Europa tussen uitputting en autonomie – Ivan Vandermeersch
De voorbije jaren zijn we geëvolueerd van een relatief stabiele internationale orde naar een wereld van permanente spanningen, hybride conflicten en geopolitieke uitputting. Wat daarbij opvalt, is dat zelfs de grote machten steeds moeilijker uit hun eigen conflicten geraken.
Rusland wint niet meer, maar bloedt langzaam leeg in Oekraïne. Wat ooit door het Kremlin werd voorgesteld als een snelle militaire operatie is geëvolueerd naar een uitputtingsslag met zware menselijke, economische en demografische gevolgen. Honderdduizenden Russische soldaten sneuvelden of raakten gewond. De economie staat onder druk. De technologische afhankelijkheid groeit. Jongeren verlaten het land. Achter de façade van macht en patriottische propaganda groeit de nervositeit binnen het regime. Ook Vladimir Poetin zelf lijkt steeds meer zijn vanzelfsprekende legitimiteit te verliezen. Niet noodzakelijk omdat een onmiddellijke opstand dreigt, maar omdat de oorlog steeds moeilijker nog als een historisch succes kan worden verkocht aan de Russische bevolking. Hoe langer het conflict aansleept zonder beslissende overwinning, hoe meer het Kremlin gedwongen wordt zichzelf af te schermen, kritiek te onderdrukken en te regeren vanuit wantrouwen en angst. Een regime dat steeds meer controle nodig heeft, toont vaak vooral dat het onzeker wordt over zichzelf.
Maar ook de Verenigde Staten tonen tekenen van interne verzwakking. Donald Trump projecteert kracht, zet bondgenoten publiekelijk onder druk en presenteert machtspolitiek als diplomatie. Maar tegelijk groeit de interne fragiliteit van het Amerikaanse systeem. De polarisatie verhardt, het vertrouwen in instellingen brokkelt verder af en ook Trump zelf wordt steeds meer in vraag gesteld, zowel politiek, militair als maatschappelijk. De Verenigde Staten raken strategisch overbelast door een opeenstapeling van internationale conflicten zonder duidelijke politieke einddoelen. De interventies in het Midden-Oosten leveren geen stabiele oplossingen meer op, terwijl zelfs traditionele bondgenoten zoals Italië en Spanje weigeren nog automatisch hun grondgebied of luchtruim ter beschikking te stellen voor Amerikaanse operaties tegen Iran. De Amerikaanse macht blijft immens, maar de vanzelfsprekende legitimiteit ervan is dat steeds minder.
Dat betekent niet dat Rusland of de Verenigde Staten morgen instorten. Wel dat beide grootmachten stilaan botsen op de limieten van permanente escalatie. Zelfs militaire superioriteit blijkt vandaag onvoldoende om complexe geopolitieke conflicten duurzaam te beheersen.
Misschien evolueren we daarom niet naar echte vrede, maar naar iets anders: een langdurige gewapende vrede. Geen verzoening, geen herstel van vertrouwen, maar een gespannen evenwicht waarin geen van de betrokken grootmachten nog de capaciteit heeft om een beslissende overwinning af te dwingen zonder zichzelf verder te destabiliseren. De geschiedenis leert bovendien dat oorlogen politiek sneller eindigen dan psychologisch. Zelfs wanneer ooit een bestand of akkoord zou ontstaan in Oekraïne of rond Iran, zullen de gevolgen nog jarenlang nazinderen: trauma’s, economische schade, geopolitiek wantrouwen en maatschappelijke breuklijnen verdwijnen niet zomaar.
Precies daarom wordt de Europese vraag vandaag zo belangrijk. Jarenlang leefde Europa in de overtuiging dat veiligheid grotendeels kon worden uitbesteed aan de Verenigde Staten. Die vanzelfsprekendheid verdwijnt. Niet noodzakelijk omdat de trans-Atlantische alliantie ophoudt te bestaan, maar omdat de aard ervan fundamenteel verandert. De Verenigde Staten bekijken bondgenootschappen steeds meer transactioneel. Europa wordt tegelijk bondgenoot, economische concurrent en strategische partner.
In die context worden sommige intuïties van Guy Verhofstadt opnieuw relevant. Wie Verhofstadt ooit hoorde spreken, weet dat nuance nooit zijn grootste troef is geweest. Ook tijdens zijn recente uiteenzetting voor het Liberaal Vlaams Verbond verdedigde hij opnieuw bijzonder scherp het idee dat Europa geopolitiek volwassen moet worden. En eerlijk gezegd: op één punt heeft hij een fundamenteel gelijk. De Europese lidstaten geven vandaag samen enorme bedragen uit aan defensie, maar doet dat versnipperd, inefficiënt en nationaal gefragmenteerd. Verschillende legers, verschillende aankoopprogramma’s, overlappende structuren en incompatibele systemen zorgen ervoor dat Europa veel middelen uitgeeft zonder de strategische slagkracht te ontwikkelen die bij een continent van deze omvang hoort.
De vraag is dus niet alleen hoeveel geld Europa uitgeeft aan defensie, maar hoe het die middelen organiseert. Een echt Europees defensiebeleid kan op termijn onmogelijk louter een optelsom blijven van nationale legers die naast elkaar functioneren. Strategische autonomie vereist ook strategische rationalisering. Maar precies daar schuilt tegelijk een gevaar. Europa mag zijn noodzakelijke strategische autonomie niet verwarren met technocratische centralisatie of permanente veiligheidslogica. Een Europa dat sterker wordt, mag niet vervellen tot een bureaucratisch machtsblok dat de vrijheid die het zegt te beschermen zelf langzaam uitholt.
Dat is wellicht de grote uitdaging van deze tijd: hoe bouwen we een Europa dat sterk genoeg is om vrij te blijven, maar vrij genoeg om democratisch te blijven? Misschien ligt precies daar de historische kans van dit tijdperk. Terwijl de Verenigde Staten en Rusland steeds meer geconfronteerd worden met de limieten van machtspolitiek, interne polarisatie en geopolitieke uitputting, zou Europa opnieuw de ruimte kunnen vinden om zichzelf als wereldspeler te herdefiniëren. Niet als imperiale macht of als imitatie van andere grootmachten, maar als een democratische beschavingsruimte die economische kracht, strategische autonomie en rechtsstaat met elkaar probeert te verzoenen.
Misschien dwingt precies deze internationale onzekerheid Europa eindelijk om geopolitiek volwassen te worden. Niet langer afhankelijk, niet langer naïef, maar ook zonder zijn democratische ziel te verliezen. En misschien zal de Europese strategische autonomie van de 21ste eeuw uiteindelijk niet alleen worden beslist op militaire slagvelden of in defensiebudgetten, maar evenzeer in de beheersing van halfgeleiders, energievoorziening, kritieke grondstoffen, artificiële intelligentie en industriële soevereiniteit. Want een Europa dat de essentiële infrastructuren van zijn eigen welvaart niet meer controleert, dreigt vroeg of laat ook zijn politieke vrijheid afhankelijk te zien worden van anderen.
Ivan Vandermeersch
De auteur is Ere-Secretaris-Generaal BAM


