Niet de belastingbetaler verdient een dieet, de overheid wel – Rudy Aernoudt
Professor Paul De Grauwe (Liberales 20/10/2026) vindt dat de regering de verkeerde diagnose stelt. Het begrotingsprobleem zit volgens hem vooral bij dalende ontvangsten, niet bij stijgende uitgaven. Dus moeten de inkomsten opnieuw omhoog. Het klinkt wetenschappelijk. Maar achter die redenering schuilt een politieke keuze: het uitgavenpeil van de overheid wordt als verworven beschouwd. De belastingbetaler moet zich maar aanpassen. Hoe etatist en antiliberaal kan een mens zijn?
Want waarom zou een overheid die uitzonderlijk veel uitgeeft niet eerst haar uitgaven aanpassen, voordat ze opnieuw bij burgers en ondernemingen aanklopt? Waarom heet minder belasting automatisch een inkomstenprobleem, maar meer overheid zelden een uitgavenprobleem?
Een obese overheid
De cijfers zijn gekend. In 2025 bedroegen de Belgische overheidsuitgaven 54,2% van het bbp. De ontvangsten kwamen uit op 49%. Het tekort bedroeg 33,2 miljard euro. België organiseerde dus overheidsuitgaven ter waarde van ruim de helft van zijn jaarlijkse economie, inde ontvangsten ter waarde van bijna de helft en kwam nog altijd tientallen miljarden tekort. Dat is geen overtuigende reclame voor de goed beheerde staat. Bovendien steeg de uitgavenquote van 52,5% in 2022 naar 54,2% in 2025. De ontvangstenquote lag in 2025 met 49% zelfs iets hoger dan de 48,9% van 2022. Niet elke periode vertelt dus het verhaal van wegsmeltende inkomsten en stilstaande uitgaven.
Maar laat ons de vaststelling van De Grauwe zelfs aanvaarden: over een bepaalde periode daalden de ontvangsten als percentage van het bbp. Maar ook een daling van de inkomsten is nog geen argument voor een verhoging van de belastingen. Hier verwart De Grauwe het verschil tussen een boekhoudkundige vaststelling en een politieke keuze.
Je kunt een tekort verklaren door minder inkomsten. Je kunt het oplossen door minder uitgaven. Zeker wanneer je al met een uitzonderlijk hoog uitgavenpeil begint. De Nationale Bank maakt precies dat onderscheid. Haar recente analyse schrijft de verslechtering van het primaire saldo tussen 2016 en 2025 toe aan zowel lagere ontvangsten omgerekend 12 miljard euro – als hogere uitgaven exclusief rente – 9 miljard euro. Ze benadrukt bovendien dat ook het oorspronkelijke niveau van ontvangsten en uitgaven belangrijk is voor de beoordeling van het beleid. De ontvangsten zijn dus niet de enige bewegende variabele
En de uitgaven zijn geen natuurwet. De kernvraag is niet of de overheid vroeger een groter deel van de economie naar zich toetrok. De kernvraag is hoeveel overheid deze economie kan dragen, en wat ze daarvoor terugkrijgt. En daarover zijn de meeste studies het eens: de Belg krijgt geen kwaliteit voor zijn belastinggeld. No value for public money.
Benchmarken
Vergelijken we even met onze buur Nederland. In 2025 bedroegen de overheidsuitgaven daar 44,9% van het bbp, tegenover 54,2% in België. Een verschil van 9,3 procentpunt. Toegepast op het Belgische bbp komt dat neer op ongeveer 60 miljard euro per jaar. Dat is geen bewijs dat we morgen probleemloos 60 miljard kunnen schrappen. Verschillen in financiering en organisatie van onze Staat spelen mee. Maar het is wel een bijzonder ongemakkelijke orde van grootte voor wie de discussie vooral aan de inkomstenkant wil voeren. Trouwens, als ik Nederland zou vervangen door Zwitserland, is het respectieve cijfer 135 miljard.
