Teksten

De zomer 2026. Echte vrijheid begint bij een leefbare aarde – Dirk Verhofstadt

De zomer 2026. Echte vrijheid begint bij een leefbare aarde – Dirk Verhofstadt

Wat we deze zomer in Europa en tal van andere plaatsen in de wereld hebben meegemaakt op het vlak van milieuschade was ongezien. Meer dan ooit ervaarden we de negatieve effecten van de klimaatverandering en de opwarming van de aarde. Deze kwestie is uiterst urgent en we moeten die vanuit een liberale politiek-filosofische benadering onderzoeken zonder de pretentie te hebben dat die alleenzaligmakend is. Ook vanuit andere, sociale en ecologische benaderingen kunnen oplossingen aangedragen worden. Maar centraal staat hier de vraag hoe we de vrijheid van de huidige en toekomstige generaties kunnen waarborgen en een leefbare aarde kunnen nalaten. In elk geval kan niemand meer ontkennen dat menselijke activiteiten aan de bron liggen van de huidige en toekomstige milieudrama’s waardoor ongeveer 3,5 miljard mensen die leven in kwetsbare, vooral armere, gebieden, het grootste risico lopen.[1] Daarover bestaat een brede en algemene wetenschappelijke consensus.[2] Laat ons de feiten van deze zomer overlopen.

De zomer van 2026

Grote delen van Europa werden deze zomer geconfronteerd met intense en aanhoudende hittegolven. Volgens voorlopige schattingen heeft de extreme warmte geleid tot een tragische oversterfte van minstens 35.000 personen. Omdat diverse landen nog met onvolledige of vertraagde gegevens kampen, ligt het werkelijke aantal hittedoden waarschijnlijk nog aanzienlijk hoger. Vooral Duitsland werd zwaar getroffen met naar schatting 15.800 slachtoffers, wat dit tot een van de dodelijkste zomers op het gebied van hittesterfte maakt. Frankrijk telde ongeveer 7.300 hittedoden bovenop 301 verdrinkingsdoden. Spanje noteerde met meer dan 5.000 sterfgevallen zijn slechtste hittejaar ooit gemeten. Het Verenigd Koninkrijk telde alleen in mei en juni al bijna 2.900 hittedoden. Ook in België vielen meer dan 2.000 extra hittedoden.

In diezelfde periode werd Zuid-Europa geteisterd door verwoestende bosbranden die groter in omvang waren dan in het verleden. In Spanje smolten de vuurhaarden rond Ávila, Madrid en Toledo samen tot één gigantisch front van zo'n 80.000 hectare – de grootste vuurzee uit de Spaanse geschiedenis. De brand eiste een zware tol; zo kwamen bij een afzonderlijke, hevige brand in het Almeriaanse Los Gallardos minstens veertien mensen om het leven. Ook Frankrijk bleef niet gespaard. In het departement Gironde legde een monsterbrand nabij Bordeaux 42.000 hectare dennenbos in de as, wat leidde tot de evacuatie van bijna een kwart miljoen mensen in de regio. Uiteindelijk ging er landelijk een recordoppervlakte van 115.000 hectare verloren. Dichter bij huis sloeg midden augustus het noodlot toe: in de Hoge Venen verwoestte een hardnekkige natuurbrand ruim 3.200 hectare uniek hoogveen. Dit kwetsbare ecosysteem heeft honderden jaren nodig gehad om te ontstaan, en biologen vrezen dat het herstel decennia of zelfs eeuwen in beslag zal nemen. In Sicilië waren er gedurende de hele zomer talrijke bosbranden, zelfs nog op bij afsluiting van deze tekst (13 september 2026).

De aanhoudende droogte zorgde ook voor de laagste waterstanden ooit op de Europese rivieren, in het bijzonder van de Rijn, de Donau, de Rhône, de Theems en de Po. Bij het Duitse Kaub zakte de Rijn voor het eerst onder de 20 centimeter, het laagste peil sinds 1880. De Donau bij Boedapest stond nog slechts 23 centimeter hoog, waardoor de Hongaarse kerncentrale van Paks moest uitgeschakeld worden wegens gebrek aan koelwater. Zowel de Rhône als de Po kampten met extreme droogte: op respectievelijk 30% en 40% van hun totale lengte zakte de waterafvoer naar een historisch dieptepunt. De Theems bereikte in juli historische dieptepunten qua waterafvoer. Ook in Nederland was de droogtecrisis voelbaar: bij Lobith daalde de waterafvoer in de loop van de zomer naar een kritiek dieptepunt, waarmee het herinneringen opriep aan de beruchte droogte van 1976.

Op ongewoon veel plekken in Europa deden zich krachtige tornado’s en windhozen voor. De absolute uitschieter was de monstertornado die op 24 augustus het Zuid-Franse dorpje Pomas trof, gelegen tussen Carcassonne en Limoux. De wervelwind liet een spoor van vernieling achter: zo’n 300 woningen raakten beschadigd en er vielen tientallen gewonden. Het was zeker geen incident, want de teller voor heel 2026 staat inmiddels al op ruim 230 windhozen en tornado's. Zo onder meer in het Belgische Büllingen en in Cremona in Noord-Italië waarbij tientallen mensen gewond raakten en heel wat historische gebouwen vernield werden. Op 8 en 9 september raasde een zware storm met hagelstenen over grote delen van Spanje, waarbij de temperatuur spectaculair daalde. Rome werd op 10 september getroffen door een grote wolkbreuk waarbij delen van de stad onder water kwamen te staan, twee metrostations moesten sluiten, bomen omvielen en automobilisten vast kwamen te zitten. Voor de kust van de stad Rapallo bij Genua werd die dag een indrukwekkende waterhoos waargenomen. Toscane, Friuli-Venezia Giulia, Kroatië en Slovenië werden getroffen door stormweer waarbij twee doden vielen. Overstromingen en een aardverschuiving richtten plaatselijk schade aan wegen, gebouwen en haveninfrastructuur.

Verder kreeg ook het Alpengebied deze zomer te maken met een ongekend aantal lawines. De aanhoudende hitte eiste een zware tol, met dodelijke slachtoffers op de Mont Blanc, de Goûter-route en bij de Aiguille du Midi. Halverwege augustus werd bovendien de Matterhorn opgeschrikt door twee zware rotslawines, waarbij duizenden tonnen gesteente naar beneden stortten. Tegelijkertijd smelten de Zwitserse gletsjers dit jaar in een recordtempo. Het land stevent af op een van de grootste gletsjercrises uit de geschiedenis, wat waarschijnlijk zal leiden tot het definitief verdwijnen van twintig tot dertig kleine gletsjers. Ook hier is de oorzaak gekend: de extreme warmte waardoor de permafrost wegsmelt, die de rotsen normaal gesproken samenhoudt.

