Teksten

What Happened to Liberal Democracy? – Daron Acemoglu

What Happened to Liberal Democracy? – Daron Acemoglu

Vrijheid mag geen privilege zijn

De liberale democratie verliest haar vanzelfsprekendheid. Niet door één grote schok, maar door een langzaam wegslijten van de sociale en economische fundamenten die haar decennialang droegen. De-industrialisatie, groeiende ongelijkheid en technologie die macht concentreert hebben de werkende klasse ontwricht en de coalitie ondermijnd die het liberale project ooit schraagde.

In de Verenigde Staten rekt de uitvoerende macht de grenzen van de rechtsstaat op, terwijl in Europa autoritaire partijen groeien die verkiezingen respecteren zolang die hun macht bevestigen, maar rechters, media en minderheden steevast als hinderpalen behandelen. Artificiële intelligentie dreigt macht en inkomen opnieuw naar een kleine bovenlaag te verschuiven. Burgers die zich economisch of cultureel verlaten voelen, zoeken houvast bij leiders die beloven de complexiteit weg te snijden en de wereld terug te brengen tot eenvoudige tegenstellingen.

De crisis is daardoor niet alleen institutioneel, maar ook alledaags. Stagnerende koopkracht, woningnood, dure energie en haperende publieke diensten maken onvrede tastbaar. Democratie wordt niet langer beoordeeld op abstracte, universele rechten, maar aan het loket, in de klas en op de woningmarkt. Daar, in die alledaagse frictie, taant het vertrouwen in de democratische instituties. Die verschuiving van het abstracte naar het alledaagse is precies de erosie die de Turks-Armeense econoom Daron Acemoglu wil begrijpen.

In zijn boek What Happened to Liberal Democracy? brengt Acemoglu geschiedenis, autopsie en herstelplan samen. Zijn hoofdgedachte: de liberale democratie was sterk zolang ze vrijheid verbond met gedeelde vooruitgang. Ze verloor haar draagvlak toen vrijheid het vocabulaire van winnaars werd en vooruitgang voor miljoenen burgers ophield een tastbare ervaring te zijn.

Vrijheid heeft sociale onderbouw nodig

Acemoglu, geboren in Istanbul en verbonden aan MIT, behoort tot de invloedrijkste economen ter wereld. Hij verklaart maatschappelijke uitkomsten niet uit voorkeuren of technische efficiëntie, maar uit macht: wie beslist, wie ontvangt de opbrengsten van groei, wie kan de regels veranderen en welke instellingen beletten dat elites de samenleving als wingewest behandelen.

Met de Brits-Amerikaanse econoom en politicoloog James A. Robinson bouwde hij een onderzoeksprogramma rond het onderscheid tussen inclusieve instellingen, die kansen en politieke invloed breed spreiden, en extractieve instellingen, die rijkdom en macht concentreren. In The Narrow Corridor (2020) voegden zij daaraan toe dat vrijheid ontstaat in een smalle zone waarin een begrensde staat en een mondige samenleving elkaar in evenwicht houden. In Power and Progress (2023) betogen zij dat technologische innovatie geen natuurkracht is, maar een keuze: technologie kan werknemers productiever maken, maar ook vervangen en de opbrengsten naar kapitaal sturen. AI is dus geen onvermijdelijk lot, maar een institutioneel vraagstuk.

In 2024 ontvingen Acemoglu, Robinson en Simon Johnson de Nobelprijs voor hun werk over instituties en welvaart. De officiële motivering benadrukte het zogeheten commitmentprobleem: burgers vertrouwen er niet op dat elites hervormingsbeloften zullen nakomen, waardoor verandering een machtsstrijd wordt. Die gedachte vormt de ruggengraat van Acemoglu’s analyse: democratie verzwakt wanneer instituties hun geloofwaardigheid verliezen en macht niet gebruikt wordt voor gedeelde welvaart, maar voor de machtselite zelf.

De waarde van de liberale democratie

Voor Acemoglu is de liberale democratie een ‘grote tent’ met duidelijke muren: de liberale democratie steunt in de kern op fundamentele rechten, bescherming tegen dwang, begrenzing van politieke én private macht, gelijkheid voor de wet en een geloof in vooruitgang.

