Een mens is nooit af. En iedereen is anders – Ivan Vandermeersch
Deel I – Een mens is nooit af
In 2024 schreef ik Pleidooi voor Moderne Vrijheid. Dat essay was een poging om opnieuw na te denken over vrijheid, zelfbeschikking, verantwoordelijk individualisme en de rol van de overheid in een democratische samenleving. Sindsdien is de wereld verder veranderd. De opkomst van artificiële intelligentie, de toenemende digitalisering, geopolitieke spanningen en een groeiende technocratische benadering van de samenleving hebben mij ertoe aangezet mijn eigen ideeën opnieuw te toetsen.
Ik ben daarbij niet tot de conclusie gekomen dat mijn uitgangspunten verkeerd waren. Wel dat zij een diepere fundering nodig hadden. Gaandeweg groeide één eenvoudige overtuiging uit tot het fundament van dit document: een mens is nooit af. Daarom weet geen mens alles. Geen enkele ideologie, religie, overheid of technologie bezit de volledige waarheid. Vrijheid is voor mij dan ook geen abstract politiek ideaal, maar de ruimte waarin mensen kunnen leren, luisteren, twijfelen, groeien en verantwoordelijkheid opnemen.
Dit tweede essay wil het eerste daarom niet vervangen, maar aanvullen. Het vertrekt vanuit dezelfde overtuiging, maar probeert haar verder uit te diepen. Niet door pasklare antwoorden te geven, maar door de lezer uit te nodigen mee na te denken over de mens, de samenleving en de voorwaarden waaronder vrijheid duurzaam kan bestaan.
1. Waarom een nieuwe tekst?
Toen ik in 2024 mijn Pleidooi voor Moderne Vrijheid schreef, stond één overtuiging centraal: een vrije samenleving kan slechts duurzaam bestaan wanneer vrijheid en verantwoordelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven. Dat verantwoordelijk individualisme vormt ook vandaag nog de ruggengraat van mijn denken. Waarom dan een tweede deel?
Niet omdat ik afstand neem van wat ik toen schreef. Integendeel. De fundamentele uitgangspunten zijn voor mij onveranderd gebleven. Maar sinds 2024 is de wereld een nieuwe historische fase binnengetreden. Oorlogen, geopolitieke verschuivingen, de opkomst van artificiële intelligentie, groeiende polarisatie en een toenemend wantrouwen tussen mensen en staten hebben onze samenleving diepgaand veranderd. Zelfs wanneer sommige conflicten ooit tot een einde komen, zullen hun gevolgen nog lang blijven doorwerken. Oorlogen verwoesten niet alleen steden. Zij laten ook angst, vernedering, wantrouwen en soms een verlangen naar vergelding achter. Geschiedenis leert ons dat zulke gevoelens generaties kunnen blijven doorwerken.
Toch leert diezelfde geschiedenis ons ook iets anders. Duurzame vrede begint niet wanneer de wapens zwijgen. Zij begint wanneer mensen opnieuw bereid zijn elkaar als gesprekspartner te erkennen. De wederopbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog was niet alleen een politiek of economisch project. Zij was ook een menselijke keuze om de logica van de vijandschap niet langer te laten primeren. Mensen durfden opnieuw de hand naar elkaar uit te steken en bruggen te bouwen, ondanks het immense leed dat elkaar was aangedaan.
Juist daarom ben ik ervan overtuigd geraakt dat de grote uitdagingen van onze tijd niet uitsluitend politiek, economisch of technologisch kunnen worden begrepen. Uiteindelijk worden zij altijd gedragen door mensen. Door hun angsten en hun hoop. Door hun keuzes en hun verantwoordelijkheid. Door hun bereidheid om zich af te sluiten of juist de dialoog aan te gaan. Dat inzicht heeft ook mijn denken verdiept. Niet omdat ik minder overtuigd ben geraakt van het belang van vrijheid, maar omdat ik steeds beter ben gaan begrijpen onder welke voorwaarden vrijheid duurzaam kan blijven bestaan.
