‘Over welvaart’ verdraait de geschiedenis – Maarten Van Ginderachter
Het is bekend dat premier Bart De Wever zijn politiek-ideologische keuzes graag legitimeert met zijn historische expertise. Dat doet hij ook in zijn jongste essay Over welvaart, maar de historicus legt het daarin duidelijk af tegen de politicus.
Alleen al voor de 19de eeuw – waar ik het meest in thuis ben – bevat Over welvaart twee grote misvattingen. Ten eerste stelt De Wever dat de Vlaamse beweging van bij haar ontstaan streed voor meer dan taalrechten alleen, voor een alomvattende ‘sociale rechtvaardigheid’. Ten tweede schrijft hij de opbouw van de welvaartsstaat vanaf de jaren 1880 exclusief toe aan conservatieve nationalisten, de katholieke kerk en de voorlopers van de christendemocratie. Beide stellingen kloppen historisch gezien niet.
Neem de negentiende-eeuwse Vlaamse beweging. Toen de gruwelijke hongercrisis van 1845 toesloeg – de crisis van Arm Vlaanderen – onderscheidden flaminganten zich door veel woorden maar weinig daden. Hendrik Conscience, de vaandeldrager van de beweging, had een louter romantische, apolitieke fascinatie met ellende. In een vaak aangehaalde toespraak uit 1847 maande hij zijn toehoorders aan hun portemonnee te openen voor de hongerlijders van Vlaanderen, maar zijn oplossing voor alle misère was minder praktisch: Gods goedertierenheid zou mooi weer sturen en “zijne machtige dienaresse, de zon, ons tot strijdgenoot verlenen”. Voorstellen tot sociale of democratische hervormingen – die de strikte taaleisen overstegen – hadden hij en zijn medestanders niet.
Buiten de Vlaamse beweging dacht men wel al na over structurele oplossingen. Vroeg-socialisten organiseerden zich in volksmaatschappijen en eisten rond 1850 algemeen stemrecht en verplicht lager onderwijs – programmapunten die flaminganten in de 19de eeuw nooit consequent omarmden. Dat was geen toeval. De kern van de Vlaamse beweging bestond uit kleine burgers die streden voor taal en cultuur, niet voor een verbetering van de arbeids- en leefomstandigheden van boeren en arbeiders.
Aan het einde van de negentiende eeuw stond België internationaal bekend om zijn lage lonen, massaal analfabetisme en kinderarbeid. Tegen die wantoestanden streed de in 1885 opgerichte socialistische Belgische Werkliedenpartij. Op hetzelfde moment was hét centrale programmapunt van de Vlaamse beweging ‘Gent Vlaams’: de invoering van het Nederlands aan de Franstalige Gentse universiteit. Een nobel ideaal, zeker, maar een enigszins wereldvreemde prioriteit in een samenleving zonder verplicht lager onderwijs, zonder algemeen stemrecht en met wijdverbreide kinderarbeid op boerderijen en mensonwaardige arbeidsomstandigheden in fabrieken.
Tijdens de belle époque – de periode van 1880 tot de Eerste Wereldoorlog – hield het gros van de flaminganten zich als middenklassers ver weg van arbeidersdemonstraties, die vaak bloedig werden neergeslagen. Uit angst voor de ‘rode massa’ streed de Vlaamse beweging nauwelijks mee voor algemeen stemrecht en sociale wetgeving.
Maar wie bouwde dan de welvaartsstaat? Volgens De Wever waren dat de conservatieve nationalisten, de katholieke kerk en de christendemocraten. Dat is een tweede vertekening van het verleden. Sociale wetgeving en democratische doorbraken waren het resultaat van druk van onderuit, en die kwam initieel van de Belgische Werkliedenpartij. De pauselijke encycliek Rerum Novarum van Leo XIII uit 1891, die de prille christendemocratie legitimeerde, was een reactie op het succes van het socialisme. Niet toevallig heette de eerste christendemocratische organisatie in Gent de ‘Antisocialistische Werkliedenbond’.
De Wever suggereert dat socialisme on-Vlaams zou zijn en vereenzelvigt het met het Sovjet-communisme. Die associatie is historisch gezien onzin. De Belgische Werkliedenpartij had een uitgesproken Vlaamse pedigree. Het was de organisatiekracht van Gent (met de legendarische Edouard Anseele) en Brussel die richting gaven aan de partijafdelingen van Luik, Charleroi, het Centre en de Borinage. Het Vlaamse socialisme stuurde via zijn succesvolle consumptiecoöperatieven de BWP weg van de revolutionaire lijn en duwde haar steeds meer in een sociaaldemocratische bedding: naar de politieke strijd voor algemeen stemrecht en naar de verwerving van macht binnen de parlementaire democratie. Ook de verdere uitbouw van de welvaartsstaat in de 20ste eeuw droeg een uitgesproken sociaaldemocratisch stempel, met na de Tweede Wereldoorlog Achille Van Acker als sleutelfiguur.
Nadenken over welvaart kan zonder de geschiedenis te misbruiken voor het eigen grote gelijk. Arm Vlaanderen verdient beter dan historische amnesie.
Maarten Van Ginderachter
De auteur is historicus aan de UAntwerpen en auteur van Arm Vlaanderen. Een wereldgeschiedenis (Horizon, 2025). Dit opiniestuk verscheen eerst in De Morgen van 9 februari 2026.