De rest van de wereld

In het grensgebied tussen Nepal en China, vond eind augustus 2026 een zware overstroming en modderstroom plaats, veroorzaakt door het instorten van een gletsjer van ongeveer 1,5 bij 1 kilometer op de berg Langtang Lirung in Nepal. Dat heeft al het leven gekost aan ongeveer 1.400 mensen en nog 5.300 mensen zijn vermist, waarschijnlijk bedolven. Volgens glaciologen was dit het gevolg van de opwarming van de aarde waardoor de permafrost en het ijs smelten en extreme regenval lawines veroorzaken. Het is een voorbeeld hoe een arm land dat quasi niets bijdraagt aan de uitstoot van broeikasgassen het slachtoffer wordt van het gebruik van fossiele brandstoffen door rijke landen zoals de VS, China en de EU. De gemiddelde Nepalees stoot ongeveer 0,5 ton CO₂ uit per jaar, een Belg gemiddeld 7,3 ton CO₂, een Nederlander gemiddeld 6,8 ton CO₂ en een Amerikaan gemiddeld 13,6 ton CO₂.

Verder zijn er in de zomer van 2026 nog enorme bosbranden geweest in Canada waarbij meer dan vier miljoen hectare is afgebrand – een oppervlakte zo groot als heel Nederland – dat ervoor zorgde dat zowat honderdtwintig miljoen Amerikanen te kampen hadden met een slechte luchtkwaliteit. Tussen 28 juni en begin juli 2026 werd de VS getroffen door een massale hittegolf met heel wat hittedoden tot gevolg. Ruim 180 miljoen Amerikanen liepen op dat moment een ‘groot’ tot ‘extreem hoog’ hitterisico. Ook in Japan en Zuid-Korea kampte men met hitterecords. Hetzelfde gebeurde in andere delen van Azië (vooral Indonesië, India en Pakistan), het Midden-Oosten en Latijns-Amerika. De Hoorn van Afrika kampt al vele jaren met extreme droogte en een gebrek aan regenval. Het leidt er tot een verdere daling van de voedselproductie en meer hongersnood. Intussen brokkelt ook de ijskap van Groenland en Antarctica verder af.

De World Meteorological Organization (WMO) wijst ook op de vernietigende impact van El Niño, een natuurlijk klimatologisch fenomeen waarbij het zeewater in de grote oceanen heel sterk opwarmt. Over een langere termijn zal dit leiden tot extreme hitte en buitengewone droogte in tal van werelddelen waardoor veel oogsten dreigen te mislukken en er meer zware bosbranden zullen ontstaan. In andere werelddelen zullen ze dan weer te kampen krijgen met excessieve regenval en zware overstromingen. De moesson, de noodzakelijke zomerregenval in India en andere landen, zal afzwakken wat een verstoring betekent van de normale overgang van droogte en neerslag. Het warmere zeewater is slecht nieuws voor het onderwaterleven omdat het zal leiden tot een verstoring van de voedselketen tussen vissen, zeevogels en andere dieren die ervan afhankelijk zijn. Volgens de WMO is het vrijwel zeker dat El Niño tot februari 2027 zal aanhouden wat wereldwijd de neerslag- en temperatuurpatronen aanzienlijk kan veranderen en extreem weer kan aanwakkeren. Dit alles is bijzonder slecht nieuws voor boeren, vissers, mensen die wonen in kwetsbare kustgebieden, artsen en hulpverleners, en zowat alle consumenten die meer zullen moeten betalen voor hun voedsel.

Daarbovenop zijn er de verschillende oorlogen in de wereld die zorgen voor een aanzienlijke verhoging van de uitstoot van CO₂. De oorlog van Rusland tegen Oekraïne zorgde al voor meer dan 300 miljoen ton uitstoot van broeikasgassen. In Gaza en Libanon is er niet alleen een directe impact ingevolge militaire emissies, maar zullen er ook miljoenen tonnen CO₂ worden uitgestoten om de verwoeste huizen en infrastructuur te heropbouwen. Ook de oorlog in Iran en de bijkomende schade in de Golfstaten zorgen voor een boost in de uitstoot van CO₂, waaronder ook een enorme olievervuiling van grote delen van de kustlijnen door aanvallen op olietankers. Door de veranderende geopolitieke situatie is de milieuproblematiek ter zijde geschoven ten gunste van onder meer de oorlogsindustrie. Er wordt geschat dat de jaarlijkse uitstoot door militaire acties meer dan vijf procent van de wereldwijde CO₂-uitstoot vormt. Wetenschappers verwachten dat de CO₂-uitstoot in 2026 een stuk hoger zal zijn dan voordien. Dat was ook reeds het geval in 2025. Anders gezegd: de opwarming van de aarde blijft toenemen. Dat zal de komende jaren niet verbeteren. Neem bijvoorbeeld de bosbranden: die dragen niet alleen bij aan meer CO₂-uitstoot vandaag, maar verminderen ook het vermogen van bossen en wouden om koolstof in de toekomst op te slaan.

Intussen blijven vooral de economische activiteiten wereldwijd zorgen voor het grootste aandeel van de CO₂-uitstoot. Het gebrek aan een wereldomvattend beleid zorgt voor de grootste crisis van de mensheid, aldus de Duitse filosoof Markus Gabriel (°1980): “Alle tot nu toe genoemde crises verbleken bij één reusachtige en niet-aflatende crisis: de crisis van de mensheid op zich, die altijd bedreigd wordt door haar vermogen tot zelfvernietiging. In de afgelopen vijftig tot zeventig jaar werden we ons in toenemende mate bewust van het feit dat de effecten van klimaatverandering en de opwarming van de aarde voelbaar worden en dat deze ten minste deels te herleiden zijn.”[3] Er moeten dus dringend maatregelen genomen worden die verder gaan dan het louter opnemen van ecocide als misdrijf in het vernieuwde Belgische Strafwetboek. We hebben nood aan een mondiale aanpak van de ecologische crisis

Vroege liberale filosofie

Hoe staat de liberale filosofie tegenover de klimaatverandering en de opwarming van de aarde? De vroege liberale denkers zoals John Locke, Adam Smith en Thomas Paine leefden voor de start van de industriële revolutie, maar zouden vanuit hun liberale basisideeën wel de aantasting van de vrijheid van talloze mensen die ongewild het slachtoffer zijn van de milieuproblemen bekritiseerd hebben. John Locke (1632-1704) stelde dat iedereen de vrucht van zijn arbeid in eigendom mocht krijgen, maar enkel voor zover er ‘enough, and as good, left in common for others’ zou overblijven voor anderen.[4] Dat zou betekenen dat men zich natuurlijke hulpbronnen mag toe-eigenen als er maar ‘genoeg en van dezelfde kwaliteit’ beschikbaar overblijft voor anderen. Het klimaat beïnvloeden zodat mensen in minder gunstige gebieden daardoor benadeeld worden, zou Locke interpreteren als een vorm van diefstal van de gemeenschappelijke natuur.

Adam Smith (1723-1790) was niet alleen een econoom, maar ook een moraalfilosoof. In zijn boek The Theory of Moral Sentiments (1759) stelt hij dat ethisch handelen vereist dat we ons eigen gedrag kritisch beschouwen vanuit het perspectief van een onpartijdige toeschouwer. “Smith was zich scherp bewust van de zwakheden van menselijk gedrag en besefte hoe gemakkelijk individuen markten kunnen verstoren door vriendjespolitiek, samenspanning en monopolie. Als hij vandaag de dag nog leefde, zou hij nog steeds pleiten voor een evenwicht tussen markten als de voornaamste motor van welvaart en doordacht toezicht gericht op het beperken van externe effecten en het voorkomen van buitensporige marktmacht,” aldus Dambisa Moyo (°1969). Smith geloofde in de kracht van de vrije markt, maar zou zuivere lucht en proper water beschouwen als publieke goederen die niet door de markt kunnen gewaarborgd worden.[5] Hij was geen marktfundamentalist en zou milieuvervuiling hebben belast en wetgeving inzetten om de markt te corrigeren. Eigenbelang is geen probleem, voor zover men publieke goederen niet vernietigt.