2. Een mens is nooit af
Elke visie op de samenleving vertrekt, bewust of onbewust, van een mensbeeld. Dat geldt voor politieke stromingen, religies, filosofieën en maatschappelijke bewegingen. Vroeg of laat beantwoorden zij allemaal dezelfde fundamentele vraag: wie is de mens?
Ook dit document vertrekt van die vraag. Niet omdat de mens het middelpunt van het universum zou zijn, maar omdat uiteindelijk elke samenleving door mensen wordt opgebouwd. Instellingen nemen geen beslissingen. Technologie draagt geen verantwoordelijkheid. Wetten hebben op zichzelf geen geweten. Het zijn altijd mensen die kiezen, die handelen, die vertrouwen schenken of verliezen, die bruggen bouwen of afbreken. Daarom vertrek ik niet van een ideologie, maar van de mens.
Mijn uitgangspunt is eenvoudig. Ik geloof niet in de volmaakte mens, evenmin als ik geloof dat een mens voorgoed verloren is. Ik geloof dat ieder mens kan groeien. Dat is de meest fundamentele overtuiging waarop dit document steunt: een mens is immers nooit af.
Gedurende zijn hele leven leert hij. Hij vergist zich. Hij ontdekt nieuwe inzichten. Hij ontmoet mensen die anders denken dan hijzelf. Die ontmoeting met verschil is onvermijdelijk, maar wat zij teweegbrengt niet: soms bevestigt zij zijn overtuigingen, soms dwingt zij hem die opnieuw te onderzoeken. Juist daarin schuilt de rijkdom van het mens-zijn. Wie meent dat hij de volledige waarheid bezit, houdt op te leren. Wie erkent dat zijn eigen inzicht en kennis begrensd is, houdt de deur open naar verdere ontwikkeling.
Een mens ontwikkelt zich echter nooit alleen. Wij zijn niet uitsluitend zelfstandige individuen die toevallig naast anderen leven. Van bij onze geboorte zijn wij afhankelijk van anderen, en gedurende ons hele leven blijven wij leren, creëren en groeien we door samen te werken. Taal, kennis, cultuur, wetenschap en welvaart zijn geen individuele verwezenlijkingen, maar het resultaat van generaties mensen die ervaringen hebben gedeeld en op elkaars inzichten hebben voortgebouwd.
Daarom staat samenwerking voor mij niet tegenover individuele vrijheid. Integendeel. Juist doordat mensen samenwerken, kunnen zij mogelijkheden ontwikkelen die zij alleen nooit zouden bezitten. Het individu blijft verantwoordelijk voor zijn keuzes, maar zijn vrijheid krijgt maar vorm in relatie met anderen. De mens is tegelijk een zelfstandig én een sociaal wezen. Misschien ligt precies in dat spanningsveld de kracht van verantwoordelijk individualisme: niet het geïsoleerde individu, maar de vrije mens die zijn eigen weg kan gaan en tegelijk begrijpt dat hij anderen nodig heeft om die weg werkelijk te kunnen afleggen.
Die wederzijdse afhankelijkheid vraagt ook om bescheidenheid. Wie beseft dat hij anderen nodig heeft om te leren en te groeien, kan moeilijk volhouden dat hij zelf over alle antwoorden beschikt. Daarom geloof ik niet in onfeilbaarheid. Niet in de onfeilbaarheid van een religieuze leider. Niet in de onfeilbaarheid van een politieke leider. Niet in de onfeilbaarheid van een ideologie. Niet in de onfeilbaarheid van de paus. Niet in de onfeilbaarheid van artificiële intelligentie. En evenmin in mijn eigen onfeilbaarheid.