Ook tegenover de eurozone valt België op. Die besteedde in 2025 gemiddeld 49,8% van het bbp via de overheid. België zat daar 4,4 procentpunt boven. Onze ontvangsten lagen eveneens boven het eurozonegemiddelde: 49% tegenover 46,9%. We ontvangen dus méér, maar geven nog veel méér uit. Wie dan vooral een ontvangstentekort ziet, kijkt wel erg selectief naar de rekening. De overheid kan groei mogelijk maken. Ze kan haar ook verstikken. Een goede overheid levert rechtszekerheid, onderwijs, infrastructuur en veiligheid. Maar daaruit volgt niet dat iedere extra overheidseuro de economie sterker maakt. De vier landen in Europa met het grootste overheidsbeslag noteerden als énige in Europa allen een nulgroei in het vorig kwartaal. Toevallig?
De OESO stelt uitdrukkelijk dat de Belgische belastingstructuur zwaar op arbeid leunt en daarmee groei, werkgelegenheid en budgettaire houdbaarheid schaadt. Ze beveelt gerichte lastenverlagingen op arbeid aan. Voor de begrotingssanering pleit ze vooral voor het aanpakken van ineffectieve uitgaven, juist omdat de belastingdruk al hoog is.
Dat is de ongemakkelijke wisselwerking: hoge uitgaven vragen financiering, terwijl de manier waarop België die financiering organiseert werken en ondernemen afremt. Vervolgens moet dezelfde zwaar belaste economie voldoende groeien om de volgende uitgavenronde te betalen. De oplossing is niet blind hakken in alles wat publiek is. Wel ophouden iedere bestaande uitgave te behandelen alsof ze onmisbaar is. Bescherm wat groei mogelijk maakt. Schrap wat vooral zichzelf in stand houdt.
Lagere belastingen is niet zelfde als lagere inkomsten
Een lager tarief is niet hetzelfde als een lagere opbrengst. Ook De Grauwes’ aanval op de vennootschapsbelasting verdient meer precisie. Hij verbindt de daling van de tarieven aan de terugval van de ontvangsten. Maar de Nationale Bank stelt voor 2016–2025 vast dat de federale inkomsten uit vennootschapsbelasting juist stegen en de daling van andere belastingontvangsten gedeeltelijk compenseerden. Ze verwijst daarbij onder meer naar de groei van bedrijfswinsten tegenover het bbp.
Dat bewijst niet dat een belastingverlaging zichzelf terugverdient. Het bewijst wel dat een tarief geen opbrengst is. Het kan zelfs het tegendeel zijn in een overbelaste economie, zoals Arthur Laffer het aantoonde. Wie het begrotingsprobleem wil verklaren, moet de ontvangsten onderzoeken, niet alleen de percentages op het aanslagbiljet. Evenmin bewijst een vergelijking tussen de economische groei vóór en na 2000 dat lagere winstbelastingen niet werken. Twee tijdvakken naast elkaar zetten, zonder andere verklaringen uit te sluiten, is geen oorzakelijke analyse. Het is een vergelijking met een conclusie die er niet vanzelf uit volgt.
Fiscale achterpoortjes sluiten? Graag. Arbeid en andere inkomens coherenter belasten? Zeker. Maar fiscale vereenvoudiging mag geen alibi worden om een te dure overheid buiten schot te houden. België heeft geen recht op een eeuwig stijgende factuur voor zijn belastingbetalers. Het heeft een plicht om zijn ambities met zijn middelen te verzoenen.
Dalende ontvangsten zijn geen vrijgeleide voor stijgende tekorten. Ze zijn een opdracht om keuzes te maken. Het probleem is niet alleen dat ontvangsten dalen. Het is dat de uitgaven weigeren te volgen. De verkeerde diagnose, professor, is niet dat de overheid te weinig krijgt. Het is dat we haar omvang blijven verwarren met haar waarde.
Rudy Aernoudt
De auteur is gastprofessor economie aan de Universiteit Gent


