Teksten

Open brief aan minister Verlinden van Justitie en minister Van Bossuyt van Asiel en Migratie  – Henri Heimans

Open brief aan minister Verlinden van Justitie en minister Van Bossuyt van Asiel en Migratie – Henri Heimans

Geachte dames Excellenties,

Met een gevoel van grote verbazing en ontsteltenis volgde ik de parlementaire debatten over het wetsontwerp 1591/1, ondertekend door uw beide excellenties, houdende de invoering van woonstbetredingen met het oog op identificatie en bestuurlijke arrestatie van vreemdelingen zonder verblijfsvergunning. De besprekingen in de Commissie van Binnenlandse zaken van de Kamer van juni en juli van dit jaar hebben mijn overtuiging gesterkt dat het wetsontwerp de absolute grens van de rechtsstaat onacceptabel overschrijdt.

Uit hoofde van de minister van Asiel en Migratie verwondert me dat geenszins nu in het verleden is gebleken dat U het niet te nauw neemt met de rechtsstaat als het om het vreemdelingenrecht gaat.

Het verbaast me des te meer dat u als minister van Justitie uw handtekening heeft geplaatst onder een wetsontwerp dat op grove wijze de grondwettelijk verankerde scheiding van de machten aantast. In Frankrijk draagt de minister van Justitie ook de titel van Garde des Seaux, letterlijk de ‘bewaarder van de zegels’ waaronder men ook kan verstaan de hoeder van de rechtsstaat en dus van een staatsbestel van gescheiden machten (trias politica) en onafhankelijke instellingen als de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten, die met elkaar samenwerken in eerbied voor elkaars onafhankelijkheid en eigen finaliteit.

Het wetsontwerp voorziet dat politieambtenaren onder bepaalde voorwaarden de verblijfplaats van een vreemdeling, ook al betreft het de woon- of verblijfplaats van een derde, onder dwang kunnen binnendringen mits zij beschikken over een machtiging tot woonstbetreding van een onderzoeksrechter.

Dames Excellenties, zelf ben ik jaren onderzoeksrechter geweest, raadsheer-onderzoeker in het hof van beroep en voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling, zijnde het hoogste onderzoeksgerecht in Oost- en West-Vlaanderen en kan me niet inbeelden dat ik zou opgevorderd worden door een ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken. Deze opvordering is voor een onderzoeksrechter zo tegennatuurlijk en druist volledig in tegen alle bepalingen van het Wetboek van Strafvordering die mijn onafhankelijke functie omschrijven en vastleggen. De regeling zou me als onderzoeksrechter in een onmogelijke situatie brengen van oneigenlijk gebruik van mijn functie als instrument van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Dit is meer dan een onbehagelijk gevoel dat versterkt wordt door de parlementaire debatten in de Commissie Binnenlandse Zaken. Het is duidelijk gebleken dat U als minister van Asiel en Migratie de verplichte tussenkomst van een onderzoeksrechter gebruikt als een passe-partout, als een soort loper, om de grondwettelijk beschermde woning en privacy te kunnen doorbreken in zuiver bestuurlijke aangelegenheden. Het gaat tenslotte over een zuivere ‘administratieve’ doorzoeking van een verblijf/woonplaats met het oog op de bestuurlijke arrestatie van een vreemdeling zonder verblijfsvergunning. Deze dwangmaatregelen staan volledig buiten het strafrecht.

Mijn rechterlijke functie van onderzoeksrechter wordt echter exclusief omschreven in het Wetboek van Strafvordering en ik ben aan deze regels strikt gebonden. In België is de onderzoeksrechter een onafhankelijke magistraat die belast is met de leiding van een gerechtelijk onderzoek, ten laste en ten ontlaste, naar ernstige of complexe misdrijven. Hij kan tal van dwang- en vrijheidsberovende maatregelen bevelen en moet erop toezien dat de fundamentele rechten van burgers worden gerespecteerd. Een onderzoeksrechter wordt uitsluitend gevorderd door het openbaar ministerie, overeenkomstig de strafwet en speelt een cruciale rol in het strafprocesrecht, dat ook voorziet in tegenspraak en in een hele reeks garanties ter bescherming van individuele rechten. Een onderzoeksrechter kan ook gemotiveerd weigeren om gevraagde onderzoeksverrichtingen uit te voeren.

Als minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door een gemachtigde ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken, zou u nu van mij als onderzoeksrechter eisen, bij wijze van een eenzijdig verzoekschrift, om een woonstbetreding -eufemistisch woord voor een huiszoeking- te bevelen aan de politie.

Met andere woorden zou een ambtenaar van de Dienst vreemdelingenzaken, vertegenwoordiger van de uitvoerende macht, een onafhankelijk lid van de rechterlijke macht kunnen opvorderen voor een louter bestuurlijke aangelegenheid. Daarbij zou ik als opgevorderde onderzoeksrechter de opportuniteit van het gevraagde niet mogen beoordelen en zou enkel mogen nagaan of de in de wet voorziene voorwaarden zijn vervuld, zonder zelf eigen onderzoeksdaden te kunnen uitvoeren of te bevelen, en dit binnen de vijf dagen.