Daarom heb ik mij altijd verzet tegen elke vorm van betutteling. Niet omdat regels op zichzelf verkeerd zouden zijn, maar omdat betutteling uitgaat van de overtuiging dat iemand anders beter weet hoe een mens zijn leven moet leiden. Zij sluit het gesprek af nog vóór het begonnen is. Zij vervangt vertrouwen door sturing en dialoog door voorschriften.
Dat is geen uiting van onzekerheid. Zodra wij erkennen dat niemand de volledige waarheid bezit, krijgt twijfel een andere betekenis. Zij wordt geen teken van zwakte, maar van intellectuele bescheidenheid. Zij houdt ons denken levend en maakt verdere ontwikkeling mogelijk. Van daaruit ontstaat nieuwsgierigheid: nieuwsgierigheid naar andere mensen, andere overtuigingen, andere culturen en andere ervaringen. Niet omdat wij onze eigen overtuigingen moeten opgeven, maar omdat de ander iets kan zien wat wij zelf nog niet hebben gezien. Juist daarom ontwikkelt een mens zich nooit in volledige afzondering. Hij ontwikkelt zich in de ontmoeting.
Iedere echte ontmoeting verruimt onze horizon. Zij nodigt ons uit om, al is het maar tijdelijk, buiten ons eigen referentiekader te stappen en de werkelijkheid door de ogen van een ander te bekijken. Dat vraagt moed. Het vraagt de bereidheid om het vertrouwde los te laten zonder zichzelf te verliezen. Maar precies daarin groeit de mens. Dit mensbeeld heeft ook gevolgen voor de manier waarop wij onze samenleving organiseren. Wanneer wij werkelijk geloven dat een mens nooit af is, kunnen wij hem ook nooit definitief afschrijven. Dat betekent niet dat daden geen gevolgen hebben of dat verantwoordelijkheid verdwijnt. Integendeel. Wie verantwoordelijkheid ernstig neemt, moet ook de gevolgen van zijn handelen aanvaarden.
Wie werkelijk gelooft dat een mens zich kan ontwikkelen, moet hem ook de ruimte geven om te experimenteren. Ontwikkeling verloopt zelden in een rechte lijn. Mensen leren door te proberen, soms door te mislukken en vervolgens opnieuw te beginnen. Een samenleving die geen ruimte laat voor experiment, ontneemt mensen ook een deel van hun mogelijkheid om te groeien. Dat geldt evenzeer voor ondernemerschap. Een ondernemer die failliet gaat, is niet noodzakelijk mislukt als mens. Vaak heeft hij juist ervaring opgedaan die hem bij een volgend initiatief sterker maakt.
Een vrije samenleving ziet een mislukking daarom niet zozeer als een eindpunt, maar als een leermoment. Wie mensen het recht ontneemt om fouten te maken, ontneemt hun uiteindelijk ook de ruimte om te ondernemen, te experimenteren en te innoveren. Vrijheid vraagt de moed om risico's te nemen, en verantwoordelijkheid betekent ook bereid zijn de gevolgen van die risico's te dragen en eruit te leren.
Maar een rechtvaardige samenleving straft daden niet zonder de menselijkheid van de dader te erkennen. Zij blijft geloven dat groei mogelijk is, ook na fouten, soms zelfs na zeer ernstige fouten. Juist daarom zal een moderne rechtsstaat niet alleen aandacht hebben voor bescherming en bestraffing, maar ook voor herstel, verantwoordelijkheid en de mogelijkheid opnieuw een plaats in de samenleving in te nemen. Voor mij vloeit ook dat voort uit hetzelfde eenvoudige uitgangspunt. Een mens is nooit af. En precies daarom blijft vrijheid noodzakelijk.
