Weimar. Leven op de rand van de afgrond – Katja Hoyer

Weimar. Leven op de rand van de afgrond – Katja Hoyer

Nog steeds verschijnen er regelmatig non-fictieboeken over het nazisme aan de hand van dagboeken en persoonlijke documenten die de Duitsers bijhielden over de periode van voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zoals het boek Denken ist heute überhaupt nicht mehr Mode van de Duitse journaliste en vrouwenrechtenactiviste Anna Haag – dat in het Nederlands vertaald werd onder de titel Vreemdeling in eigen land – over haar leven in Duitsland van 1940 tot 1945 waarin ze aan de hand van dagelijkse voorvallen in haar privésfeer scherpe kritiek uitte op het naziregime. Of aan A Village in the Third Reich van de Britse historica Julia Boyd, die de nazificering beschrijft van het Zuid-Beierse bergdorp Oberstdorf, het meest zuidelijk gelegen dorp van Duitsland. Zo krijgen we aan da hand van de levensloop van haar inwoners een indringend inzicht in de beweegredenen van velen onder hen om mee te stappen in het naziverhaal. Het geeft ons een antwoord op de vraag hoe het mogelijk was dat een van de meest geavanceerde en gecultiveerde samenlevingen ter wereld gewillig bezweek voor een schreeuwerige dictator en de deelname van zoveel gewone mensen aan een moorddadig regime.

Enkele weken geleden verscheen het magistrale boek Weimar: Life on the Edge of Catastrophe van de Duits-Britse historica Katja Hoyer – dat in het Nederlands verscheen onder de titel Weimar: Leven op de rad van de afgrond. Aan de hand van dagboekfragmenten, brieven, krantenberichten, foto’s, radiouitzendingen, bioscoopjournaals, officiële toespraken en ander archiefmateriaal schetst ze een aangrijpend beeld van de geschiedenis van de stad waar de Weimarrepubliek tot stand kwam, over de nazi’s die er sneller dan op andere plaatsen voet aan de grond kregen en voor het eerst aan de macht kwamen in de deelstaat Thüringen (waarvan Weimar de hoofdstad was), de bouw van het beruchte concentratiekamp Buchenwald, en zo tot 1939, het jaar waarin de Tweede Wereldoorlog begon.

Hoyer beschrijft de levensloop van enkele inwoners in de stad in het hart van Duitsland die ooit de thuisbasis was van bekende filosofen en denkers als Goethe, Schiller, Liszt en Nietzsche. Ze heeft het over de papierhandelaar Carl Weirich die net zoals vele andere middenstanders probeert succesvol te zijn ondanks de catastrofale impact van de Beurskrach van Wall Street in 1929, waarna ze hun bezwaren tegen de nazi’s laten varen en hun hoop stellen in Hitler. Over de Joodse hoteluitbaatster Rosa Schmidt die huwt met een gedecoreerde Duitse oorlogsveteraan, maar haar Joodse afkomst omwille van het toenemende antisemitisme zoveel mogelijk probeert te verhullen. Over de monarchistisch gezinde Elisabeth Förster-Nietzsche, die de intellectuele nalatenschap van haar beroemde overleden broer uitbuit en probeert veilig te stellen, en net als veel andere conservatieven een afkeer heeft voor de democratie, afkeer ook voor de avant-gardistische kunst, het ‘decadente’ Berlijn en de moderniteit van de Bauhaus-beweging. Over de kosmopolitische aristocraat en (discrete) homoseksueel Harry graaf Kessler die de progressieve en democratische idealen van de Weimarrepubliek juist omarmde maar ziet verschrompelen. Over de socialisten Kurt Nehrling en Hans Eberling die in het verzet gingen tegen het nazisme; Kurt werd in 1943 opgepakt en vermoord.

Maar ook over Wilhelm Frick die in 1931 – dankzij de steun van rechts-conservatieve partijen – de eerste nazi werd die een ministerpost kreeg, bevoegd voor Binnenlandse Zaken en Onderwijs in de deelstaat Thüringen, en die al snel begon met de zuivering van de politie en er nazi’s in hoge functies benoemde, die een decreet goedkeurde tegen de zogenaamde ‘negercultuur’ (denk aan jazzmuziek en moderne kunst), en die begon met de nazificering van het onderwijs in de deelstaat. Over de jonge Baldur von Schirach die in 1925 op zijn zeventiende een ontmoeting had met Hitler die er een toespraak hield en diep onder de indruk raakte, waarna hij besloot zijn leven te wijden aan de nazipartij en vanaf 1931 de leiding kreeg over de Hitlerjugend. Over de sadistische en corrupte Karl-Otto Koch, de eerste kampcommandant van Buchenwald, en zijn vrouw Ilse die de gevangenen gruwelijke behandelde en de huid van vermoorde gevangenen gebruikte voor het maken van onder meer lampenkappen. Over de fanatieke Gauleiter Fritz Sauckel die vanuit Weimar een terreurbewind voerde, eerst tegen politieke tegenstanders, daarna ook steeds feller tegen de Joden. Over de lievelingsarchitecten van Hitler, Albert Speer en Hermann Giesler, die een enorm nazi-gebouw in het centrum van de stad lieten bouwen ten koste van een groot aantal klassieke gebouwen en parken.