“Het is een onbetwistbaar standpunt dat de aarde in haar natuurlijke, onbewerkte staat, het gemeenschappelijke eigendom van de mensheid was en altijd zal blijven,” schreef Thomas Paine (1737-1806) in zijn boek Agrarian Justice (1797).[6] Dat is momenteel duidelijk niet het geval. Er bestaan wereldwijd enorme verschillen in rijkdom en eigendom tussen rijke en arme landen, en tussen rijken en armen op zich. Meer dan een miljard mensen zijn momenteel landloos en hebben geen middelen om zich te beschermen tegen de klimaatverandering. Nog crucialer is zijn uitspraak: “Mensen kunnen geen mensen bezitten; en zo heeft geen enkele generatie het recht om te beschikken over generaties die nog moeten komen.”[7] Paine formuleerde dit als antwoord op Edmund Burke (1729-1797), die had betoogd dat het Parlement van 1688 het recht had om toekomstige generaties voor eeuwig te binden aan zijn beslissingen. Paine wees dat radicaal af: elke generatie moet even vrij zijn om voor zichzelf te handelen als de generaties die haar voorgingen. Vertaald naar vandaag: geen enkele generatie heeft het recht om, via de gevolgen van haar eigen uitstoot, de vrijheid en levensomstandigheden van toekomstige generaties te bepalen of te beperken. Zo hebben we de plicht om een leefbare aarde na te laten aan onze kinderen en kleinkinderen. Hij stelde voor dat eigenaars een grondrente – via een erfelijkheidsbelasting – zouden moeten betalen om mensen, die door het systeem benadeeld werden, te vergoeden.[8]

De belangrijkste liberale filosoof met betrekking tot het onderwerp is echter John Stuart Mill (1806-1873) die leefde tijdens de industriële revolutie. In zijn boek On Liberty (1859) verdedigt hij de individuele vrijheid tot het uiterste op één belangrijke uitzondering na: “Het enige doel waarvoor macht rechtmatig kan worden uitgeoefend over een lid van een beschaafde gemeenschap, tegen diens wil, is het voorkomen van schade aan anderen.”[9] Dit is het befaamde schadebeginsel dat doorgaans breed erkend wordt in liberaal democratische samenlevingen. Wel blijft er tot vandaag discussie bestaan over wat ‘schade’ juist inhoudt. Mill ging daar niet diep op in. Als echter kan aangetoond worden dat mensen benadeeld worden en/of schade lijden ingevolge het gedrag van anderen – bijvoorbeeld door mensen die water, lucht en bodem verontreinigen of veel CO₂-uitstoot en giftige producten gebruiken zoals PFAS – dan moeten die eersten beschermd worden en/of daarvoor vergoed worden. In zijn boek Principles of Political Economy (1848) verdedigde Mill bovendien het standpunt dat economische groei op een gegeven moment sowieso zou stagneren – als gevolg van de wet van de afnemende meeropbrengsten op een begrensd grondgebied – al zag hij een 'stationaire staat' niet als een probleem, maar ook als een middel tegen een verdere aantasting van de natuur.[10] Dus geen eindeloze groei, maar een soort ‘stationaire’ situatie ten bate van het milieu. In elk geval moet elke mens verantwoordelijkheid nemen voor zijn gedrag. “Niet alleen door zijn handelingen, maar ook door zijn nalatigheid kan iemand een ander leed doen, en in elk van beide gevallen draagt hij met recht de verantwoordelijkheid,” aldus Mill.[11]

Er zijn dus voldoende argumenten in het vroege liberaal-filosofische denken die niet alleen een bekommernis uiten over de aantasting van de natuur, maar ook stellen dat vervuiling vermeden moet worden. Indien nodig moet de natuur hersteld en verbeterd worden om niet alleen de huidige, maar ook de toekomstige generaties de mogelijkheid te geven om in vrijheid op te groeien en te leven op een leefbare aarde. Uiteraard kenden deze filosofen nog niet de urgentie van het klimaatprobleem. Daarom gaan we dieper in op inzichten van hedendaagse liberale filosofen die voortbouwen op de hiervoor beschreven ideeën en visies.

Hedendaagse liberale filosofie

Het hedendaagse liberalisme wordt vanuit diverse hoeken geclaimd als de oplossing voor allerlei maatschappelijke problemen. Het onderscheid wordt bijna altijd gemaakt in de mate waarin de overheid het recht heeft om in te grijpen en daardoor de vrijheid van het individu ten bate van de samenleving al dan niet in te tomen, en in welke mate. Dit verwijst in belangrijke mate naar het onderscheid dat Isaiah Berlin (1909-1997) in zijn essay Two Concepts of Liberty (1958) maakte tussen negatieve en positieve vrijheid.[12] Volgens sommigen moet de overheid zich niet inlaten met het doen en laten van de mens, voor anderen heeft de overheid juist de taak om zich in te laten met het ‘foute’ gedrag van de mens. De eersten geloven in het zelfregulerend karakter van de vrije markt, neoliberalen en marktfundamentalisten. De tweeden krijgen dan eerder de omschrijving links-liberalen of zelfs socialisten.

Uiteraard bestaan binnen die twee groepen tal van gradaties. Zo zijn er libertariërs die de klimaatproblemen ronduit ontkennen zoals de Argentijnse president Javier Milei (°1970), maar ook zogenaamde ‘klassiek liberalen’ zoals de Zweedse historicus Johan Norberg (°1973) die de klimaatopwarming erkent en de wetenschappelijke consensus ter zake grotendeels volgt, maar zijn hoop stelt in de innovatieve kracht van de vrije markt om de milieuproblemen aan te pakken, een vorm van ecomodernisme.[13] Aan de andere, links-liberale, kant is er de Amerikaanse filosoof Julie Rose die pleit voor degrowth en een beleid dat gericht is op het versterken van de menselijke vermogens en vrijheid ongeacht de economische resultaten.[14] Daarnaast de progressieve Italiaanse econome Mariana Mazzucato (°1968) die ervan overtuigd is dat een loutere vrije markt de klimaatproblemen niet kan oplossen, maar die de markt wil sturen naar een groene transitie.[15] De links-liberale Kate Raworth (°1970) pleit in haar boek Donuteconomie: In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw (2017) niet voor eindeloze groei, maar voor een regeneratieve economie die iedereen voorziet van de basisbehoeften voor een menswaardig bestaan, binnen de ecologische draagkracht van de aarde.[16]

Zelf denk ik dat we de klimaatverandering en opwarming van de aarde het best kunnen aanpakken door de toepassing van het liberale kernpunt bij uitstek: ‘De vrijheid eindigt als men schade toebrengt aan anderen’. Op dat ogenblik heeft de overheid het recht om in te grijpen zoals John Stuart Mill poneerde. Zoals hiervoor vermeld, heeft Mill in zijn boek On Liberty echter nauwelijks concrete voorbeelden gegeven van wat schade berokkenen aan anderen betekent. Hij geeft enkel het voorbeeld van een graanhandelaar die zijn pakhuis bedreigd ziet door een woedende menigte. Die menigte aansporen de graanhandelaar of zijn bezittingen aan te vallen, zou wel degelijk strafbaar moeten zijn, schrijft Mill.[17] Het vermoeden bestaat dat hij niet meer voorbeelden gaf omdat hij zelf inzag dat dit nooit compleet zou zijn. Niemand kan een volledig compendium van woorden, uitlatingen en handelingen aanleggen die al dan niet in aanmerking zouden komen als veroorzakers van schade. Er duiken dus tal van vragen op. Wat is schade? Wie is verantwoordelijk voor de schade? Wie moet er allemaal behoed worden voor schade? En op welke manier moet men die schade dan voorkomen en/of vergoeden?