3. Waarom wij de ander nodig hebben
Wanneer wij erkennen dat een mens nooit af is, volgt daar bijna vanzelf een tweede inzicht. Niemand bezit de volledige waarheid. Dat is geen pessimistische vaststelling. Het is evenmin een uitnodiging tot relativisme, alsof alle opvattingen even waardevol zouden zijn. Integendeel. Het is eenvoudig de erkenning dat ieder mens de werkelijkheid bekijkt vanuit zijn eigen ervaringen, zijn eigen opvoeding, zijn eigen cultuur en zijn eigen levensverhaal. Iedereen ziet een deel van de werkelijkheid maar niemand overziet haar volledig. Juist daarom hebben wij elkaar nodig. Dat is voor mij misschien wel een van de belangrijkste inzichten waartoe ik de voorbije jaren ben gekomen.
Dat betekent uiteraard niet dat iedere bewering dezelfde geloofwaardigheid verdient. Een gesprek veronderstelt een minimale bereidheid om feiten ernstig te nemen en argumenten af te wegen. Wie hardnekkig vast blijft houden aan beweringen die aantoonbaar onjuist zijn, toont niet zozeer een andere mening, maar een weigering om zich door de werkelijkheid te laten corrigeren. Openheid vraagt respect voor de mens, niet de verplichting om iedere bewering als even waardevol te beschouwen. Juist daardoor ontstaan bruggen. Bruggen tussen mensen. Bruggen tussen generaties. Bruggen tussen overtuigingen. Bruggen tussen culturen. Bruggen tussen landen. Onze eigen Europese geschiedenis toont dat dit geen naïeve gedachte is.
Na de Tweede Wereldoorlog leek een duurzame verzoening tussen Frankrijk en Duitsland bijna ondenkbaar. Toch besloten leiders aan beide zijden dat de toekomst niet langer mocht worden bepaald door haat, vernedering en vergelding. Zij kozen ervoor opnieuw met elkaar in gesprek te gaan. Zij bouwden bruggen waar voordien loopgraven lagen. De handdruk tussen François Mitterrand en Helmut Kohl in Verdun op 22 september 1984 werd daarvan het symbool. Maar die handdruk was slechts mogelijk omdat eerdere leiders, onder wie Konrad Adenauer en Charles de Gaulle, al hadden gekozen voor dialoog in plaats van blijvende vijandschap.
Duurzame vrede begint immers niet wanneer alle wonden genezen zijn. Zij begint wanneer mensen bereid zijn elkaar opnieuw als gesprekspartner te erkennen. Dat geldt niet alleen voor staten. Dat geldt evenzeer voor het dagelijkse leven. Iedere ontmoeting biedt de mogelijkheid een stukje van onze eigen beperktheid te overstijgen. Niet door onszelf te verliezen. Maar door onszelf te verrijken.
De ander is daarom niet alleen iemand wiens vrijheid ik moet respecteren. Hij is ook iemand die mij kan helpen mijn eigen beperktheid te overstijgen. Maar daarvoor volstaat tolerantie alleen niet.
4. Van tolerantie naar openheid
Gedurende vele generaties was tolerantie een van de fundamenten van de vrije samenleving. Dat is begrijpelijk. Eeuwenlang werden mensen vervolgd om hun geloof, hun overtuiging of hun levenswijze. Het recht om anders te mogen denken en anders te mogen leven, betekende een enorme maatschappelijke vooruitgang. Tolerantie heeft onze samenleving menselijker gemaakt en verdient daarom blijvende waardering.
Maar woorden veranderen. Na verloop van tijd verliezen sommige begrippen hun scherpte. Dat is volgens mij ook met tolerantie gebeurd. Vandaag noemt bijna iedereen zichzelf tolerant. Gelovigen noemen zich tolerant. Vrijzinnigen noemen zich tolerant. Conservatieven noemen zich tolerant. Progressieven noemen zich tolerant. Daardoor is het begrip steeds vager geworden. Het zegt steeds minder over de houding die mensen werkelijk tegenover elkaar aannemen. Er is bovendien nog een tweede beperking. Tolerantie blijft in wezen een passieve houding. Zij betekent dat ik bereid ben de ander te verdragen. Dat blijft waardevol.