Vrijheid is voor hem meer dan met rust gelaten worden. Wie geen degelijk onderwijs, bestaanszekerheid, stem op het werk of toegang tot publieke diensten heeft, bezit wel formele rechten maar weinig vermogen om het eigen leven vorm te geven. Daarmee nadert Acemoglu het idee van positieve vrijheid: echte vrijheid vergt middelen en mogelijkheden. Tegelijk sluit hij aan bij het republikeinse idee van vrijheid als niet-overheersing: vrij is wie niet is overgeleverd aan de willekeur van werkgever, monopolist, bureaucratie of politieke leider.

Democratie is geen machine die conflicten oplost, maar een praktijk van oordelen, overtuigen, onderhandelen en bijsturen. Precies daarom wordt ze getekend door spanningen die niet verdwijnen, maar telkens opnieuw moeten worden gedragen.

Blijvende dilemma’s van het liberalisme

Acemoglu benadrukt dat de liberale democratie geen ontwerp is dat conflicten wegneemt, maar een systeem dat spanningen moet kunnen verdragen. Die spanningen zijn geen fout, maar haar bestaansvoorwaarde. De paradox van tolerantie vormt de eerste grens: een vrije samenleving moet ruimte laten voor scherpe meningen, maar geen vrijbrief geven voor intimidatie, geweld of de ontmanteling van grondrechten. Tolerantie zonder grenzen is zelfdestructief; grenzen zonder tolerantie worden repressief.

Daarmee komt de spanning tussen individuele rechten en zelfbestuur op scherp te staan. Sociale en culturele gemeenschappen moeten ruimte krijgen om eigen normen te ontwikkelen. Maar autonomie mag niet ontaarden in sociale dwang. Burgers moeten de gemeenschap daadwerkelijk kunnen verlaten, niet alleen op papier.

Dat veronderstelt ook materiële vrijheid. Wie economisch afhankelijk is, geen betaalbare woning vindt of verstoken blijft van publieke diensten, kan moeilijk ontsnappen aan lokale machtsstructuren. Zo iemand is formeel vrij, maar in de praktijk onvrij. In de terminologie van Acemoglu valt hij buiten de smalle corridor: de staat is te zwak om burgers te beschermen, terwijl de gemeenschap te machtig is om afwijking te dulden. Vrijheid vereist daarom een stevige sociale infrastructuur, met een robuuste rechtsstaat, verplicht onderwijs, sociale zekerheid en een rechtvaardig belastingsysteem. Uit ‘de samenleving’ zelf kan niemand stappen. Net daarom moet ze de voorwaarden creëren om uit ‘een gemeenschap’ te kunnen treden.

Een derde spanning ligt tussen vooruitgang en pluralisme. Een liberale overheid mag burgers niet tot één verlicht ideaal willen kneden. Maar pluralisme ontslaat haar evenmin van de plicht in te grijpen wanneer tradities de ‘liberale tent’ van individuele vrijheid en gelijke rechten aantasten, bijvoorbeeld bij genitale verminking, gedwongen huwelijken of het weren van meisjes uit het onderwijs.

Daarnaast is er de onderschatte rol van private macht. Klassiek liberalisme wantrouwde de staat, maar vergat dat ondernemingen, monopolies en digitale platformen burgers evenzeer kunnen overheersen. Te veel staat maakt bureaucratie; te weinig staat maakt burgers weerloos.

Tot slot is er de verhouding tussen expertise en democratie. Moderne samenlevingen kunnen niet zonder deskundigen, maar expertise verleent kennis, geen mandaat. Technocratie wordt een statussysteem wanneer onzekerheid wordt verhuld; populisme wordt destructief wanneer elke expertise als bedrog wordt afgedaan.

Voor Acemoglu zijn dit geen problemen die verdwijnen, maar spanningen die de democratie vitaal houden zolang ze openlijk worden besproken en institutioneel begrensd.