De Amerikaanse liberale rechtsfilosoof Joel Feinberg (1926-2004) schreef uitvoerig over het schadebeginsel van Mill in zijn boek Harm to Others (1984).[18] Hij maakte een onderscheid tussen het gedrag van één individu, zoals de bestuurder van een auto, die nauwelijks te meten schade toebrengt aan het milieu, en de 'accumulatieve schade' die dat veroorzaakt als vele miljoenen mensen dit doen. Dat ene individu is net zoals die miljoenen anderen in zekere mate mee verantwoordelijk. Zelfs als men als eigenaar overstapt naar een elektrische auto blijft er een probleem, want veel van de gebruikte grondstoffen en materialen die nodig zijn voor de productie ervan veroorzaken schade aan het milieu, denk alleen al aan de batterijen. Dat betekent echter niet dat dit een even grote schade toebrengt als auto’s die rijden op fossiele brandstoffen; ze zijn op langere termijn inderdaad beter voor het milieu. Feinberg bracht dan ook gradaties aan. Accumulatieve schade betekent dus niet dat ieder individu even verantwoordelijk is, maar wel dat ze een ‘gedeelde verwijtbaarheid’ dragen. Tot slot maakte hij een onderscheid tussen zware schade, zoals aan de gezondheid bij lucht- en watervervuiling (welfare interests), en specifieke schade voor persoonlijke doeleinden (ulterior interests), denk aan de verstoring van een uitzicht op een mooi landschap. Al deze en andere bedenkingen van Feinberg zijn uitsluitend filosofisch-conceptueel en dienen niet als concrete beleidsvoorstellen.

De Britse hoogleraar politieke theorie Simon Caney (°1966) houdt zich bezig met ethische kwesties rond armoede, de toenemende ongelijkheid en de milieuproblemen in de wereld. Hij wordt beschouwd als een ‘egalitair-kosmopolitische liberaal’ die voortbouwt op het schadebeginsel van John Stuart Mill. Zo onderzoekt hij de impact van de klimaatverandering op de mensenrechten, niet alleen de rechten van de huidige generaties, maar ook van de toekomstige generaties. Dit is een belangrijke uitbreiding want Mill had het alleen over schade en verantwoordelijkheid van zijn generatiegenoten als leden van dezelfde beschaafde gemeenschap. Hij sprak zich niet uit over de morele plichten die zijn medeburgers hadden ten aanzien van buitenlanders. Caney doet dat wel en stelt dat we de lasten van de schade die we door milieuvervuiling veroorzaken eerlijk moeten verdelen. Hij heeft het over politieke verantwoordelijkheden als ‘de verantwoordelijkheid om actie te ondernemen om de sociale, economische, juridische en politieke kaders waarin we leven te veranderen, teneinde klimaatverandering op een rechtvaardige manier te beperken en ons eraan aan te passen, en om verlies en schade te vergoeden voor degenen die daardoor getroffen worden.’[19]

Caney stelt dat de rijkste landen de grootste last moeten dragen voor de klimaatproblemen omdat zij historisch gezien de meeste schade hebben veroorzaakt. Dat is volgens sommigen onrechtvaardig omdat de huidige generaties in die rijke landen niet verantwoordelijk zijn voor de schade die voordien werd aangebracht. Sterker nog, de vroegere generaties wisten niet eens dat zij schade aan het klimaat voortbrachten. Maar Caney erkent dat de huidige generaties geen persoonlijke schuld hebben, maar ze hebben als het ware die rijkdom geërfd, in de vorm van economische welvaart, technologische vooruitgang en betere infrastructuur. Daarbij, zo stelt hij, zijn rijke landen nu eenmaal meer in staat om bij te dragen want ze hebben de grootste financiële en andere draagkracht.[20] Essentieel is dat elke mens, van welke nationaliteit ook, beschermd wordt tegen de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering, ook zijn kinderen, kleinkinderen en de daaropvolgende generaties. Caney koppelt hiermee een kosmopolitische visie aan een intergenerationele visie, waarbij het individu steeds centraal staat.

De Amerikaanse politiek filosoof Henry Shue (°1940) is een sociaalliberale ethicus die opkomt voor individuele vrijheid, mensenrechten en de plicht van de samenleving om die maximaal te beschermen tegen wezenlijke bedreigingen, zoals de klimaatverandering. Vrijheid, zo stelt hij, heeft geen betekenis als mensen niet kunnen beschikken over minimale levensbehoeften zoals zuiver water, propere lucht, voedsel, enzovoort.[21] In zijn boek Climate Justice. Vulnerability and Protection (2014) poneert hij dat ‘de dynamiek van de veranderingen in het klimaatsysteem en de politieke inertie van energiesystemen betekenen dat toekomstige generaties, net als de armen van nu, kwetsbaar zijn voor onze beslissingen, en dat zij het recht hebben om niet hulpeloos achtergelaten te worden door degenen onder ons die de macht hebben om hen hoop te bieden’.[22] Net als Caney stelt hij dat rijke landen daarin een grotere verantwoordelijkheid hebben dan arme landen. Hij pleit voor klimaatrechtvaardigheid en maakt bijvoorbeeld het onderscheid tussen armen die fossiele brandstoffen gebruiken om te voorzien in hun primaire levensbehoeften en rijken die luxe-consumeren. Luxe-uitstoot moet afgeremd worden en subsistentie-uitstoot beschermd, aldus Shue. Die bescherming van subsistentie-uitstoot betekent echter niet dat dit een blijvende situatie zou zijn. Ook in arme landen moet de overgang van fossiele brandstoffen naar schone hernieuwbare energie volop worden ingezet.

In dat verband is ook het werk van de liberale Canadees-Amerikaanse filosoof Joseph Carens (°1945) belangrijk. In zijn boek The Ethics of Immigration (2013) heeft hij het over de ethiek van migratie en de verruiming van de vluchtelingendefinitie voor iedereen wiens leven ernstig bedreigd wordt.[23] Niet alleen vervolgde mensen verdienen bescherming, maar ook wie geconfronteerd wordt met ernstige bedreigingen van zijn fundamentele rechten op leven, veiligheid en levensonderhoud, verdient volgens hem bescherming en, indien nodig, permanente hervestiging. Hoewel Carens deze redenering niet specifiek op klimaatverandering toepaste, sluit ze er naadloos bij aan. Vanuit zijn redenering kunnen we stellen dat rijke landen door hun enorme CO₂-uitstoot mensen in arme landen bedreigen.[24] Als meer overstromingen, bosbranden, aanhoudende droogte en stijgende zeespiegels hun fundamentele rechten op een menswaardig en veilig leven in gevaar brengen, verdienen ze recht op bescherming en hervestiging. Ook dit steunt op het liberale schadebeginsel. In de praktijk zou de definitie van vluchtelingen, die volgens de Conventie van Genève bescherming verdienen in andere landen, moeten verruimd worden tot wie door de klimaatverandering in gevaar komt. Het is de ethische verantwoordelijkheid van rijke landen om dergelijke mensen een permanente en veilige plek te geven om er te leven en te werken.