Maar voor de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw is het niet langer voldoende. Daarom verkies ik vandaag het woord openheid. Openheid bouwt verder op tolerantie, maar gaat een beslissende stap verder. Openheid betekent niet alleen dat ik erken dat de ander anders mag zijn, maar ook dat ik bereid ben hem werkelijk te ontmoeten. Niet om hem te overtuigen. Niet om zelf overtuigd te worden. Maar om te begrijpen. Dat is een fundamenteel verschil.
Een echte ontmoeting begint met luisteren. Luisteren is meer dan woorden horen. Het betekent proberen te begrijpen welke ervaringen, overtuigingen en redeneringen achter de woorden van de ander schuilgaan. Pas daarna kunnen wij ons eigen oordeel vormen. Luisteren is daarom geen vorm van toegeven, maar een oefening in intellectuele vrijheid. Wie open is, blijft trouw aan zijn eigen overtuigingen, maar beseft tegelijk dat geen enkel mens de volledige werkelijkheid overziet. Juist daarom vormt de ander geen bedreiging. De ander is een mogelijkheid om mijn eigen inzicht te verruimen.
Misschien geldt dat ook voor de vrijheid. Wij liberalen hebben vaak gezegd dat mijn vrijheid eindigt waar die van de ander begint. Historisch was dat een belangrijke verworvenheid. Zij beschermt mensen tegen willekeur en verhindert dat de vrijheid van de ene de onderdrukking van de andere wordt. Maar vandaag denk ik dat ook die gedachte aanvulling verdient. De vrijheid van de ander is niet alleen een grens die ik moet respecteren. Zij is ook een kans om mijn eigen vrijheid rijker te maken. De ander beperkt mijn vrijheid niet alleen. Hij verruimt haar. Niet omdat hij mijn leven overneemt, maar omdat hij mij helpt de werkelijkheid breder te zien dan ik alleen ooit zou kunnen.
Vrijheid is daarom meer dan het afbakenen van rechten. Vrijheid is ook de bereidheid zich te laten verrijken door de ontmoeting met anderen. Openheid vraagt daarom initiatief. Zij vraagt nieuwsgierigheid. Voor mij is een goed gesprek niet een gesprek waarin iemand wint. Een goed gesprek is een gesprek waaruit beide gesprekspartners rijker naar huis gaan dan toen zij eraan begonnen. Niet noodzakelijk omdat zij van mening veranderen, maar omdat zij hun eigen inzicht hebben verdiept of verfijnd. Zij vraagt de bereidheid om soms bewust buiten het eigen referentiekader te stappen. Dat is zelden comfortabel. Integendeel. Het confronteert ons met gewoonten, overtuigingen en levenswijzen die sterk kunnen verschillen van wat wij zelf gewoon zijn. Toch ligt juist daarin de mogelijkheid om als mens verder te groeien.
Ik heb dat zelf op een onverwacht moment ervaren. Tijdens een eerste bezoek aan vrienden werd ik onmiddellijk geconfronteerd met een leefwereld die volledig buiten mijn vertrouwde referentiekader lag. Mijn eerste spontane reactie had kunnen zijn mij terug te trekken of afstand te bewaren. In plaats daarvan besloot ik mij open te stellen voor wat ik niet kende en zonder vooroordelen te ontdekken waarom anderen daarin een vorm van vrijheid en verbondenheid vonden.
Achteraf besefte ik dat niet de concrete situatie de belangrijkste ervaring was geweest. De echte ontdekking was mijn eigen houding. Het werd een verhaal over vertrouwen. Over kwetsbaarheid. Over gelijkwaardigheid. En vooral over de bereidheid een onbekende wereld binnen te stappen zonder onmiddellijk te oordelen. Die ervaring heeft mij geleerd dat openheid niet betekent dat men zichzelf verliest. Integendeel. Vaak leert men zichzelf juist beter kennen doordat men de werkelijkheid ook eens door de ogen van anderen probeert te bekijken. Ik maakte kennis met het naturisme.
