Een zoektocht naar menselijkheid (Deel II) – Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman

Een zoektocht naar menselijkheid (Deel II) – Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman

Er zijn boeken die je informeren en boeken die je doen denken. Zelden is er een dat beide tegelijk doet met zoveel verve, eruditie en openhartigheid als dit tweede deel van het gesprek tussen Dirk Verhofstadt en Johan Braeckman. Vijf jaar na hun eerste zoektocht naar menselijkheid pakken de twee opnieuw uit met een ambitieuze dialoog over vijf thema's die de kern raken van wat het betekent om mens te zijn: taal, geweld, maakbaarheid, vrije wil en zingeving. Het resultaat is een uitzonderlijk rijkgevuld boek dat je als lezer meeneemt van de bijendans over de neanderthaler, Don Quichot, Spinoza, de Holocaust tot het concept bullshit jobs. Verhofstadt is de betrokken intellectueel die vragen stelt vanuit oprechte verwondering en soms expliciete stellingname. Braeckman is de filosoof en wetenschapper die systematisch nuanceert, verdiept en af en toe provoceert. Dat contrast tussen de twee gesprekspartners is bij momenten zeker de motor van het boek. En al zijn ze het lang niet altijd eens, de toon blijft vriendelijk.

Het openingshoofdstuk over taal zet meteen de toon. Braeckman begint met een schijnbaar simpele vraag: hadden Lucy en haar soortgenoten al taal? Hij ontvouwt van daaruit een gelaagd exposé over de evolutie van het menselijk talig vermogen. Centraal staat de stelling dat natuurlijke taal, zoals wij die kennen, veel meer is dan een communicatiemiddel: het is de levenskracht van het menselijke bestaan. De bijentaal biedt een fascinerende vergelijking. Bijen communiceren via een verbluffend nauwkeurig danspatroon waarmee verkenners de locatie en kwaliteit van voedsel doorgeven. Zo codeert de richting van de waggelronde de hoek ten opzichte van de zon, de duur de afstand. Toch, zo betoogt Braeckman, is de bijentaal geen natuurlijke taal. Wat ontbreekt, is het creatieve: de bijendans brengt informatie over, maar kan niet reflecteren op zichzelf, geen metaforen hanteren, geen grappen maken.

Dat brengt ons naar een andere interessante passage in dit hoofdstuk: de bespreking van de neanderthaler en diens taalvermogen. Het aloude beeld van de neanderthaler als het ‘domme neefje’ van Homo sapiens is de voorbije tien jaar grondig bijgesteld. Men gaat er nu van uit dat neanderthalers wel degelijk een vorm van natuurlijke taal hadden: ze konden zinnen construeren, hadden vocale vermogens, al klonken ze waarschijnlijk nasaler dan wij. Maar wat ze misten, was cognitieve fluïditeit, het vermogen om gespecialiseerde hersensystemen te laten samenwerken. Daardoor konden ze geen metaforen hanteren, geen abstracte vergelijkingen maken en ontbrak ook het gevoel voor humor. Braeckman stelt dat de neanderthaler wellicht wel kon lachen om onbedoelde slapstickhumor (iemand die struikelt en met het gezicht in de modder terechtkomt) maar taalgrappen waren cognitief te hoog gegrepen. Het voorbeeld illustreert fraai hoe Braeckman wetenschappelijke inzichten en filosofie verweeft tot een genuanceerd geheel.

De afsluiter van het taalhoofdstuk gaat over verhalen en fictie. Braeckman, die er ooit zelf een boek over schreef stelt dat verhalen in de eerste plaats leerzaam moeten zijn. Verhalen zijn evolutionair verantwoord: ze simuleren gevaarlijke situaties die we zelf liever niet meemaken. Van het Gilgamesj-epos (Braeckmans persoonlijke favoriet), tot Shakespeare en Kafka, de grote verhalen behandelen datgene wat wij niet willen meemaken. Dat is geen pessimisme: het is voorbereiding.

