Theo Francken heeft het liever over activisten dan over waarom mensen protesteren – Eva Vanhoorne

Theo Francken heeft het liever over activisten dan over waarom mensen protesteren – Eva Vanhoorne

Theo Francken ziet tegenwoordig één grote rode draad achter zowat elk protest. Zo blijkt opnieuw uit een recente Facebookpost waarin hij klimaatactivisten, studenten, antiracisten, Palestina-activisten, vakbonden en actievoerders tegen onderwijsbesparingen in één beweging onderbrengt in wat volgens hem een extreemlinks project is.

Dat is een bijzonder handige manier om naar maatschappelijke conflicten te kijken. Zodra je protest kunt herleiden tot een verborgen netwerk van activisten, hoef je het immers niet langer te hebben over waar dat protest eigenlijk over gaat. Dan verdwijnen klimaatverandering, onderwijsbesparingen, politiegeweld, mensenrechten of Gaza naar de achtergrond en verschuift alle aandacht naar de vermeende agenda van de mensen die zich organiseren.

Opvallend is daarbij hoe gretig Francken de recente huiszoekingen bij activisten van Code Rood aangrijpt als bevestiging van een verhaal dat hij al jaren vertelt. Uiteraard moeten mogelijke strafbare feiten onderzocht worden. Niemand staat boven de wet. Maar een gerechtelijk onderzoek is geen veroordeling. Zelfs als zou blijken dat bepaalde activisten strafbare feiten hebben gepleegd, volgt daar nog altijd niet uit dat alle sociale bewegingen plots extremistisch of gewelddadig zijn. Toch lijkt precies die sprong steeds vaker gemaakt te worden.

Schuld door associatie

Toen het OCAD waarschuwde voor radicale strekkingen binnen Code Rood, werd dat door sommigen meteen aangegrepen om veel bredere conclusies te trekken. Dat bleek ook toen minister Caroline Gennez de subsidies introk van verschillende organisaties omdat zij volgens haar onvoldoende afstand namen van de beweging.

Dat is een belangrijke verschuiving. De discussie gaat dan niet langer over wat organisaties zelf doen, maar over met wie ze geassocieerd worden. Niet hun eigen handelen staat centraal, maar de vraag of ze voldoende afstand houden van wie als problematisch wordt beschouwd.

Dat lijkt misschien een nuance, maar het heeft verstrekkende gevolgen. Want zodra organisaties niet meer worden beoordeeld op hun eigen werking, maar op hun nabijheid tot activisten of controversiële bewegingen, ontstaat een chilling effect. Middenveldorganisaties leren dat niet alleen hun daden, maar ook hun solidariteit, hun samenwerkingen of zelfs hun stilzwijgen politieke gevolgen kunnen hebben.

De boodschap wordt dan impliciet: wees kritisch, maar niet té kritisch. Engageer je, maar niet té zichtbaar. Organiseer je, maar houd voldoende afstand van wie het politieke establishment ongemakkelijk maakt.

Dat raakt aan iets fundamentelers dan één klimaatbeweging. Het gaat over de ruimte die een democratie laat voor activisme, maatschappelijk engagement en dissensus.

Wie wordt hier eigenlijk geviseerd?

In Franckens verhaal gaat het bovendien niet alleen over Code Rood. Hij heeft het over Antifa, Black Lives Matter, Refugees Welcome, studenten, advocaten die activisten verdedigen en journalisten die volgens hem te weinig kritisch zijn voor links.

Dat zijn bijzonder uiteenlopende groepen en personen, met verschillende doelstellingen, achtergronden en strategieën. Toch worden ze samengebracht in één verhaal waarin ze allemaal deel zouden uitmaken van hetzelfde probleem.

Wat een klimaatwetenschapper, een vakbondsafgevaardigde, een mensenrechtenadvocaat, een student die protesteert tegen besparingen en een journalist die een kritisch artikel schrijft met elkaar gemeen hebben, is vaak niet hun ideologie maar hun rol. Elk van hen draagt op zijn manier bij aan een vorm van tegenmacht die bestaande machtsverhoudingen bevraagt, bekritiseert of begrenst.

Precies daar lijkt de echte rode draad te liggen. Niet wat deze mensen zeggen, maar het feit dat ze zich organiseren. Niet de inhoud van hun kritiek, maar hun vermogen om macht ter discussie te stellen.

Dat verklaart misschien ook waarom in dergelijke verhalen niet alleen activisten onder vuur komen te liggen, maar ook vakbonden, middenveldorganisaties, mensenrechtenorganisaties, advocaten en journalisten. Zij vormen immers allemaal plekken waar macht wordt gecontroleerd, bekritiseerd of uitgedaagd.

Het is overigens opvallend dat Francken in zijn analyse vooral kijkt naar bewegingen die hij als “extreemlinks” omschrijft, terwijl de aandacht veel minder uitgaat naar andere vormen van radicalisering. De voorbije jaren waarschuwden veiligheidsdiensten herhaaldelijk voor extreemrechtse radicalisering, online haatcampagnes en antidemocratische tendensen. Die vormen van tegenmacht tegenover de democratische rechtsstaat lijken in dit verhaal veel minder aandacht te krijgen dan burgers die zich organiseren rond klimaat, mensenrechten of sociale rechtvaardigheid.

De vraag die ontbreekt

Historisch gezien begon vrijwel elke belangrijke maatschappelijke vooruitgang op precies die manier. Vrouwenstemrecht, arbeidsrechten, burgerrechten en milieuwetgeving kwamen er niet omdat machthebbers spontaan besloten het juiste te doen. Ze kwamen er omdat mensen zich organiseerden, protesteerden en bestaande verhoudingen uitdaagden. Ook zij werden in hun tijd vaak weggezet als radicalen, onruststokers of gevaarlijke activisten.

De vraag zou dus niet moeten zijn wie er achter elk protest zit. De vraag zou moeten zijn waarom zoveel mensen vandaag redenen zien om te protesteren. Waarom maken mensen zich zorgen over het klimaat? Waarom komen studenten op straat tegen besparingen? Waarom mobiliseren burgers rond mensenrechten, racisme of Gaza? Dat zijn veel interessantere vragen dan de zoveelste theorie over een verborgen netwerk van activisten. Maar die vraag hoor je in dit soort “analyses” opvallend weinig.

 

Eva Vanhoorne

De auteur is gemeenteraadslid voor Groen Brugge

Print Friendly and PDF
Weimar. Leven op de rand van de afgrond – Katja Hoyer

Weimar. Leven op de rand van de afgrond – Katja Hoyer