Heel deze constructie is een juridisch gedrocht met onoverkomelijke problemen die raken aan de scheiding van de machten en de rechtsstaat zelf. De uitgewerkte regeling zal hoogst waarschijnlijk de toets van het Grondwettelijk Hof en van de hoven en rechtbanken niet doorstaan, maar daar schijnen bepaalde politici zich niets van aan te trekken.

Een ambtenaar die een onderzoeksrechter opvordert, dat is ‘du jamais vu’. De verwijzingen naar andere beweerde gelijkaardige systemen uit het sociaal, fiscaal en omgevingsstrafrecht zijn absoluut niet relevant want in al die gevallen heeft de wetgever alle garanties voorzien uit de reguliere strafprocedures.

Eerlijk gezegd, dames Excellenties, een verzoekschrift dat in mijn onderzoekskabinet zou zijn gedeponeerd (onder welke formele modaliteiten?) door de DVZ, zou hoe dan ook geen prioritaire behandeling krijgen en zeker blijven liggen totdat alle andere dagelijkse strafrechtelijke dringende opdrachten zouden zijn verwerkt tijdens mijn dag- en nachtdiensten. Met veel inschikkelijkheid zou ik desgevallend dan het verzoekschrift punctueel kunnen overlopen en bij de minste twijfel en onduidelijkheid, terugsturen (onder welke modaliteiten?) naar de Dienst Vreemdelingenzaken, voor bijkomende toelichting. Zelf zou ik geen aanvullende onderzoeksdaden mogen verrichten en bijkomende informatie mogen opvragen aan de betrokken politiedienst, bij voorbeeld over de juiste identificatie van de op te sporen vreemdeling, over het beweerde gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid, over de andere bewoners van het pand, in het bijzonder over de vermoedelijke aanwezigheid van kinderen, over de te verwachten veiligheidsproblemen bij het binnendringen van de woning, over de mogelijke vluchtroutes uit de woning in naburige panden, over de te verwachten protesten in de wijk….enz.

Deze opgedrongen handelswijze is voor een onderzoeksrechter zo tegennatuurlijk en druist volledig in tegen alle bepalingen van het Wetboek van Strafvordering die de onafhankelijke functie omschrijven en regelen. Het wetsontwerp brengt de onderzoeksrechter in een onmogelijke situatie van oneigenlijk gebruik en instrumentaliseren van de rechterlijke functie.

Reeds in 2017 had het Grondwettelijk Hof een nieuwe bepaling (art. 28 septies) van het Wetboek van Strafvordering gedeeltelijk vernietigd, waarbij een ‘mini-onderzoek’ aan de onderzoeksrechter zou kunnen gevraagd worden door het Openbaar Ministerie, enkel om een huiszoeking te bekomen in een opsporingsonderzoek van het parket.

Deze bepaling werd door het Grondwettelijk Hof vernietigd op grond van de schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie en op grond van het doorbreken van de tegenspraak, en ook van het rechterlijk toezicht op deze ingrijpende dwangmaatregel, omdat de onderzoekstrechter werd ontzegd om zelf onderzoeksverrichtingen te bevelen en de burger geen enkele inspraak had in het verloop van het onderzoek door bijvoorbeeld om aanvullende onderzoeksverrichtingen te verzoeken.

Het Grondwettelijk Hof stelde dat vanwege de ernst van de erdoor teweeggebrachte inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en de onschendbaarheid van de woning, een huiszoeking, enkel kon toegelaten worden in het kader van een gerechtelijk onderzoek, waarbij de belanghebbenden beschikken over een georganiseerd recht om toegang tot het dossier en bijkomende onderzoekshandelingen  te vragen en waarbij is voorzien in een toezicht door de kamer van inbeschuldigingstelling  op de regelmatigheid van de procedure.

Het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet) geldt in beginsel ook voor vreemdelingen. Het verbod op discriminatie is van algemene aard en beschermt iedereen op het Belgisch grondgebied, ongeacht haar/zijn nationaliteit. Het Grondwettelijk Hof aanvaardt wel dat een andere behandeling op basis van iemands verblijfsstatuut mogelijk is, mits dit proportioneel is aan het doel van de wet. Maar bij woonstbetredingen worden ook de fundamentele rechten, zoals onder meer de onschendbaarheid van de woning van derden geschonden, van Belgen én buitenlanders, die desgevallend om humanitaire redenen onderdak verschaffen aan een persoon zonder verblijfsvergunning.

Voor het overige, dames ministers, sluit ik me volmondig aan bij de zeer talrijke kritische overwegingen die tijdens de parlementaire debatten reeds uitgebreid aanbod zijn gekomen na het aanhoren van veelvuldige getuigenissen van juridische en institutionele actoren en uit middenveldorganisaties. Tal van gemeenteraden uit alle regio’s van het land hebben zich ondertussen ook zeer kritisch uitgesproken over de geplande woonstbetredigen in eigen gemeenten.

De juridische bezwaren zijn dermate fundamenteel, dat de intrekking van het wetsontwerp de enige uitweg is. Dit betekent niet dat verder niet moet gestreefd worden naar een rechtvaardig asiel-en migratiebeleid, waar de samenleving achter staat, hierin begrepen een humaan terugkeerbeleid.

Met hoogachting,

 

Henri Heimans

De auteur is magistraat op rust. Hij won de Prijs voor de Mensenrechten 2015 (Nederlandstalige Liga).

Print Friendly and PDF
Als de zon ondergaat – Florian Illies

Als de zon ondergaat – Florian Illies