In het tweede hoofdstuk over geweld komt de intellectuele achtergrond van Dirk Verhofstadt sterk naar voren. Hij publiceerde de voorbije jaren verschillende werken over de Tweede Wereldoorlog en dat is hier voelbaar. De gesprekken over de Holocaust, over Eichmann, over Babi Jar en over de Einsatzgruppen zijn diepgravend. Verhofstadt stelt vragen die blijven steken, Braeckman geeft antwoorden die het ongemak niet wegnemen maar wel contextualiseren. In dit deel komt niet geheel onverwacht ook het experiment van Stanley Milgram ter sprake. Milgram voerde begin jaren zestig zijn beroemde elektroshockexperimenten uit, en stelde vast dat een grote meerderheid van zijn proefpersonen bereid was om onder druk van een autoriteitsfiguur andere mensen pijn te doen, tot het hoogste voltage. Braeckman legt helder uit wat Milgram wél en niet beweert: niet dat de meeste mensen slecht zijn, maar dat we in bepaalde omstandigheden in staat zijn tot moreel fout gedrag, zonder dat we dat ten volle beseffen. De menselijke neiging tot gehoorzaamheid is een belangrijk onderdeel van de verklaring.

Bij uitbreiding volgt een kritiek op de Nederlandse auteur Rutger Bregman en zijn bestseller De meeste mensen deugen. Bregman verklaarde zelf reeds vooraf dat hij de Milgram-experimenten zou afbreken, en dat is volgens Johan Braeckman wetenschappelijk incorrect als je al voor je onderzoek een vaststaande conclusie hebt. Bregmans titel klopt ook niet, betoogt Braeckman: ze moet eigenlijk luiden ‘De meeste mensen deugen, zolang ze zich in goede omstandigheden bevinden’. Dat sluit beter aan bij de moraalpsychologische studies. Bregmans leesfout van Dawkins’ ‘zelfzuchtig gen’ als een pessimistisch mensbeeld noemt Braeckman een beginnersfout: ‘zelfzuchtige’ genen verwarren met een egoïstische psychologie is alsof je Adam Smith verwijt dat onzichtbare handen niet bestaan. De kritiek is scherp maar gefundeerd, en Braeckman erkent tegelijk dat ook Milgram niet beweert dat de mens van nature slecht is.

De these van Steven Pinkers (een andere hedendaagse bestsellerauteur) over de afname van geweld doorheen de menselijke geschiedenis krijgt uitgesproken steun van Braeckman. Hij noemt Ons betere ik een van de grote boeken van onze tijd, vergelijkbaar met Norbert Elias’ Het Civilisatieproces. Het is tegen de intuïtie in maar de feiten bewijzen het toch: de mensheid is de voorbije millennia empathischer, gevoeliger en minder gewelddadig geworden, ook al wordt dat beeld tijdelijk vertroebeld door de oorlogen van dit moment. De rol van het bestraffingssysteem komt in dit hoofdstuk eveneens aan bod. Dirk Verhofstadt publiceerde in 2014 een Nederlandstalige uitgave van het werk van de Italiaanse filosoof Cesare Beccaria over dit thema en kent het onderwerp dus bijzonder goed. Braeckman twijfelt openlijk aan de zinvolheid van het klassieke strafrechtmodel en pleit voor meer interdisciplinair onderzoek, gecombineerd met een eerlijker debat over herval en de causale factoren van crimineel gedrag.

Opvallend is de passage over geslacht en geweld. Mannen zijn verantwoordelijk voor negentig procent van de moorden wereldwijd. Vrouwen plegen minder geweld en zijn ook minder vaak slachtoffer van publiek geweld, wel vaker van huiselijk geweld door partners. Braeckman verklaart dit vanuit evolutionaire en biologische perspectieven, waarbij hij benadrukt dat gemiddelden geen fatale bepaaldheid impliceren. Hij wijst erop dat het belangrijk is om zowel evolutionaire en biologische als historische en culturele factoren in rekening te brengen.