De Amerikaanse politiek filosoof Steve Vanderheiden (°1967) is een Rawlsiaanse liberaal en auteur van het boek Atmospheric Justice: A Political Theory of Climate Change (2009) waarin hij de rechtvaardigheidstheorie van John Rawls (1921-2002) verder uitbreidt tot de belangen van mensen in andere landen en van de toekomstige generaties, iets wat de auteur van A Theory of Justice (1971) zelf nauwelijks deed. Als voorstander van een eerlijke verdeling van de schaarse goederen werkt Vanderheiden een principieel mechanisme uit om de beschikbare uitstootruimte eerlijk te verdelen, namelijk een equal-per-capita systeem. Elke mens zou een gelijk aandeel moeten krijgen van de nog beschikbare uitstootruimte. De ondergrens is wel dat iedereen nog voldoende uitstootruimte krijgt om fatsoenlijk te kunnen leven, wonen, eten, enzovoort. Dit sluit aan bij de subsistentie-uitstoot van Shue. Hij stelt ook een theoretisch model op over wie er moet betalen om de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering te compenseren. De inwoners van landen die in het verleden meer CO₂ hebben uitgestoten, in de praktijk rijke landen, zouden meer moeten bijdragen aan de kosten dan andere landen.

Tot slot nog de Nederlandse milieufilosoof Floris van den Berg (°1973), een uitgesproken liberaal die in zijn boek Groen liberalisme een reeks verregaande standpunten inneemt. Die zijn evenwel logisch gebaseerd op het ‘niet schaden principe’ van John Stuart Mill.[25] De vrijheid van de mens mag de leefbaarheid van de aarde voor anderen niet aantasten. Met die ‘anderen’ bedoelt Van den Berg niet enkel alle andere mensen, maar ook alle niet-menselijke wezens en de toekomstige generaties. Hij wil, net als de filosoof en ethicus Peter Singer (°1946), de morele kring verder uitbreiden tot dieren, omdat ook zij kunnen lijden, zoals de verlichtingsfilosoof Jeremy Bentham (1748-1832) stelde: ‘De vraag is niet: kunnen ze redeneren? Of: kunnen ze praten? Maar: kunnen ze lijden? Waarom zou de wet een gevoelig wezen zijn bescherming moeten ontzeggen?’[26] Pijn is voor Van den Berg de universele morele grens. Vanuit zijn groen liberale visie verwerpt hij ook de gedachte dat de mens boven de natuur verheven is. Een van de grootste oorzaken van de klimaatcrisis is volgens hem de intensieve veehouderij en visserij waarbij dieren gekweekt en gevangen worden om op te eten. Daarom is hij een overtuigde veganist.

Hij pleit ook voor een duurzame steady-state-economie. ‘Uitputbare grondstoffen, zoals fossiele brandstoffen zouden zolang ze nog voorhanden zijn, gebruikt moeten worden om een duurzame infrastructuur te bouwen; een infrastructuur waar toekomstige generaties wat aan hebben,’ schrijft Van den Berg.[27] Maar verder zou elke mens zijn ‘Eerlijk Aarde-aandeel’ niet mogen overschrijden. Onze ecologische voetafdruk moet binnen het aanvaardbare blijven. De consequenties van zijn ideeën zijn niet mals, maar zijn denken is rationeel en consistent. 'Alles mag zolang je geen schade berokkent aan voelende wezens: dat is het kernprincipe van groen liberalisme. Waar klassiek liberalisme de morele cirkel beperkt tot mensen die in het heden leven en discrimineert jegens toekomstige generaties en niet-menselijke dieren, doet groen liberalisme dat niet. Groen liberalisme is een poging om de morele blinde vlekken van liberalisme weg te werken terwijl de kern van liberalisme – individuele vrijheid – bewaard blijft.'[28]

Beleidsvoorstellen

Al deze denkers onderzochten de morele fundamenten van de verantwoordelijkheid die voortvloeien uit het principe dat de vrijheid van het individu stopt als men schade toebrengt aan anderen, en wie we daarmee bedoelen. Een van de belangrijkste overeenkomsten is dat de overheid moet optreden omdat het bij milieuproblemen gaat om publieke goederen die niemand zich kan exclusief toe-eigenen. Ik verschuif de focus naar de visie van de liberale econoom Paul De Grauwe (°1946), professor economie aan de London School of Economics, op de vraag welke concrete beleidsmaatregelen het meest rechtvaardig en effectief zijn om de klimaatproblemen aan te pakken. In zijn boek De limieten van de markt (2014) met als ondertitel De slinger tussen overheid en kapitalisme stelt hij dat in veel sectoren het privaat initiatief en de overheid elkaar nodig hebben en versterken. Denk aan investeringen in onderwijs en infrastructuur. Dat is ook het geval bij klimaatbeleid.

Zo pleit hij voor een CO₂-belasting op het gebruik van fossiele brandstoffen voor het transport (zowel personenvervoer als vrachtvervoer) en voor de verwarming van woningen. ‘Zo’n CO₂-belasting biedt twee voordelen. Het eerste is economisch. Als de CO₂-belasting hoog genoeg is, creëer je sterke prikkels voor consumenten om spaarzaam te zijn en/of naar andere energiebronnen dan fossiele brandstoffen uit te kijken. Gelijkaardige prikkels ontstaan langs de aanbodzijde. Ondernemingen zullen op zoek gaan naar alternatieve energiebronnen en/of technologieën die besparen op het gebruik van fossiele brandstoffen. Ze doen dat niet uit altruïsme, wel omdat het winstgevend is. De oplossing van het klimaatprobleem zal er vooral moeten komen door technologische vernieuwing, maar de kapitalisten zullen die vernieuwing slechts brengen als die winstgevend is. Een CO₂-belasting doet dit en stuurt de ondernemers naar nieuwe klimaatvriendelijke technologieën.’[29] Dat kan ook een sociale maatregel zijn. De Grauwe wil de opbrengst van de belasting terugstorten aan de huishoudens, waarbij elkeen hetzelfde bedrag krijgt. Aangezien hogere inkomens meer vervuilen zullen die meer CO₂-belasting betalen en lage inkomens minder, maar die laatsten zullen wel een bedrag terugkrijgen dat hoger is dan de belasting die ze betaalden. Toch blijft voor hen de prikkel bestaan om minder te vervuilen.

