Teksten

Michael Walzer over de grenzen van een rechtvaardige oorlog – Dirk Diels

Michael Walzer over de grenzen van een rechtvaardige oorlog – Dirk Diels

Er zijn weinig intellectuele momenten zo zeldzaam als die waarop een invloedrijke denker publiek erkent dat zijn eigen begrippenkader tekortschiet. Toch is dat precies wat zich aftekent bij Michael Walzer, een van de belangrijkste politieke filosofen van de voorbije halve eeuw en grondlegger van het denken over rechtvaardige oorlog.

Zijn zelfkritiek staat niet los van de actualiteit in Israël. Enkele dagen voor de Israëlische parlementsverkiezingen van dinsdag 27 oktober heeft ook Lahav Shani, chef-dirigent van de Münchner Philharmoniker en muziekdirecteur van het Israel Philharmonic Orchestra, zich ongewoon expliciet uitgesproken.

De Israëlische dirigent, die vorig jaar in ons land centraal stond in een fel debat over culturele boycot, roept zijn land op tot politieke verantwoordelijkheid, menselijkheid en mededogen. De leiders die tijdens de Hamas-aanval van 7 oktober 2023 aan de macht waren, moeten volgens hem rekenschap afleggen voor hun falen. Tegelijk vraagt hij empathie voor zowel de Israëlische slachtoffers van Hamas als de Palestijnse burgerbevolking in Gaza. Zonder wederzijds mededogen, zo waarschuwt hij, blijft een duurzame oplossing buiten bereik.

Precies daar raken Shani's woorden aan een debat dat al geruime tijd woedt binnen de politieke filosofie. Wanneer verandert zelfverdediging in iets anders? Wanneer houdt een rechtvaardige oorlog op rechtvaardig te zijn? Die vragen staan centraal in een recent portret van de Joodse filosoof Michael Walzer door de Catalaanse journalist Jordi Graupera in The New Yorker. Op zijn negentigste keert Walzer daarin terug naar het probleem dat zijn levenswerk heeft bepaald: kan een oorlog die gerechtvaardigd begon gaandeweg haar morele legitimiteit verliezen?

Nu Israël opnieuw naar de stembus trekt, gaat het niet alleen over politieke machtsverhoudingen. Ook de verantwoordelijkheid voor 7 oktober, de oorlog in Gaza, de verhouding tot de Palestijnse bevolking en de morele koers van de staat zelf staan mee ter beoordeling van de kiezer.

Walzers heroverweging reikt daardoor veel verder dan het filosofische debat. Ze raakt rechtstreeks aan de politieke en morele keuze waarvoor de Israëlische samenleving staat. Hij stelt niet alleen het beleid van de Israëlische regering ter discussie. Hij onderzoekt ook de grenzen van een onderscheid dat hij zelf hielp verankeren in het moderne denken over oorlog: dat tussen de rechtvaardigheid van een oorlog en de rechtvaardigheid van de manier waarop die oorlog wordt gevoerd.

Waar Shani spreekt vanuit de publieke verantwoordelijkheid van de kunstenaar, benadert Walzer dezelfde morele crisis vanuit de politieke filosofie. Beiden weigeren de terreur van Hamas en het lijden van Palestijnse burgers tegen elkaar uit te spelen. Wat op het eerste gezicht een technisch filosofisch debat lijkt, raakt zo aan een fundamentele vraag. Kan een oorlog die gerechtvaardigd begon onderweg haar morele legitimiteit verliezen? En welke politieke verantwoordelijkheid volgt daaruit voor een samenleving die niet alleen een nieuwe regering kiest, maar ook de morele richting van haar toekomst bepaalt?

De man die oorlog leerde beoordelen

Michael Walzer wordt doorgaans gerekend tot het communitarisme, een stroming die zich afzet tegen het idee dat rechtvaardigheid volledig kan worden afgeleid uit abstracte, universele principes. Waar denkers als John Rawls vertrekken vanuit hypothetische denksituaties en algemeen geldende beginselen, vertrekt Walzer vanuit de morele overtuigingen, tradities en praktijken van bestaande politieke gemeenschappen. Volgens hem ontstaat rechtvaardigheid niet in een vacuüm, maar in de concrete wereld waarin mensen samenleven.