Het derde hoofdstuk over maakbaarheid van de mens is filosofisch het meest veelzijdige. Maakbaarheid wordt hier begrepen in de breedste zin: door opvoeding en cultuur, maar ook door wetenschap, geneeskunde en technologie. Braeckman begint bij de religieuze betekenis van de scheppingsverhalen (de mens geschapen naar Gods beeld, voorzien van een vrije wil en een uniek moreel vermogen) om dan te tonen hoe seculiere ideologieën vergelijkbare maakbaarheidsfantasieën produceerden, met vaak desastreuze gevolgen. De ‘Nieuwe Sovjetmens’ is een sterk uitgewerkt voorbeeld. Lenin en Stalin waren ervan overtuigd dat het juiste onderwijs, de juiste propaganda en de juiste collectieve druk een nieuw type mens konden creëren: loyaal, onzelfzuchtig, dienstbaar aan het collectief. De agitatietreinen die met bioscoop, bibliotheek en drukpers door Rusland reden om boeren en arbeiders te indoctrineren, zijn een interessant gegeven. Mussolini, Hitler en Mao volgden vergelijkbare recepten: ook zij wilden een ‘nieuwe mens’ kneden, ook bij hen leidde dat tot de reductie van de mens tot een functioneel object, gebruikt of weggegooid naargelang de ideologische nood.

Het gesprek over eugenetica is zowel historisch als filosofisch genuanceerd. Braeckman bespreekt Francis Galton, die in 1883 het concept ontwikkelde, en laat zien hoe de ideeën vervolgens werden omarmd door progressieve intellectuelen als H.G. Wells, George Bernard Shaw en John Maynard Keynes, lang vóór de nazi’s er hun misdadige ideologie op bouwden. Hij maakt duidelijk dat eugenetica op zich een beladen, maar niet per se irrationeel concept is (mensen fokken al millennia dieren met gunstige eigenschappen) maar stelt vast dat de nazi’s er een pseudowetenschappelijke en ideologische cocktail van maakten die tot massamoord leidde. Een moreel oordeel velt Braeckman expliciet: de nazi’s wisten niet eens wat genen waren, maar vermengden hun biologische fantasieën met antisemitisch en racistisch bijgeloof.

De tweelingstudies vervolgens bieden een fascinerend venster op de nature-nurture-discussie en komen in dit onderdeel uitgebreid aan bod. Identieke tweelingen die gescheiden worden opgevoed en later als volwassenen worden herenigd, vertonen opvallende gelijkenissen: niet alleen in uiterlijk en gezondheid, maar ook in gevoel voor humor, hobbyvoorkeur, muzikale smaak en soms zelfs in tatoeages of het ras van hun hond. Studies tonen aan dat genetica een grotere rol speelt in onze persoonlijkheid dan intuïtief lijkt. Dat kan ongemakkelijk aanvoelen (zijn we dan minder vrij dan we denken?) en Braeckman nuanceert: genetisch identiek zijn betekent niet dat je dezelfde persoon bent. De vijftig tot honderd miljoen eeneiige tweelingen wereldwijd zijn per definitie elkaars klonen, maar niemand twijfelt eraan dat het twee afzonderlijke, unieke personen zijn.

Cryonisme, het idee om na de klinische dood ingevroren te worden in de hoop later weer tot leven te worden gewekt, is een eerder futuristisch onderwerp in het hoofdstuk. Braeckman behandelt het met de nodige scepsis maar ook met intellectuele eerlijkheid: de techniek kent grote praktische problemen (onherstelbare weefselschade bij invriezing). Beerdiertjes (microscopische meercellige organismen die decennia ingevroren kunnen overleven en zich daarna nog voortplanten) zijn de biologische afzetters die de vergelijking half geloofwaardig maken. Wat Braeckman duidelijk fascineert, is niet zozeer de technische haalbaarheid als wel de fundamentele vraag: hoe kijken wij aan tegen de dood? De dood is het definitieve einde, maar dat maakt het leven niet zinloos. Integendeel. De eindigheid geeft het leven zijn gewicht. Een bestaan zonder horizon van het einde, zou een bestaan zijn dat niets meer op het spel zet.