Het boek van Hoyer is echte pageturner, meeslepend, spannend en bijzonder leerzaam. Aan de hand van de persoonlijke getuigenissen krijgt de lezer een goed beeld van de moeilijkheden waarmee de Weimarrepubliek kampte en waarom ze finaal ten onderging. “Extreemrechtse en extreemlinkse paramilitaire groepen stonden in de coulissen klaar om de wankele republiek de doodsteek toe te brengen,” schrijft Hoyer. Weimar werd steeds meer het centrum van Völkische, nationalistische en antisemitische organisaties en groepen. Hitler bezocht de stad tientallen keren en verbleef in het luxueuze hotel Elephant dat hij op een bepaald ogenblik zelfs liet afbreken en opnieuw opbouwen, met een balkon aan de voorzijde om de massa op de Marktplatz te kunnen toespreken. Vanaf 1933 zette de nazificering van de stad zich door. De meeste bewoners waren aanvankelijk heel enthousiast al vonden sommigen de toenemende verklikkingen, repressie en terreur verstikkend. Hoyer toont ook overtuigend aan dat de inwoners goed op de hoogte waren van wat zich in Buchenwald, dat in 1937 gebouwd werd, afspeelde. Het was oorspronkelijk ontworpen voor 8.000 personen, maar tijdens de oorlog zaten er tien keer meer. Hoe het eraan toeging begrepen de inwoners van Weimar snel. Het had op velen een verlammend effect.

De inwoners zagen ook hoe de Joden in hun stad steeds meer werden uitgesloten en gediscrimineerd. Hoyer verwijst naar de boycotcampagne op 16 maart 1933 om niet meer in Duitse winkels te kopen, dus twee weken voor de algemeen bekende boycot op 1 april 1933. Toen werden potentiële kopers afgeschrikt door de SA die foto’s maakten van al wie in Joodse winkels kocht om hen nadien publiek te schande te zetten. In 1935 volgden de rassenwetten van Neurenberg waardoor Joodse artsen, advocaten en ambtenaren hun beroep niet langer mochten uitoefenen. “Mensen ontdekten plotseling dat ze konden bepalen wie sommige ruimten mochten gebruiken, wie een contract kreeg, wie naast hen in de tram zat, wie respectvol werd behandeld en wie als minderwaardig. Dit gebeurde zelfs bij kinderen,” schrijft Hoyer. De nazi’s voerden de druk op de Joden verder op en dwongen hen hun winkels en huizen te verkopen. En dan volgde op 9 november 1938 de Kristallnacht. In Weimar was op dat ogenblik nog één winkel in handen van een Joodse oude vrouw:,Hedwig Hetemann die speelgoed maakte en verkocht. De nazi’s sloegen de inboedel aan stukken en smeten de poppen op straat. “Niemand schoot haar te hulp,” aldus Hoyer – Hedwig werd in 1942 gedeporteerd naar Theresienstadt waar ze overleed. De dag na de Kristallnacht werden in heel Duitsland heel wat Joden opgepakt waarvan er bijna 10.000 terechtkwamen in Buchenwald. De inwoners van Weimar zagen ze aan het station uit de treinen komen en door de politie en de SS met stokslagen naar het concentratiekamp gedreven.

Weimar is niet alleen een waardevol historisch boek, maar bevat ook een sterke morele boodschap. Het geeft een antwoord op de ongemakkelijke vraag hoe het mogelijk was dat de inwoners van de stad waar cultuur en kunst zo’n hoge vlucht hadden genomen, zo snel konden ontaarden tot meelopers van een moorddadig regime om uiteindelijk terecht te komen in het absolute dieptepunt van onmenselijkheid met het kamp Buchenwald. Veel had te maken met angst, onzekerheid, wraakzucht, antisemitisme, opportunisme en onverschilligheid. Hoyer toont overtuigend aan dat de meeste inwoners van Weimar een morele blinde vlek hadden en na de oorlog zeiden: "Wir haben es nicht gewusst". Ze wisten het maar al te goed, en toch trokken ze tientallen keren de straat op om hun heilbrenger Hitler bij elk bezoek aan hun stad juichend te begroeten, net als miljoenen van hun landgenoten elders. Voor al het ongemak keken ze opzij, want wegkijken vonden ze veel comfortabeler dan te helpen. Dit boek is het beste dat ik in 2026 gelezen heb en raad ik dan ook iedereen aan.

 

Recensie door Dirk Verhofstadt

Katja Hoyer, Weimar. Leven op de rand van de afgrond, Querido Facto, 2026

Print Friendly and PDF
Verlinden ziet het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw als bijzaak – Heleen Debruyne

Verlinden ziet het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw als bijzaak – Heleen Debruyne