Waarom Europa moet kiezen voor competitiviteit morgen en niet vandaag – Paul De Grauwe
Een nieuwe energiecrisis dreigt. De oorlog in het Midden-Oosten heeft al tot sterke stijgingen geleid in de prijs van olie en gas. En het kan nog erger als die oorlog niet snel wordt beëindigd.
De toenemende energieprijzen worden vandaag door de vertegenwoordigers van traditionele industrieën (ik denk aan de chemische industrie) aangewend om milieumaatregelen af te zwakken of zelfs af te schaffen. Vooral het ETS-systeem ligt onder vuur. Dit systeem verplicht de energie-intensieve zware industrie om dure uitstootrechten te kopen. Dat geeft sterke prikkels om minder CO2 uit te stoten en is een kernelement in de strijd tegen de opwarming van de aarde.
Maar dat zint de zware industrie niet. Die wil het ETS-systeem in de prullenmand. De argumentatie is gekend: milieumaatregelen en in het bijzonder het ETS-systeem moeten verdwijnen of ten minste afgezwakt worden, want die maatregelen verhogen de productiekosten. Juist op een moment dat de energiekosten uit de pan schieten. We kunnen ons die kosten niet veroorloven, want de andere landen buiten Europa rekenen die kosten niet aan en als we dat wel doen, dan verdwijnt de industrie in Europa en in België. We moeten dus kiezen voor competitiviteit of milieu. Kiezen we voor dat laatste, dan verdwijnt de industrie.
Nieuwe opportuniteit
Dit is een foute tegenstelling. De tegenstelling is niet competitiviteit of milieu, wel competitiviteit vandaag of competitiviteit morgen. Milieumaatregelen zoals het ETS verhogen de kosten van die bedrijven die veel CO2 uitstoten. Die maatregelen zorgen er wel voor dat veel creatieve ondernemers in België en in Europa zoeken naar alternatieve productiemethoden die geen of minder gebruik maken van fossiele brandstoffen en/of nieuwe producten die weinig energie-intensief zijn. Die zoektocht leidt tot een nieuwe meer duurzame industrie.
Precies het feit dat andere landen, en in het bijzonder de VS, vandaag milieumaatregelen terugschroeven en hun industrie meer afhankelijk maken van fossiele brandstoffen creëert een nieuwe opportuniteit voor Europa. Door het ETS-systeem aan te houden creëren we een technologische voorsprong op rivalen die het niet nauw nemen met de opwarming van de aarde, en ontwikkelen we productiemethoden en producten die in de toekomst onze industrie duurzamer en dus ook competitiever zullen maken. De VS daarentegen blijven ter plaatse trappelen op het vlak van groene productiemethoden en producten, en zullen in de toekomst een massaal verlies aan competitiviteit kennen.
De keuze is dus tussen competitiviteit op korte of op lange termijn. De VS kiezen om op korte termijn competitiever te zijn ten koste van de lange termijn. Wij moeten het omgekeerde doen: kiezen voor competitiviteit op lange termijn.
Die keuze zal een deel van de industrie, vooral de energieverslindende chemische sector, onder druk zetten. Een deel daarvan zal moeten verdwijnen. Maar het is zinloos die overeind te houden door energie te gaan subsidiëren en het ETS-systeem af te bouwen. Dit zal slechts een uitstel van executie zijn.
Afhankelijk
De energieverslindende chemische sector is gedoemd, maar de rest van de industrie is dat helemaal niet. Als we die oude industrie laten afvloeien komen er middelen vrij (kapitaal, mensen) om nieuwe dingen te gaan doen. Dat hebben we in het verleden ook al gedaan. Denk aan de automobielindustrie: die is haast volledig verdwenen in België maar tegelijk is de industriële productie sterk toegenomen. Als we vasthouden aan die oude industrie zoals Wallonië in de vorige eeuw, dan komen de middelen niet vrij en wordt het gewoon moeilijker om nieuwe dingen te doen.
De verdedigers van de oude energie-intensieve industrieën beroepen zich op een vermeend strategisch karakter van die sectoren. We moeten de chemische sector hier houden om onze economische onafhankelijkheid te behouden. Iedereen die een beetje hersenen in zijn hoofd heeft, ziet onmiddellijk dat dit argument voor de chemische sector helemaal niet opgaat. Er is waarschijnlijk geen sector in België die meer afhankelijk is van het buitenland voor zijn energie dan die sector. En die afhankelijkheid is bovendien geconcentreerd in enkele, meestal onbetrouwbare landen. Het afbouwen van de chemische sector in het Antwerpse zal ons onafhankelijker maken.
De oude energie-intensieve industrieën zijn veroordeeld. In het verleden was dat de staalindustrie in Wallonië. Vandaag is dat de chemische industrie rond Antwerpen. Die oude industrieën hebben echter politieke macht opgebouwd en proberen de executie uit te stellen ten koste van onze toekomstige welvaart.
Paul De Grauwe
De auteur is professor economie aan de London School of Economics. Deze column verscheen eerst in De Morgen.