Het thema vrije wil begint met een duidelijke tegenstelling. Verhofstadt gelooft in de vrije wil; Braeckman niet. Het verschil in visie wordt niet weggemasseerd maar uitgewerkt. Braeckman erkent dat het ontkennen van de vrije wil lastige gevolgen heeft voor begrippen als verantwoordelijkheid, schuld en straf, pijlers van ons rechtssysteem. Maar hij volgt de logica van het naturalisme: als alles een oorzaak heeft, ook onze gedachten en handelingen, dan is er geen ruimte voor een absolute, causaal onbepaalde vrije wil.

De Griekse filosofen vormen het historische ankerpunt. Braeckman stelt niet dat er één Griekse visie bestaat op de vrije wil maar hij belicht wat de Griekse traditie onderscheidt van de religieuze: de eis naar argumentatie. Dat kritisch bevragen van het ogenschijnlijk vanzelfsprekende, zoals Kahneman in de hedendaagse tijd benadrukte, is de kern van de filosofische methode. Tegenover het Bijbelverbaal van Adam en Eva (die Gods straffen betreuren, maar niet in vraag stellen) stelt de Griekse filosofie de vraag of het morele zijn kracht ontleent aan de goden of eerder onafhankelijk van hen bestaat. Kants behandeling van het onderwerp vrije wil is stof voor de meest uitdagende pagina’s van het boek. Verhofstadt geeft dat zelf ook duidelijk aan. Braeckman voelt zich persoonlijk eerder aangesproken door wat Spinoza hierover vertelt. De 17de-eeuwse filosoof zag geen tegenstelling tussen determinisme en vrijheid, maar die positie is niet eenvoudig te formuleren.

Kant verweet Spinoza fatalisme, een verwijt dat Braeckman terecht weerlegt: een fatalist meent dat ons lot vastligt en dat verzet zinloos is. Spinoza’s filosofie leidt niet tot passiviteit maar tot begrip: wie de oorzaken van zijn handelen begrijpt, handelt vrij in de enig denkbare zin van het woord. De vrijheid zit niet in de afwezigheid van oorzaken maar in het handelen vanuit begrip van die oorzaken. Het is een troostrijke maar ook veeleisende positie: ze vraagt zelfkennis en ze ontzegt de illusie van absolute autonomie. De twee auteurs zitten hier dan wel op een andere golflengte maar de dialoog verloopt met filosofisch respect en intellectuele eerlijkheid. Dat is wellicht de enig eerlijke houding: de vrije wil is een van de hardnekkigste puzzels in de geschiedenis van de filosofie.

Een ander kernthema van het filosofische denken is zingeving. Dit onderwerp staat centraal in het afsluitende hoofdstuk. Net zoals een marathonloper zijn zwaarste kilometers pas in de slotfase loopt, is ook dit boek het intellectueel veeleisendst waar het eindigt. Zingeving is de vraag waarop alle andere vragen op uitlopen: wat maakt een mensenleven de moeite waard? Braeckman en Verhofstadt verkennen het thema vanuit meerdere invalshoeken: religie, schepping, onsterfelijkheid, levenskunst, literatuur, werk en de kleine dingen.

De religieuze scheppingsverhalen worden niet simpelweg verworpen maar onderzocht op hun zingevende functie. Het christelijke antwoord op zinloosheid (het leven is een test voor de eeuwigheid, God heeft een plan voor elke ziel) wordt door Braeckman met een paradox geconfronteerd: als die luttele decennia op aarde beslissend zijn voor een eeuwig leven, is het leven dan niet gereduceerd tot een initiatierite? En wat is de zin van een eeuwig leven waaraan geen einde komt, geen probleem ooit onopgelost is? Braeckman betoogt dat een bestaan zonder uitdagingen een doel- en zinloos bestaan is.

Dat religies niet het monopolie op zingeving hebben, illustreren de auteurs via een eenvoudig voorbeeld: de merkwaardige figuur van Ferdinand Cheval (bijgenaamd ‘le Facteur’) uit het Franse dorpje Hauterives. Cheval raapte tijdens zijn postronde stenen op en bouwde gedurende meer dan dertig jaar aan zijn ‘Palais Idéal’. Het is een surrealistisch bouwwerk dat bij zijn dood door de autoriteiten als afvalstort werd beschouwd, maar door André Breton en Salvador Dalí als kunstwerk werd erkend. Jaren na zijn dood werd het beschermd als historisch monument. Cheval, een man die slechts enkele jaren schoolliep en nagenoeg niets van architectuur afwist, leidde desondanks een rijk en betekenisvol leven. Zoals Don Quichot (eveneens een sterk uitgewerkt voorbeeld) trok hij zich weinig aan van de normen van zijn tijd en gaf hij zijn bestaan zin via zijn project.