Wat De Grauwe ook voorstelt is het doorrekenen van de onbedoelde gevolgen van bepaalde economische activiteiten voor mensen die niet deel hebben genomen aan die activiteiten, de zogenaamde externaliteiten. Milieuvervuiling is daar een voorbeeld van. Mensen die de auto of een vliegtuig nemen, veroorzaken uitlaatgassen die nadelig zijn voor milieu en klimaat en dus ook voor allen die niet in die auto of dat vliegtuig zitten. De oplossing ligt voor de hand: belast de betrokken auto- of vliegtuiggebruikers voor aandeel in die externaliteiten. Concreet zal dat gaan over kleine bedragen die samengenomen wel een aanzienlijke som zullen vormen en kunnen gebruikt worden voor investeringen in minder of niet vervuilende alternatieven. Het belasten van die externaliteiten zal ook de producenten, dus de markt, aanzetten om steeds minder vervuilende vervoersmiddelen te ontwikkelen. De Grauwe stelt ook een CO₂-grensbelasting voor op de import uit derde landen als enkel de EU een koolstofprijs oplegt en andere landen niet. Met de opbrengst daarvan kan men dan arme landen helpen in hun klimaattransitie. Het voordeel van een dergelijke CO₂-grensbelasting is ook dat ze een incentive creëert in derde landen om ook een CO2-belasting te heffen op hun eigen producenten. Zo vermijden ze de Europese grensbelasting en genieten ze van de opbrengst van hun eigen CO2-belasting. Meer controversieel is zijn pleidooi voor kernenergie omdat die geen CO₂ uitstoot veroorzaakt en voor het invoeren van een progressieve vermogenstaks op miljonairs.   

De invoering van een CO₂-belasting en een CO₂-grensbelasting wordt ook bepleit door de Britse econoom Dieter Helm (°1956). Zijn boek Net Zero: How We Stop Causing Climate Change (2020) sluit aan bij de principes zoals ‘de vervuiler betaalt’ en ‘elke milieuschade moet gecompenseerd worden’. Volgens Helm mogen landen daarbij niet wachten op internationale toppen en overeenkomsten, die toch niet snel tot resultaat leiden – elk land moet zelf het voortouw nemen. Daarbij stelt hij dat de productie van broeikasgassen niet alleen moet dalen in eigen land, maar ook de uitstoot die vervat zit in producten die vanuit het buitenland worden ingevoerd.[30]  Wie zijn eigen industrie een zware CO₂-belasting oplegt, maar tegelijk auto’s, vlees en elektronica vanuit landen met een vervuilende industrie toelaat, zoals onder meer uit China of de VS, heeft het probleem niet opgelost maar verplaatst. Daarom moet er op die invoer een CO₂-grensbelasting komen om ook die landen te dwingen hun ecologische voetafdruk te verminderen. Het probleem moet volgens Helm dan ook aangepakt worden op vier niveaus, waarbij ikzelf enkele mogelijke voorstellen doe: elke burger moet mee zorgen voor een verlaging van de CO₂-uitstoot (weinig vliegen, elektrisch autorijden, minder vlees eten, zonnepanelen leggen), elk lokaal bestuur moet zijn burgers daarin helpen (recyclageparken aanleggen, elektrische laadpalen plaatsen, meer openbaar vervoer voorzien), de nationale overheid (een eenvormige CO₂-belasting opleggen), en op het internationaal niveau (een CO₂-grensbelasting opleggen)."De voorgestelde maatregelen zullen de kosten op vervuilende producten en diensten verhogen en consumenten naar milieuvriendelijker alternatieven sturen. Dat sluit aan bij zijn visie dat de opbrengst kan gebruikt worden voor publieke investeringen die de markt niet kan leveren.

De Gentse econoom Koen Schoors (°1968) Alles wordt anders… en beter aan (2024) heeft een optimistische verwachting op de toekomst. ‘We gaan naar een meer regionale wereld, een meer circulaire wereld, een wereld met minder jongeren en meer ouderen, en een stabielere wereldbevolking, een wereld waar digitalisatie, automatisatie en artificiële intelligentie ten dienste staan van de mens,’ aldus Schoors.[31] Centraal voor hem is dat we de juiste prijzen moeten hanteren voor producten die we kopen en gebruiken, want dat gebeurt nu niet. Zo blijven we fossiele brandstoffen en pesticides gebruiken waarvan we de kost van de vervuiling niet meerekenen. Het is de voornaamste reden om op massale schaal over te schakelen naar nieuwe, meer duurzame technologieën, een circulaire economie en een slimmere landbouw. De radicale omslag naar onder meer zonne-energie, windenergie, waterstof, thuisbatterijen, opvang van CO₂, kleinschalige- en stadslandbouw en andere transities kan er maar komen als we volledig stoppen met het subsidiëren van fossiele brandstoffen en grootschalige landbouw.

Een ander gevolg van het hanteren van juiste prijzen – waarbij ook alle kosten van de oorzaken van vervuiling worden meegerekend – zou zijn dat de wereld zich meer zal opdelen in regionale blokken. Het streven naar meer autonomie en nabijheid zijn daar de motor van. Schoors geeft het voorbeeld van onze grote afhankelijkheid van aardgas uit Rusland bij het begin van de oorlog in Oekraïne. Dat leidde tot een versnelling van investeringen in hernieuwbare energie, een grotere energie-efficiëntie en meer zelfstandigheid ten opzichte van onze ideologische (potentiële) vijanden. Europa zou de voortrekker kunnen worden van een circulaire economie, aldus Schoors. Burgers en bedrijven zouden daarbij de beschikbare grondstoffen zo optimaal mogelijk moeten benutten en het afval verminderen of compleet vermijden. Bedrijven zouden huishoudelijke apparaten moeten produceren die kwalitatief beter zijn en eenvoudiger gerepareerd kunnen worden. Een goed voorbeeld is het samen gebruiken van producten in plaats van die zelf in eigendom te hebben. Bijvoorbeeld deelwagens die bij een mobiliteitsdienst worden ontleend of het samen opwekken en/of gebruiken van duurzame energie. Schoors stelt veel hoop in de Noordzee ‘als machinekamer van de circulaire economie’. ‘De plannen van de Noordzeelanden voor offshore wind op de Noordzee gaan momenteel uit van 300 GW tegen 2050, dat is dus ongeveer 300 kerncentrales,’ aldus de auteur. Dat is wel een heel optimistische voorspelling, maar maakt wel duidelijk hoeveel potentieel windenergie heeft in de grote energietransitie die noodzakelijk is.

Terug naar het schadebeginsel van Mill. Dat is niet alleen het meest fundamentele, maar ook het meest praktisch vertaalbare uitgangspunt om tot concreet beleid te komen. Zo kunnen we uit de filosofische bedenkingen van de hiervoor vermelde denkers over schade en verantwoordelijkheid nog andere voorstellen distilleren. Zoals een hogere belasting van luxe-uitstoot zoals Shue bespreekt, denk aan privéjets, SUV’s, overmatige consumptie, tweede en derde huizen, enzovoort die een grote ecologische voetafdruk hebben. De opbrengst hiervan kan gebruikt worden voor subsistentie-uitstoot, namelijk het ontzien of subsidiëren van de basisbehoeften van huishoudens die weinig uitstoten, denk aan voedsel, verwarming en goedkoop openbaar vervoer, zodat die mensen op zijn minst een fatsoenlijk leven kunnen leiden. Hij pleit verder ook voor een mondiale verdeling van de nog beschikbare uitstootruimte. Caney pleit er in dat verband voor dat de rijke landen, die historisch het meest geprofiteerd hebben van de CO₂-uitstoot, verhoudingsgewijs het meest moeten bijdragen aan de mondiale uitgaven voor de compensatie van de schade die de armste landen hebben geleden en lijden. Van den Berg wijst terecht op de intensieve veehouderij als een ethisch, maar ook als een klimaatprobleem. Een CO₂-methaanheffing op vee en zuivel zou alvast een begin kunnen zijn om de externaliteiten in de prijs te verrekenen, gekoppeld aan een omleiding van de Europese landbouwsubsidies van intensieve veehouderij naar plantaardige landbouw – een rechtstreekse toepassing van hetzelfde schadebeginsel.