Sindsdien ben ik ervan overtuigd geraakt dat openheid geen karaktereigenschap is waarmee sommige mensen geboren worden. Openheid is een bewuste keuze. Een keuze om nieuwsgierig te blijven. Een keuze om het onbekende niet onmiddellijk af te wijzen. Een keuze om het gesprek aan te gaan, ook wanneer dat gemakkelijker zou zijn om zich terug te trekken. Daarom staat openheid haaks op elke vorm van betutteling. Betutteling vertrekt van de overtuiging dat iemand anders reeds weet wat goed is voor ons. Zij sluit het gesprek af nog vóór het begonnen is. Waar openheid uitnodigt tot dialoog, vervangt betutteling de dialoog door voorschriften. En precies daarom is openheid ook een vorm van verantwoordelijkheid.
Die houding lijkt mij vandaag belangrijker dan ooit. Wij leven in een tijd waarin steeds meer mensen op zoek gaan naar eenvoudige antwoorden op ingewikkelde problemen. Dat verklaart mee de aantrekkingskracht van populistische stromingen, zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde van het politieke spectrum. Maar ook technocratisch denken draagt soms dezelfde verleiding in zich: de overtuiging dat complexe maatschappelijke vraagstukken louter technisch kunnen worden opgelost.
Beide vertrekken uiteindelijk van dezelfde vergissing. Namelijk dat de werkelijkheid eenvoudiger is dan zij werkelijk is. Dat één groep, één leider, één ideologie of één systeem over de juiste antwoorden beschikt. Mijn mensbeeld vertrekt precies van het tegenovergestelde. Omdat niemand de volledige waarheid bezit, blijft dialoog noodzakelijk. Openheid betekent daarom niet dat alle opvattingen gelijkwaardig zijn, maar wel dat iedere mens het verdient ernstig genomen te worden als gesprekspartner. De ander is geen bedreiging voor mijn vrijheid. Hij kan haar verrijken.
5. Verbondenheid ontstaat door ontmoeting
Wanneer openheid een bewuste levenshouding wordt, blijft zij niet zonder gevolgen. Zij verandert niet alleen de manier waarop wij naar anderen kijken. Zij verandert ook de manier waarop een samenleving ontstaat.
Verbondenheid ontstaat niet door mensen eenvoudig naast elkaar te laten leven. Zij groeit wanneer ontmoeting leidt tot vertrouwen, samenwerking en wederzijdse verantwoordelijkheid. Een samenleving is immers meer dan een verzameling individuen: zij is een netwerk van menselijke relaties.
Wij beschikken over meer communicatiemiddelen dan ooit tevoren. Toch voelen veel mensen zich eenzamer. Wij wisselen voortdurend informatie uit, maar echte ontmoeting wordt schaarser. Daardoor groeit het wantrouwen, niet omdat mensen slechter geworden zijn, maar omdat zij elkaar steeds minder werkelijk leren kennen. Verbondenheid groeit niet uit theorieën. Zij groeit uit gedeelde ervaringen, uit samenwerken, verantwoordelijkheid opnemen, samen winnen, samen verliezen en uit het besef dat achter iedere mening een mens schuilgaat. Daarom zijn de plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten van onschatbare waarde: gezinnen, buurten, scholen, verenigingen, kunst, muziek, theater, literatuur, musea, vrijwilligerswerk, vakbonden, ondernemingen en het brede middenveld. Dat zijn veel meer dan plaatsen waar activiteiten worden georganiseerd. Het zijn plaatsen waar mensen leren samenleven, luisteren, samenwerken, verantwoordelijkheid opnemen, conflicten oplossen, vertrouwen schenken en soms ook hun eigen overtuigingen bijstellen.
