen over het onderwerp van vrije wil. Braeckman blijkt niet in vrije wil te geloven en hangt een deterministisch wereldbeeld aan. Verhofstadt, die als politiek filosoof uitgaat van de noodzaak van verantwoordelijkheid en zichzelf rekenschap geven voor elk individu, kan dat niet verkroppen. Het is daarom goed om twee concepten strikt van elkaar te scheiden. Enerzijds de vraag of er zoiets bestaat als vrije wil en anderzijds de vraag naar (morele) verantwoordelijkheid. Die twee vallen niet geheel met elkaar samen. Het is niet noodzakelijk zo dat verantwoordelijkheid komt te vervallen wanneer er geen vrije wil is. Een rechter die een misdadiger veroordeelt doet dat immers ook niet uit vrije wil. Het idee van gedetermineerdheid geeft ook wel opluchting – al is die opluchting ook gedetermineerd – als ik iets schrijf, dan is dat dus noodzakelijk zo. Het had ook niet anders kunnen zijn. Als ik iets stoms of doms doe: soit! Braeckman betoogt dat alles causaal bepaald - daarom bestaat de vrije wil – niet maar de toekomst is open. Ik vermoed dat ik dit onderscheid tussen causaliteit en open toekomst niet begrijp.
Braeckman gaat ver in het verontschuldigen van schuld en verantwoordelijkheid: ‘Ik zie bijvoorbeeld het nut niet in van een gevangenisstraf voor iemand die niet-intentioneel een ongeluk veroorzaakt.’ (p. 260). Dat is een boude uitspraak. Ik kan mij vergissen, maar ik meen dat er weinig intentioneel veroorzaakte ongelukken zijn; veel (verkeers)ongelukken worden veroorzaakt door intentioneel te hard te rijden, te weinig afstand houden, te rijden onder invloed van alcohol en/of drugs, rood licht te negeren. De intentie van de bestuurder is niet om een ongeluk te veroorzaken, maar er is wel degelijk verwijtbare schuld en daarmee verantwoordelijkheid die mijns inziens juridisch bestraft dient te worden. Ik maak nog een ander punt: volgens mij is er geen moreel relevant verschil tussen een man die met 80 kilometer per uur door de bebouwde kom rijdt en geen ongeluk veroorzaakt en iemand die hetzelfde doet, maar wel een (dodelijk) ongeluk veroorzaakt. In beide gevallen is er evenveel schuld. Ik vind het niet logisch dat er een veel zwaardere juridische straf volgt wanneer er een ongeval is, en dat de straf zwaarder wordt naarmate de schade toeneemt. Ik vind dat het niet relevant zou moeten zijn. Ik vind dat voor (verkeers)overtredingen waarbij potentieel ernstig leed kan worden veroorzaakt, dezelfde straf moet gelden als in het geval dat er daadwerkelijk een ongeval plaatsvindt.
Het lange hoofdstuk over zin roept bij mij de vraag op: wat is de zin van mijn bespreking? Deze essayistische boekbespreking is te lang en te meanderend om als boekbespreking te dienen. Puur vanuit academisch perspectief, is dit tijdverspilling. Ten eerste omdat het onderwerp te breed is. Ten tweede omdat het niet gepubliceerd is in een peer reviewed journal. Ik voel veel voor Cheval: mijn niet gelezen en onzichtbare oeuvre van boeken en essays is wat mijn leven zin geeft, omdat ik er plezier uit put. Natuurlijk, ergens hoop ik op erkenning à la Cheval. En ergens hoop ik dat mijn werk de wereld ietsje beter maakt. Er gaapt een kloof tussen wat zin heeft volgens de samenleving en mijn eigen egocentrische opvatting daarover. Als dit essay mijn vriendschappen onder spanning zet, wat ben ik dan aan het doen? Ik heb me vermaakt met het lezen, bestuderen, analyseren van het boek en het schrijven en herschrijven van deze tekst. Ik weet nu meer dat ik niet weet. In zijn laatste opmerking schrijft Verhofstadt ontroerend: ‘Onze vele gesprekken en het samen schrijven van dit en ons vorige boek, behoren voor mij tot de meest zinvolle ervaringen die ik ooit in mijn leven mocht ervaren.’ (p. 341)
Wat ben ik blij met Een zoektocht naar menselijkheid. En wat ben ik blij dat het leven geen zin heeft. Luister naar Ólafar Arnalds, Near Light en de vraag naar zin blijkt irrelevant.
Floris van den Berg
De auteur is milieufilosoof, een overtuigd veganist, ecohumanist en uitgesproken atheïst. Als docent en onderzoeker is hij verbonden aan de Universiteit Utrecht. Foto van René van Elst.
[1] Dit is een verwijzing naar het boek Eternal Treblinka: Our treatment of animals and the holocaust (2016) van Charles Patterson. Het waren Joodse overlevenden van de Holocaust die de als eerste de beruchte vergelijking maakten.