Die visie werkte hij uit in Spheres of Justice uit 1983. Daarin verdedigt hij het idee van "complexe gelijkheid": verschillende maatschappelijke goederen hebben elk hun eigen sociale betekenis en behoren daarom volgens verschillende criteria te worden verdeeld. Politieke macht, onderwijs, gezondheidszorg, publieke functies en sociale erkenning maken deel uit van onderscheiden sferen. Wie in één sfeer een voordeel bezit, mag dat niet vanzelfsprekend kunnen omzetten in overheersing binnen andere sferen.

Gezondheidszorg behoort bijvoorbeeld in de eerste plaats volgens behoefte te worden verdeeld, politieke macht via democratische procedures en publieke functies op grond van relevante bekwaamheid. Volgens Walzer ontstaat onrecht wanneer één goed – bij uitstek geld – de grenzen tussen die sferen doorbreekt en toegang verschaft tot goederen die volgens andere beginselen verdeeld horen te worden. Wie rijk is, mag daarom niet automatisch meer politieke invloed, gunstigere rechtspraak of betere toegang tot noodzakelijke zorg kunnen kopen. Complexe gelijkheid betekent dus niet dat iedereen precies hetzelfde bezit, maar dat geen enkel maatschappelijk voordeel alle andere levensdomeinen mag beheersen.

Toch dankt Walzer zijn internationale reputatie vooral aan Just and Unjust Wars uit 1977. Dat boek bracht de eeuwenoude traditie van de rechtvaardige oorlog opnieuw naar het centrum van het politieke denken en werd verplichte lectuur voor militairen, diplomaten, juristen en beleidsmakers.

De kern van zijn theorie is een onderscheid tussen twee afzonderlijke vragen. De eerste luidt of het gerechtvaardigd is een oorlog te beginnen, het jus ad bellum. De tweede betreft de manier waarop die oorlog wordt gevoerd, het jus in bello. Een staat kan volgens Walzer een legitieme reden hebben om naar de wapens te grijpen, bijvoorbeeld uit zelfverdediging tegen agressie, maar tijdens diezelfde oorlog toch ernstige oorlogsmisdaden begaan. Bovendien blijven strijders aan beide zijden gebonden aan dezelfde regels voor het voeren van de oorlog, ook wanneer de doelen waarvoor zij vechten moreel ongelijkwaardig zijn. Een rechtvaardige zaak verleent geen vrijbrief voor willekeurig geweld.

Walzers belangstelling voor oorlog en zelfverdediging was nooit louter academisch. Als zionist verdedigde hij consequent Israëls bestaansrecht als democratische en nationale thuishaven voor het Joodse volk. Tegelijk behoorde hij altijd tot de critici van het Israëlische beleid wanneer dat volgens hem morele grenzen overschreed. Juist daardoor klinkt zijn huidige kritiek op de oorlog in Gaza anders dan die van tegenstanders van het zionistische project zelf. Ze komt van iemand die zich altijd met Israël verbonden heeft gevoeld. Zijn twijfel vloeit niet voort uit een afwijzing van het zionisme, maar uit de vraag welke morele grenzen een democratische staat ook in oorlogstijd moet respecteren.

Gaza als intellectueel keerpunt

De oorlog in Gaza heeft Walzers vertrouwde denkkader onder druk gezet. Dat wordt duidelijk in de profielschets die Jordi Graupera recent voor The New Yorker schreef. Walzer blijft erbij dat de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 een daad van agressie was die Israël het recht gaf zich te verdedigen. Op dat punt is zijn oordeel niet veranderd. In zijn analyse begon de oorlog als een klassiek geval van legitieme zelfverdediging. Zijn twijfels ontstonden later, naarmate de militaire campagne vorderde. De schaal van de verwoesting, het hoge aantal burgerslachtoffers en de humanitaire gevolgen maakten het voor hem steeds moeilijker de oorlog te beoordelen binnen de vertrouwde categorieën van proportionaliteit en onderscheid tussen burgers en strijders.