Ook verenigingen en lokale initiatieven moeten de ruimte krijgen om nieuwe vormen van samenwerking uit te proberen. Een levende samenleving ontstaat niet door één centraal plan, maar door duizenden kleine experimenten waarin burgers samen zoeken naar betere manieren van samenleven. Het middenveld is meer dan een netwerk van verenigingen. Het is de plaats waar mensen leren verantwoordelijkheid opnemen zonder dat de overheid die verantwoordelijkheid overneemt. Zij leren er samenwerken, leidinggeven, compromissen sluiten en verschillen respecteren. In die zin vormt het middenveld een onmisbare leerschool voor de democratie.
Dat geldt in het bijzonder voor cultuur. Cultuur is veel meer dan het bewaren van een eigen traditie. Zij is een uitnodiging om andere werelden te ontdekken. Wie een roman leest uit een andere cultuur, een film bekijkt, een concert bijwoont of een museum bezoekt, ontmoet niet alleen een kunstwerk, maar ook een andere manier om naar de mens en de wereld te kijken. Een cultuur die zich afsluit, verschraalt. Een cultuur die nieuwsgierig blijft naar andere culturen, groeit. Vaak leren wij onze eigen traditie pas echt begrijpen doordat wij haar leren vergelijken met die van anderen.
Misschien geldt hetzelfde voor identiteit. Identiteit is belangrijk, maar zij vertelt nooit het volledige verhaal. Een mens is immers meer dan één dimensie. Toch hebben wij vandaag steeds vaker de neiging mensen te herleiden tot één kenmerk: hun afkomst, religie, taal, politieke overtuiging, seksuele geaardheid, gender of beroep. Geen van die kenmerken is onbelangrijk, maar geen ervan beschrijft de volledige mens. Soms zijn tijdelijke maatregelen noodzakelijk om historische ongelijkheden recht te zetten of groepen die te lang onzichtbaar zijn gebleven eindelijk de erkenning te geven waarop zij recht hebben. Maar ook zulke maatregelen mogen nooit een doel op zich worden. Het doel van een vrije samenleving is iedere mens als volledige mens te erkennen.
Diversiteit is daarom geen optelsom van etiketten. Zij begint bij de erkenning van de volledige mens, niet alleen van de groep waartoe hij behoort.
Juist daarom zie ik het middenveld niet als een bijkomstigheid van een vrije samenleving. Het behoort tot haar fundamenten. Een vrije samenleving leeft niet alleen van wetten en instellingen. Zij leeft ook van de duizenden plaatsen waar mensen elkaar vrijwillig ontmoeten, verantwoordelijkheid opnemen en leren samenwerken.
Een vrije samenleving moet daarom voldoende ruimte laten voor dat zelforganiserend vermogen van mensen.
Naarmate onze samenleving digitaler wordt en artificiële intelligentie een steeds grotere plaats inneemt, dreigen spontane ontmoetingen schaarser te worden. Juist daarom zullen de plaatsen waar mensen elkaar werkelijk ontmoeten alleen maar belangrijker worden. Geen enkel algoritme kan vertrouwen opbouwen. Geen enkel scherm kan een echte ontmoeting vervangen. Geen enkele technologie kan menselijke verbondenheid creëren. Dat kunnen alleen mensen.
Digitale technologie kan mensen met elkaar verbinden, maar zij kan ook de illusie van verbondenheid creëren. Een bericht, een like of een algoritmisch voorgestelde gemeenschap vervangen nooit de menselijke ervaring van samen verantwoordelijkheid dragen. Technologie is een hulpmiddel voor ontmoeting, nooit een vervanging ervan. Verbondenheid is daarom geen bijkomstigheid van een vrije samenleving. Zij is een van haar onmisbare voorwaarden. Want uiteindelijk wordt een samenleving niet gebouwd door systemen, maar door mensen die bereid zijn elkaar werkelijk te ontmoeten.