Een specifiek probleem binnen de Europese Unie vormt het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de EU dat jaarlijks bijna 40 miljard euro aan directe inkomenssteun aan boeren spendeerde, met daarbovenop meer dan 13 miljard aan plattelandsontwikkeling. Dat zorgt op mondiaal vlak voor marktverstoring. Denk aan de vele Europese pluimveebedrijven die goedkoop kippen produceren, waardoor ze vaak grote overschotten hebben aan kippenvlees om die vervolgens tegen lage prijzen af te zetten in West-Afrika. Daardoor worden lokale Afrikaanse kippenboeren letterlijk weggeconcurreerd. Hetzelfde gebeurt in de visserij waarbij moderne boten vanuit Spanje en Nederland voor Afrikaanse kusten gaan vissen en zo de lokale producenten wegdrukken. Het moreel terechte pleidooi van Van den Berg om te stoppen met vlees, vis en zuivel te eten en het veganisme te omarmen, lijkt niet (snel) haalbaar. Daar kan men mensen van overtuigen, maar niet via de overheid afdwingen. Dat zou door een democratische meerderheid in liberale democratieën niet aanvaard worden.[32] En al zeker niet in armere landen voor wie dit een belangrijke bron voor hun voedselbehoeften betekent.

Besluit

De drastische vermindering van de biodiversiteit, de verandering van het klimaat en de opwarming van de aarde zijn het gevolg van menselijk handelen. Het is aan de huidige generatie om deze problemen aan te pakken om diegenen die momenteel het meest kwetsbaar zijn en de toekomstige generaties te beschermen en hun situatie te verbeteren of te vrijwaren. Dat sommige landen zich daar weinig of niets van aantrekken en fossiele brandstoffen blijven ontginnen en gebruiken en massa’s CO₂ blijven uitstoten, mag voor andere landen geen reden zijn om niets te doen, integendeel. Er komt best een ‘coalitie van bereidwillige landen’ die zich aanpassen, schadelijke uitstoot verminderen, milieuvriendelijke technieken ontwikkelen, arme medestanders helpen, en elkaar bijstaan in geval van grote milieurampen. De EU kan hierin een voortrekkersrol spelen samen met landen als het Verenigd Koninkrijk, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Japan. Dat België in 2026 ecocide opnam in haar Strafwetboek is een belangrijke zaak. Het opzettelijk en onrechtmatig veroorzaken van ernstige, grootschalige en langdurige of onomkeerbare schade aan het milieu kan daar nu bestraft worden met zware celstraffen van 15 tot 20 jaar, plus miljoenenboetes voor de betrokken bedrijven. Het zou nu moeten overgenomen worden op EU-niveau als een Europese Richtlijn Milieucriminaliteit en door de andere landen van de ‘coalitie van bereidwilligen’. En uiteindelijk op mondiaal vlak door ecocide als kernmisdaad op te nemen in het verdrag van het Internationaal Strafhof in Den Haag.

Het massaal gebruik van de open ruimte, de intensieve bewerking van de grond, de overmatige bevissing van de wateren, de exploitatie van fossiele grondstoffen, de explosieve productie van afval, enzovoort hebben intussen dermate vormen aangenomen dat de mogelijkheden van de huidige en toekomstige generaties mensen uiterst beperkt zijn geworden. De bescherming door de overheid van natuur en cultuurgoederen is nochtans noodzakelijk omdat ze van onvervangbare waarde zijn voor zinvolle autonomie. De oplossing moet komen van de overheid én private bedrijven. De overheid moet grenzen stellen aan de uitputting van de aarde door mensen en bedrijven die vanuit winstbejag de natuur, de fauna en flora, aantasten. Het belasten van milieuvervuilende activiteiten is voor bedrijven en individuen de meest efficiënte prikkel om gebruik te maken van minder vervuilende technologieën. Bedrijven moeten dan weer de ruimte krijgen en aangemoedigd worden om zich om te schakelen naar milieuvriendelijke alternatieven en technologieën. Een gecorrigeerde vrije markt blijft dus noodzakelijk. Liberalen blijven geloven in het vermogen van mensen om moeilijke problemen op te lossen, de menselijke creativiteit die zorgde voor tal van middelen om de wereld te verbeteren, de onmiskenbare successen ook die de voorbije jaren op het vlak van milieu werden geboekt. Maar toegegeven, de weg is nog lang, de problemen huizenhoog en het bewustzijn van mensen over deze problemen ontzettend klein. We hebben dus overheid en markt nodig om daar nu snel oplossingen voor te vinden, maar ook burgers die hun gedrag aanpassen en zelf de vervuiling van het milieu tegengaan.

Sommige filosofen, economen en politici pleiten ook voor degrowth, maar dat is niet de juiste manier om de klimaatproblemen aan te pakken, integendeel.[33] De Duitse filosoof Markus Gabriel omschrijft degrowth zelfs als een bedreiging voor de eerste Sustainable Development Goal (SDG) van de Verenigde Naties, namelijk ‘het beëindigen van de armoede in de wereld’, en als een bedreiging voor de dertiende SDG, namelijk ‘het dringend actie ondernemen om de klimaatverandering te bestrijden’. [34] De aanname dat economische groei noodzakelijk leidt tot vernietiging van het milieu noemt hij onjuist, al is hij zich zeer bewust dat dit onder het communisme en het neoliberalisme wel degelijk gebeurde en nog steeds gebeurt. Mensen en bedrijven vervuilen de planeet – in het bijzonder ook de oceanen – en ze zijn verantwoordelijk voor het uitsterven van andere levensvormen. Maar mensen en bedrijven die ethisch handelen kunnen de planeet ook schoonmaken en de biodiversiteit beschermen. Het is de plicht van de huidige generaties om dat te doen voor het welzijn van de toekomstige generaties. En daarvoor hebben we economische groei nodig gericht op morele vooruitgang, aldus Gabriel. Hij stelt voor dat elk groot bedrijf een ethische afdeling moet oprichten die evenveel zeggenschap heeft als bv. de financiële afdeling, en die de morele vooruitgang effectief stuurt en daar bij succes ook voor beloond wordt. Koppel de afdeling Research & Development aan die ethische afdeling en daar kan veel goeds uitkomen.