Hoe het verbond met de werkende klasse brak

Acemoglu’s antwoord begint bij het naoorlogse industriële compromis. Massaproductie schiep niet alleen fabrieksbanen, maar ook gemeenschappen, vakbonden en sociale mobiliteit. Vooruitgang kreeg de vorm van een loonbrief, een woning, een beter opgeleide volgende generatie en een publieke dienst die werkte. Wie handenarbeid verrichtte, ontleende daaraan een erkende maatschappelijke positie.

Vanaf de jaren 1970 begon dat verbond te breken. Globalisering, automatisering en de-industrialisatie leverden wel groei op, maar de winsten werden ongelijk verdeeld. Productiviteit en lonen liepen uiteen. Fabriekssteden verloren hun economische anker. Goede banen voor mensen zonder hoger diploma verdwenen. Volgens The Washington Post komt Acemoglu’s analyse neer op een “zonde van nalatigheid”: toen globalisering en automatisering de band tussen productiviteit en lonen doorsneden, kozen liberale elites de kant van kapitaal en open markten, en reageerden ze onvoldoende op de sociale ontwrichting die volgde.

Daarbovenop kwam een culturele herschikking. Hoger opgeleiden werden talrijker, welvarender en politiek invloedrijker. Linkse partijen gingen spreken in de taal van diploma’s en culturele erkenning. Wat wegviel was niet alleen inkomen, maar ook status, zeggenschap en sociale verankering. De nieuwe breuklijn loopt daardoor tussen mensen met en zonder hogere opleiding, tussen metropolen en periferie, tussen mobiele professionals en plaatsgebonden burgers. Culturele conflicten worden giftiger wanneer een deel van de bevolking geen economische stem en geen respectabele plaats meer ervaart. Volgens Acemoglu kan de breuklijn verschuiven wanneer hoger geschoolden overbodig worden door AI-technologie, terwijl sommige handenarbeid en persoonlijke dienstverlening veel minder wordt aangetast.

Hier wordt Acemoglu controversieel. Hij verwijt progressieve elites dat zij ‘hun’ waarden van bovenaf opleggen: diversiteitsprogramma’s, administratieve taalvoorschriften en pogingen ongewenste opvattingen uit instellingen te weren. Dat noemt hij ‘social engineering’. Geïnspireerd door de antropoloog James C. Scott waarschuwt hij dat pogingen om een samenleving moreel “leesbaar” te maken pluraliteit kunnen vernietigen: de burger wordt niet langer medeauteur van verandering, maar het materiaal waarop verandering wordt uitgevoerd. Tegelijk benadrukt hij dat dit geen pleidooi is voor neutraliteit tegenover racisme of uitsluiting. Culturele vooruitgang moet voortkomen uit debat, overtuiging en gedeelde instemming – niet uit administratieve dwang. Daarom pleit hij voor nederigheid, inspraak en proportionaliteit. Alleen de kernelementen van de ‘liberale tent’ zijn voor hem universeel.

Gemeenschap wordt daarom opnieuw cruciaal. Niet als nostalgisch dorp, maar als sociale infrastructuur waarin vertrouwen, samenwerking en zelfbestuur worden geleerd. Gemeenschap draagt lokale kennis die centrale bestuurders missen, biedt burgers een concrete plaats van zelfbestuur en schept solidariteit die herverdeling mogelijk maakt. Acemoglu pleit voor pluralistische decentralisatie binnen liberale grenzen: meer lokale ruimte, maar onaantastbare basisrechten en een reëel uittredingsrecht, zeker als een gemeenschapscultuur te verstikkend is voor individuele ontplooiing. Experimenten met deliberatieve democratie, zoals de Ierse burgerassemblees, tonen volgens Acemoglu aan dat gewone burgers tot genuanceerdere oordelen kunnen komen dan het dagelijkse partijpolitieke spektakel suggereert.