Het leven na de dood wordt behandeld met intellectuele eerlijkheid. Braeckman ontkent niet dat hij het bestaan ervan niet met absolute zekerheid kan uitsluiten, maar hij wijst erop dat de bewijslast bij de gelovige ligt. Evenmin kan hij met zekerheid aantonen dat het monster van Loch Ness niet bestaat. De kans op leven na de dood is, mede gelet op alles wat we weten over het brein als materieel substraat van ons bewustzijn, buitengewoon klein. En omgekeerd: de eindigheid van het leven is niet de ontkenning van zingeving, maar haar voorwaarde. Zonder de horizon van de dood heeft geen enkele keuze gewicht.

Sartre duikt op als de existentialistische tegenstem op genetisch determinisme: we zijn eerder existentie dan essentie. Onze genen, noch onze evolutionaire psychologie bepalen wat we doen; ze maken de enorme waaier van menselijke mogelijkheden juist beschikbaar. Braeckman is hier voorstander van de metafoor van de timmermanswerkbak, een beperkt aantal werktuigen waarmee je toch een villa, een duivenhok of een kasteel kunt bouwen.

Levenskunst is het begrip waarmee Braeckman zijn visie op zingeving samenvat: een leven als project, gevormd door weloverwogen keuzes over waarden die ons persoonlijk leven overstijgen. Zingeving is niet iets dat gevonden wordt, maar gecreëerd. Ze schuilt in de bereidheid om veiligheid en zekerheid in te ruilen voor vrijheid en creativiteit. Een auteur die het tegenwoordig heeft over zingeving kan tot slot onmogelijk voorbijgaan aan het concept van de zogenaamde ‘bullshit jobs’. Nogal wat jobs zijn betekenisloos, niet alleen voor de samenleving maar ook voor de mensen die ze uitoefenen. De antropoloog David Graeber toonde aan dat na de Tweede Wereldoorlog het aantal bullshit jobs toenam, en dat de paradox bestaat dat zinvolle jobs doorgaans minder worden betaald dan zinloze. Braeckman sluit daarbij aan: werk moet een doel-in-zichzelf zijn, niet alleen een middel voor een inkomen. Zingeving is het mooist ‘wanneer ze verspilling van onze levenstijd tegengaat’, aldus Braeckman.

In gesprek met Johan Braeckman is een boek dat je als lezer stevig inpakt. Braeckman put uit inzichten uit de evolutiepsychologie, de gedragsgenetica, de neurowetenschappen en de analytische filosofie, maar verwijst ook naar grote namen uit de literatuur. Verhofstadt is niet de neutrale gespreksleider, maar de eveneens belezen partner die uitdaagt. De lezer kan zelf verder aan de slag dankzij noten, index en bibliografie. De dialectiek tussen de twee is het formaat waaraan dit boek zijn vitaliteit ontleent. Het is een eerlijk boek, dat de complexiteit van zijn onderwerpen niet wegmoffelt en zijn lezer respecteert als iemand die bereid is te denken. Ondanks de zwaarte van veel onderwerpen is er tussen de lijnen door toch wel sprake van een gevoel voor humor dat de lezer hier en daar even opvrolijkt zonder de ernst te ondermijnen.

 

Recensie door Peter Laroy, directeur van Liberas

Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman. Een zoektocht naar menselijkheid, Deel II, Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam, 2026

Het boek wordt voorgesteld op donderdag 21 mei om 20 uur in de zaal Liberas, Kramersplein 23 in Gent. De toegang is gratis maar inschrijven moet wel op inschrijven@liberas.eu.

Print Friendly and PDF
Europa tussen uitputting en autonomie – Ivan Vandermeersch

Europa tussen uitputting en autonomie – Ivan Vandermeersch