Goede journalistiek vraagt om nieuwsgierigheid – Ewout Klei

Goede journalistiek vraagt om nieuwsgierigheid – Ewout Klei

Volgens Frederike Geerdink zijn alle journalisten per definitie activisten. Ze schreef daarover onlangs een boek met als titel Alle journalistiek is activisme (De Bezige Bij, 2025). Het idee dat journalisten ‘objectief’ moeten zijn, kan volgens haar bij het grofvuil worden gezet.

Nu bestaat ‘objectiviteit’ in absolute zin natuurlijk niet. In de journalistiek niet. In de geschiedwetenschap niet. Zelfs bij natuurkunde niet. Alleen wiskunde schijnt 100 procent objectief te zijn, hoewel er ongetwijfeld wetenschappers zullen zijn die ook dit in twijfel trekken.

Maar dat ‘objectiviteit’ niet bestaat betekent niet dat alles maar kan in de journalistiek. Of dat we allemaal activist moeten worden. Personen die journalistiek hebben gestudeerd aan de Hogeschool Utrecht werden vroeger naar verluidt doodgegooid met de eis tot ‘objectiviteit’. Dat heeft bij sommige journalisten tot een zekere opstandigheid geleid.

Nu heb ik een andere achtergrond. Ik studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Mijn grote leermeester in de geschiedwetenschap is geschiedfilosoof Frank Ankersmit. In een van zijn colleges maakte hij een onderscheid tussen onderzoek, wat de Duitsers Forschung noemen, en hoe je het vervolgens opschrijft, Darstellung. Dit onderscheid is ook nuttig voor de journalistiek.

Darstellung is subjectief. Je maakt keuzes als auteur. Niet per se omdat je partijdig bent. Je maakt keuzes uit esthetische overwegingen of gemakzuchtige overwegingen. Sprekers met lekkere soundbites of leuke voorbeelden laat je bijvoorbeeld liever aan het woord in je stuk dan iemand die zijn ideeën heel abstract en theoretisch verwoordt. Ik heb regelmatig iemands bijdrage – omdat ik er nauwelijks een touw aan kon vastknopen of weinig origineel vond – flink ingekort in mijn uiteindelijke stuk, of soms zelfs helemaal geschrapt. Nee, ik noem hier natuurlijk geen namen. Meestal gingen de geïnterviewden akkoord met mijn tekst. En anders werd het onderhandelen. Ook een belangrijk aspect van journalistiek trouwens, als je het mij vraagt.

Forschung is een stuk objectiever. Natuurlijk: jij kiest als auteur het onderwerp uit en ook met wie je wilt spreken, dat is subjectief. Maar je bepaalt niet wat mensen antwoorden. Je kunt daarom verrast worden door interessante meningen, feiten, perspectieven en inzichten die je nog niet eerder hebt gehoord en die je van mening kunnen doen laten veranderen. Die jou iets leren. Hiervoor is intellectuele openheid nodig. Nieuwsgierigheid. Zoals historici als ze het archief doorpluizen open moeten staan voor nieuwe feiten die gangbare interpretaties omver kegelen, zo moet je als journalist open staan voor mensen die jouw (voor)oordelen, en die van je lezers, ter discussie stellen.

Deze open benadering staat haaks op die van ideologische journalisten, die hun grote gelijk, dé waarheid, willen rondbazuinen. Hun conclusies liggen al vast. Ze staan niet open voor afwijkende ideeën. Die zijn bij voorbaat ‘fout’. In hun stukken fungeren geïnterviewden vaak als buiksprekers van hun overtuiging. Of ze nu links of rechts zijn, woke of antiwoke, het probleem is niet hun positie, maar hun gebrek aan intellectuele nieuwsgierigheid en diepgang.

De tegenstelling tussen objectiviteit en subjectiviteit in de journalistiek is een schijntegenstelling. Wat telt is het verschil tussen nieuwsgierigheid en ideologische vooringenomenheid. In tijden van nepnieuws, polarisatie en haat hebben we geen activistische zendelingen nodig, maar nieuwsgierige journalisten. Mensen die doorvragen, die de onderste steen boven halen, die stem geven aan wie niet gehoord wordt en ook wie zich onterecht miskend voelt kritisch durven bevragen. Want je moet nieuwsgierigheid niet verwarren met passiviteit en intellectuele gemakzucht. Iemand die feitelijke onzin uitkraamt of een ideologische kokervisie heeft, dient kritisch bevraagd te worden. Met empathie, maar dat is niet hetzelfde als kritiekloos alles maar optekenen wat iemand beweert.

En de waarheid dan? De Franse schrijver Emile Zola publiceerde in 1901 het boek La vérité est en marche, de waarheid rukt op, waarin hij zijn artikelen over de Dreyfus-affaire bundelde. De joodse kapitein Alfred Dreyfus was veroordeeld voor spionage en naar het Duivelseiland verbannen, maar aan de zaak hing een luchtje. Een officier die niet vrij was van antisemitische vooroordelen maar tegelijkertijd wel nieuwsgierig was, kolonel Georges Picquart, ging op onderzoek uit. Dreyfus bleek onschuldig. De echte spion was Ferdinand Walsin-Esterhazy. Dreyfus was veroordeeld op basis van een slordig onderzoek. Het leger wilde dit niet toegeven. En de antisemitische pers in Frankrijk geloofde sowieso in Dreyfus’ schuld, want hij was joods.

De moraal van dit verhaal? Met ideologische vooringenomenheid vind je de waarheid nooit. Die rukt pas op als je bereid bent om je (voor)oordelen opzij te zetten.  

 

Ewout Klei 

De auteur is historicus, journalist en redacteur. Hij is redacteur bij de Kanttekening en schrijft o.a. voor Historisch Nieuwsblad en Maarten! In 2015 schreef Ewout het boek De weg naar de macht, een geschiedenis over de onafhankelijke liberale jongerenorganisatie JOVD.

Print Friendly and PDF
Een tikkende klok in het leven van duizenden gezinnen – Miranda Ulens

Een tikkende klok in het leven van duizenden gezinnen – Miranda Ulens

De politieke versnippering in Europa bleek een fantastisch voordeel – Paul De Grauwe

De politieke versnippering in Europa bleek een fantastisch voordeel – Paul De Grauwe