Walzer maakt daarom een onderscheid tussen twee fasen, of zelfs tussen "twee oorlogen": een aanvankelijk gerechtvaardigde strijd tegen Hamas en een latere campagne die volgens hem steeds meer in het teken kwam te staan van de controle over Gaza en de verdrijving van Palestijnen. Volgens sommige waarnemers raakt die evolutie aan wat zij omschrijven als etnische zuivering. Ook voormalig Israëlisch minister van Defensie Moshe Ya'alon heeft die kwalificatie gebruikt, al wordt zij door de Israëlische regering resoluut verworpen.

Een beslissend kantelpunt lag voor Walzer aan de onderhandelingstafel. Toen er volgens hem een geloofwaardige politieke route ontstond om zowel Hamas te verzwakken als gijzelaars vrij te krijgen, veranderde de morele situatie fundamenteel. Vanaf het moment dat zo'n alternatief beschikbaar was, verloor de voortzetting van de oorlog volgens hem haar rechtvaardiging.

Zelfverdediging kan een oorlog dus rechtvaardigen, maar niet onbeperkt. De noodzaak van militair geweld moet tijdens het conflict telkens opnieuw worden beoordeeld. Een oorlog blijft niet gerechtvaardigd louter omdat hij ooit om een gerechtvaardigde reden begon.

In de aanloop naar de verkiezingen krijgt dat argument politieke urgentie. Als er geloofwaardige alternatieven bestaan voor een voortgezette militaire campagne, dan moet ook de keuze om die alternatieven al dan niet te benutten democratisch worden beoordeeld. De verantwoordelijkheid waar Shani om vraagt, betreft bijgevolg niet alleen het falen dat 7 oktober mogelijk maakte, maar ook de beslissingen die daarna zijn genomen.

Wanneer verandert de oorlog zelf?

Het opmerkelijke aan Walzers nieuwe redenering is dat hij niet langer volstaat met de vaststelling dat een op zichzelf rechtvaardige oorlog verkeerd wordt gevoerd. Dat zou passen binnen zijn klassieke onderscheid tussen jus ad bellum en jus in bello. Zijn punt gaat verder: de wijze waarop een oorlog wordt gevoerd, kan uiteindelijk de morele aard van die oorlog zelf veranderen. De onderliggende vraag luidt dan: wanneer houdt een aanvankelijk rechtvaardige oorlog op rechtvaardig te zijn?

Om dat inzicht te verduidelijken verwijst Walzer naar Hiroshima en Nagasaki. Lange tijd beschouwde hij de Amerikaanse atoombombardementen als schendingen van het jus in bello binnen een verder rechtvaardige oorlog tegen Japan. Vandaag vraagt hij zich af of sommige schendingen niet zo ingrijpend zijn dat ze de oorlog als geheel onrechtvaardig maken. Ze gaan dan, in zijn woorden, verder dan een oorlogsmisdaad.

Dat is een subtiele maar belangrijke verschuiving. De scheiding tussen een rechtvaardige zaak en een onrechtvaardige uitvoering blijkt minder absoluut dan Walzer lange tijd veronderstelde. Wanneer de grootschalige vernietiging van de burgerbevolking het conflict gaat definiëren, wanneer politieke alternatieven bewust worden afgewezen en wanneer het beroep op zelfverdediging een rechtvaardiging dreigt te worden voor onbeperkte verwoesting, wordt het moeilijk de oorspronkelijke rechtvaardigheid van de oorlog onaangetast te laten.

Opvallend is dat Walzer die nieuwe positie niet presenteert als een afgeronde theorie. Integendeel, hij erkent dat hij nog geen sluitende conceptuele verklaring heeft voor wat hij ziet gebeuren. Hij formuleert minder een nieuwe doctrine dan dat hij de grenzen van zijn bestaande begrippenkader verkent. Voor een denker die een leven lang heeft gebouwd aan precieze morele onderscheidingen, is dat een uitzonderlijke bekentenis. Waar publieke intellectuelen de werkelijkheid soms aan hun theorie proberen aan te passen, laat Walzer zijn theorie door de werkelijkheid corrigeren.