Op zoek naar een nieuw progressief verbond

In de politieke filosofie beweegt Acemoglu tussen de ‘liberale’ John Rawls en de ‘communautarian’ Michael Sandel. Van Rawls neemt hij gelijke basisvrijheden en eerlijke kansen. Van republikeinen als Philip Pettit het idee van vrijheid als niet-overheersing. Van communitaristen als Sandel en Walzer het inzicht dat individuen ingebed zijn in sociale verbanden. Maar hij wordt geen orthodox communitarist: gemeenschappen kunnen solidariteit voortbrengen, maar ook een kooi van normen. Daarom houdt hij vast aan individuele rechten, pluralisme en uittredingsrecht. Zijn pad is institutioneel en experimenteel. Hij verrijkt het liberale gedachtengoed met een milde vorm van communautarisme.

Zijn alternatief – hoewel al bij al zwak uitgewerkt – heet working-class liberalism: een liberalisme dat zijn prioriteiten opnieuw bepaalt vanuit de positie van de werkende klasse en burgers met weinig economische en culturele macht. Het programma rust op meer lokaal zelfbestuur, sterke burgerorganisaties, publieke diensten die aansluiten bij wat gemeenschappen nodig hebben, een ‘werknemersvriendelijke AI’ en een economie die opnieuw waardige banen en gedeelde welvaart centraal zet. Dat vraagt sterkere arbeidsinstellingen, investeringen in beroepsvorming, concurrentiebeleid tegen digitale monopolies en een belastingstelsel dat automatisering niet bevoordeelt boven menselijke arbeid. Technologie moet werknemers versterken, niet vervangen. Een uitkering verzacht inkomensverlies, maar vervangt geen waardig werk, zeggenschap of maatschappelijke bijdrage.

De botsing met de neoliberale orthodoxie

The Economist viel Acemoglu afgelopen zomer opvallend hard aan, met een kritiek die ten dele methodologisch maar vooral ideologisch was. Het blad verwijt hem dat hij technologische ontwikkeling te sterk politiseert en dat zijn analyse van globalisering en automatisering te interventionistisch is, alsof hij een breuk wil forceren met de vanzelfsprekendheid van marktgestuurde modernisering.

Volgens de redactie schuift Acemoglu richting een agenda die de rol van technocratische elites relativeert en markten niet langer als neutrale krachten beschouwt, wat haaks staat op het wereldbeeld dat The Economist al decennialang verdedigt. Daardoor klonk de aanval minder als een open debat dan als een reflex ter bescherming van een neoliberale orthodoxie die geen politieke sturing van technologie en kapitaal duldt.

De hoofdvraag

Acemoglu stelt de juiste hoofdvraag: kan een liberale democratie standhouden wanneer een groeiend deel van haar burgers vrijheid ervaart als het privilege van anderen? Waarschijnlijk niet. Democratie blijft alleen geloofwaardig wanneer ze toont dat macht kan worden begrensd, dat vooruitgang gedeeld wordt en dat verschil niet wordt weggezet als bedreiging maar wordt verdragen als onderdeel van het politieke leven. Ze is geen erfenis die men bewaart, maar een belofte die telkens opnieuw moet worden waargemaakt.

De vergelijking met de econome Mariana Mazzucato is verhelderend. Zij benadrukt de ondernemende staat die ‘missie-gedreven’ richting geeft, risico draagt en opbrengsten deelt. Acemoglu benadrukt ook gedeelde welvaart, maar legt meer klemtoon op gemeenschap, tegenmacht en waardig werk. Samen leveren zij een geloofwaardige agenda voor een nieuw progressief liberaal reveil: Mazzucato biedt de verticale dimensie van publiek organisatievermogen en richting, Acemoglu de horizontale van gemeenschap en pluralisme.

Acemoglu verrijkt het liberalisme door individuele vrijheid te koppelen aan zelfbestuur en aan een milde, pluralistische vorm van gemeenschapsdenken die niet verstikt in normen, maar ruimte schept voor mogelijkheden en wederkerigheid.

 

Recensie door Dirk Diels

De auteur is redacteur bij het nieuwsplatform Flows en voormalig directeur Ondernemen en innovatie, stad Antwerpen

Print Friendly and PDF
De regering gaat uit van een verkeerde diagnose – Paul De Grauwe

De regering gaat uit van een verkeerde diagnose – Paul De Grauwe