Het zou juist moreel verwerpelijk zijn dat mensen in arme landen zich niet verder economisch mogen ontwikkelen. De Amerikaanse wetenschapper Andrew Paul McAfee (°1967) legt de nadruk op een soort ‘groene groei’ waarbij men meer welvaart creëert en toch minder uitstoot veroorzaakt, dus zonder de planeet uit te putten.[35] De Grauwe en Schoors bepleiten correcte prijzen bij externaliteiten en technologische innovatie – denk aan koolstofafvang en -opslag – in plaats van de gedwongen krimp die men vanuit het degrowth-kamp voorstelt. De Brits-Italiaanse klimaatwetenschapper Giulio Boccaletti (°1974) stelt dat klimaatverandering vooral een politiek probleem is. Het zijn vrije burgers die richting moeten geven aan de weg die men inslaat. Niet autoritaire leiders, maar een liberale republikeinse democratie waarin vrijheid van meningsuiting, vrij wetenschappelijk onderzoek en democratische besluitvorming mogelijk zijn. Dus geen technocratie, geen apocalyptisch activisme, geen door lobby’s gedicteerd beleid.[36] Denk aan mitigatie én adaptatie. Dus concrete aanpak van de oorzaken gericht op afremming van de opwarming van de aarde (mitigatie), en tegelijk aanpak van de gevolgen van die opwarming in landen die er nu concreet mee te maken hebben, zoals bescherming tegen overstromingen, droogtebestendige landbouw en hittebestendige steden. We beschikken over de technologieën en kennis om de natuur te herstellen. De toekomst van de natuur – van onze steden, van onze gebieden – hangt uitsluitend af van de keuzes die wij maken, aldus Boccaletti.

Progressieve belastingen op CO₂-uitstoot, de bescherming van basisbehoeften van de zwaksten in de wereld, een historisch gewogen mondiale solidariteit, een CO₂-methaanheffing op vee en zuivel, de afbouw van concurrentievervalsende EU-subsidies, het stimuleren van deelwagens, het samen opwekken en/of gebruiken van duurzame energie, en op termijn het gebruik van nieuwe kerncentrales die met toekomstige technologie geen radioactief afval produceren, enzovoort vormen geen radicale breuk met het liberale denken, maar zijn juist de meest logische toepassing ervan: de vrijheid van het individu eindigt waar ze de leefbaarheid van de aarde voor anderen, nu en in de toekomst, onherstelbaar aantast.

 

Dirk Verhofstadt

De auteur is moraalfilosoof, gewezen professor Media en Ethiek aan de UGent, en auteur van onder meer het boek Het menselijk liberalisme.

[1] De klimaatverandering en opwarming van de aarde wordt wel betwist door extreemrechtse politici en partijen. Donald Trump heeft onmiddellijk na zijn inauguratie op 21 januari 2025 de Verenigde Staten teruggetrokken uit het Parijsakkoord.

[2] Het meest recente rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) maakt duidelijk dat het onweerlegbaar vaststaat dat menselijke activiteiten aan de basis liggen van de opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat aan een snelheid die sneller is dan water de voorbije millennia is gebeurd.  Ondanks het feit dat de meeste mensen de klimaatverandering door de mens erkennen, veranderen ze weinig of niets aan hun leefwijze. Zie Clive Hamilton, Requiem for a Species: Why We Resist the Truth About Climate Change, Routledge, 2010.

[3] Markus Gabriel, Goed doen, Ten Have, 2026, p. 89.

[4] John Locke, Second Treatise of Government, 1689, Hoofdstuk V ‘Of Property’.

[5] Adam Smith, An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, 1776, Boek V, Hoofdstuk I ‘Of the Expenses of the Sovereign or Commonwealth’.

[6] Thomas Paine, Agrarian Justice, 1797, in The Complete Writings of Thomas Paine, p. 398.

[7] Thomas Paine, The Rights of Man, 1791.

[8] Dirk Verhofstadt, Het liberale denken van Thomas Paine, 2009, p. 50.

[9] John Stuart Mill, On Liberty, 1859.

[10] John Stuart Mill, Principles of Political Economy, 1848, Boek IV, Hoofdstuk VI, 'Of the Stationary State'.

[11] John Stuart Mill, Over vrijheid, Boom Klassiek, 2002, p. 47.

[12] Isaiah Berlin, Liberty: Incorporating Four Essays on Liberty, Oxford University Press, 2002.

[13] Johan Norberg, Why I Believe Climate Change Is Not the End of the World, Quillette, 8 juli 2020.

[14] Julie Rose, Beyond the Perpetual Pursuit of Economic Growth in A Political Economy of Justice (red. Danielle Allen e.a.), University of Chicago Press, 2022.

[15] Mariana Mazzucato, Mission Economy: A Moonshot Guide to Changing Capitalism, Allen Lane/HarperCollins, 2021.

[16] Kate Raworth, Donut economie, Nieuw Amsterdam, 2017.

[17] John Stuart Mill, Over Vrijheid (1859), Boom Klassiek Amsterdam, p. 101.

[18] Joel Feinberg, Harm to Others (The Moral Limits of the Criminal Law, Vol. I), Oxford University Press, 1984.

[19] Simon Caney, Power, Political Responsibilities and Climate Change, Abstract, 1st June 2022.

[20] Simon Caney, Climate Change and the Duties of the Advantaged, Critical Review of International Social and Political Philosophy, vol. 13, no. 1, 2010, pp. 203-228.

[21] Henry Shue, Basic Rights: Subsistence, Affluence, and U.S. Foreign Policy (1980), Princeton University Press, 40th anniversary edition with new chapter on climate change, 2020.

[22] Henry Shue, Climate Justice. Vulnerability and Protection, Oxford University Press, 2014 (uit de beschrijving van de uitgever op global.oup.com).

[23] Joseph H. Carens, The Ethics of Immigration, Oxford University Press, 2013.

[24] Christopher Callahan & Justin Mankin, National attribution of historical climate damages, Climatic Change, vol. 172, nr. 3, 2022, p. 1-19.

[25] Floris van den Berg, Groen liberalisme. Een urgent manifest, Houtekiet, 2019.

[26] Jeremy Bentham, An Introduction to the Principles of Morals and Legislation, Hoofdstuk 17, 1789.

[27] Floris van den Berg, Maak van Nederland ecotopia, Brief aan premier Mark Rutte, 17 februari 2012.

[28] Floris van den Berg, Groen liberalisme, Houtekiet, 2019.

[29] Paul De Grauwe, Betere manieren om aan klimaatbeleid te doen, De Morgen, 9 november 2021.

[30] Dieter Helm, Net Zero: How We Stop Causing Climate Change, William Collins, 2020.

[31] Koen Schoors, Alles wordt anders… en beter, Borgerhoff & Lamberigts, 2024.

[32] Dat is een fundamenteel punt in het werk van Floris van den Berg. De democratie kan slechts functioneren binnen een moreel kader. Dat kader kan niet per meerderheid worden bepaald, maar enkel door rationele argumentatie. Een meerderheid kan ook niet democratisch de sharia invoeren, schrijft Van den Berg terecht.

[33] Ik denk aan de filosofen André Gorz, Serge Latouche en Julie Rose, en de economen Giorgos Kallis en Kate Raworth.

[34] Markus Gabriel, Goed doen. Hoe ethisch kapitalisme de democratie kan redden, Ten have, 2026, p. 173.

[35] Andrew Paul McAfee, More from Less: The Surprising Story of How We Learned to Prosper Using Fewer Resources – and What Happens Next, Scribner, 2019.

[36] Giulio Boccaletti, Il futuro della natura. Soluzioni per un pianeta che cambia, Mondadori, 2025.

Print Friendly and PDF
Pleidooi voor een verbod op antidemocratische partijen - Jan-Werner Mueller

Pleidooi voor een verbod op antidemocratische partijen - Jan-Werner Mueller