In die houding bestaat een opvallende verwantschap met Shani's oproep. Ook de dirigent spreekt niet vanuit politieke onverschilligheid of afstand tot Israël, maar juist vanuit verbondenheid met zijn land. Walzer en Shani laten zien dat solidariteit niet hetzelfde is als kritiekloosheid. Integendeel: wie zich werkelijk met een politieke gemeenschap verbonden voelt, kan zich verplicht zien haar leiders ter verantwoording te roepen en ook het leed te erkennen van mensen buiten die gemeenschap.

De ontbrekende vrede

Walzers twijfel raakt mogelijk ook aan een derde dimensie van de rechtvaardige oorlog: het jus post bellum, de rechtvaardigheid van de politieke orde die na de strijd moet ontstaan. Zijn klassieke onderscheid tussen jus ad bellum en jus in bello draait om twee vragen: waarom begint men een oorlog en hoe voert men die?

Gaza voegt daar een derde vraag aan toe: welke vrede moet deze oorlog voortbrengen? Welke toekomst wordt voor Gaza nagestreefd? Hoe moet de wederopbouw eruitzien? En kan de beoogde politieke uitkomst de menselijke kost van de oorlog verantwoorden? Walzer werkt die dimensie zelf nog niet uit tot een nieuwe theorie, maar zijn heroverweging kan wel vanuit dat perspectief worden gelezen. Naarmate de oorlog voortduurde, werd steeds minder duidelijk welke politieke toekomst Israël voor Gaza voor ogen had. Een oorlog zonder geloofwaardig politiek eindpunt dreigt niet alleen disproportioneel, maar ook moreel stuurloos te worden. De vraag is dan niet alleen hoe men oorlog voert, maar ook welke vrede men ermee dichterbij brengt.

Daarom zijn de Israëlische verkiezingen meer dan een oordeel over personen en partijen. Ze zijn ook een keuze tussen verschillende opvattingen over verantwoordelijkheid, veiligheid en samenleven. Shani's pleidooi voor gelijkwaardigheid, moed en mededogen herinnert eraan dat geen duurzame politieke orde kan ontstaan wanneer het lijden van de ene bevolking alleen zichtbaar wordt gemaakt door dat van de andere te ontkennen.

Daar raken Shani's morele intuïtie en Walzers politieke filosofie elkaar. Beiden vertrekken van de overtuiging dat veiligheid haar morele betekenis verliest wanneer zij ieder perspectief op een rechtvaardige en duurzame vrede verdringt. Walzer is geen pacifist. Hij erkent Israëls recht op zelfverdediging, maar houdt tegelijk vol dat een oorlog zijn morele legitimiteit kan verspelen zodra de menselijke kost blijft stijgen en geloofwaardige alternatieven voorhanden zijn. Juist daarom is zijn intellectuele evolutie zo opmerkelijk. Niet eenvoudigweg omdat hij van mening verandert, maar omdat hij bereid is de grondbegrippen van zijn eigen theorie te herzien wanneer de werkelijkheid daarom vraagt.

Nu de Israëli's zich uitspreken over de toekomst van hun land, krijgt die intellectuele bescheidenheid een bredere politieke betekenis. De moed om verantwoordelijkheid te eisen, zoals Shani doet, en de moed om vertrouwde overtuigingen opnieuw te onderzoeken, zoals Walzer doet, behoren uiteindelijk tot dezelfde democratische deugd. Misschien is dat wel de waardevolste erfenis van Michael Walzer: niet dat hij op zijn negentigste nog altijd antwoorden formuleert, maar dat hij vragen blijft stellen bij zijn eigen antwoorden.

 

Dirk Diels

De auteur is redacteur bij het nieuwsplatform Flows en voormalig directeur Ondernemen en innovatie, stad Antwerpen

Print Friendly and PDF
Eerst bang voor betogers, dan bang om te betogen – Eva Vanhoorne

Eerst bang voor betogers, dan bang om te betogen – Eva Vanhoorne

Dit is AI. De valse belofte van kunstmatige intelligentie – Ilyaz Nasrullah

Dit is AI. De valse belofte van kunstmatige intelligentie – Ilyaz Nasrullah