6. Vrijheid vraagt gedeelde verantwoordelijkheid
Vrijheid is een kostbaar goed. Maar vrijheid is nooit vrijblijvend. Zij vraagt verantwoordelijkheid. Niet omdat verantwoordelijkheid de prijs is die wij voor onze vrijheid moeten betalen, maar omdat vrijheid zonder verantwoordelijkheid uiteindelijk zichzelf ondergraaft.
Vrijheid veronderstelt vertrouwen. Niet blind vertrouwen, alsof mensen geen fouten maken, maar vertrouwen in hun vermogen om te leren, zich te ontwikkelen en verantwoordelijkheid op te nemen. Een samenleving die haar burgers voortdurend wantrouwt, zal steeds meer regels, controles en sancties creëren. Een samenleving die vertrouwen durft te schenken, creëert ruimte voor initiatief, creativiteit en persoonlijke groei. Daarom blijft verantwoordelijk individualisme voor mij de kern van het moderne liberalisme. Niet het individu tegenover de samenleving. Niet de samenleving tegenover het individu. Maar een mens die zijn vrijheid gebruikt met respect voor de vrijheid van anderen en met de bereidheid verantwoordelijkheid op te nemen voor zijn eigen keuzes.
Dat betekent ook dat verantwoordelijkheid nooit uitsluitend bij één actor kan worden gelegd. Een vrije samenleving is een samenleving van gedeelde verantwoordelijkheid. Iedereen draagt daarin zijn eigen opdracht. Ouders, scholen, ondernemingen, verenigingen, het middenveld, de overheid. En natuurlijk ook iedere burger. Geen enkele samenleving kan goed functioneren wanneer één van die schakels haar verantwoordelijkheid op de anderen afwentelt. Tegelijk is verantwoordelijkheid meer dan een optelsom van afzonderlijke taken. Zij vormt een geheel. Zij verbindt mensen met elkaar.
Een gezin functioneert niet omdat ieder gezinslid alleen zijn eigen verantwoordelijkheid draagt. Het functioneert omdat die verantwoordelijkheden op elkaar aansluiten. Hetzelfde geldt voor een school. Voor een onderneming. Voor een vereniging. En uiteindelijk ook voor een samenleving. Verantwoordelijkheid bestaat daarom niet uit losse eilandjes. Zij vormt een keten waarin iedere schakel betekenis krijgt door haar verbondenheid met de andere schakels. Juist daardoor wordt samenwerking mogelijk.
Verantwoordelijkheid verdeelt mensen niet. Zij verbindt hen. Dat geldt evenzeer voor de overheid. Van de overheid mag worden verwacht dat zij kansen creëert. Dat zij kwaliteitsvol onderwijs organiseert. Dat zij veiligheid waarborgt. Dat zij mensen beschermt wanneer zij kwetsbaar worden. Dat zij gelijke kansen bevordert. Maar daarmee is haar opdracht niet voltooid. Want kansen krijgen pas betekenis wanneer mensen bereid zijn ze ook te grijpen. Misschien ligt daarin wel een van de belangrijkste misverstanden van onze tijd. Wij spreken vaak over rechten. Terecht. Maar rechten kunnen slechts duurzaam bestaan wanneer zij worden gedragen door verantwoordelijkheid én door de bereidheid de plichten op te nemen die met het samenleven verbonden zijn.
Een vrije samenleving kan rechten garanderen en kansen creëren, maar zij mag ook verwachten dat burgers verantwoordelijkheid opnemen en actief bijdragen aan het algemeen belang. Een samenleving kan deuren openen. Zij kan niemand verplichten erdoor te stappen. Daarom geloof ik dat echte emancipatie altijd twee bewegingen vraagt. De samenleving moet kansen creëren. De mens moet bereid zijn die kansen te benutten. Die twee kunnen niet zonder elkaar.
Ook hulpverlening illustreert dat. Een samenleving mag mensen nooit aan hun lot overlaten. Integendeel. Zij heeft de plicht mensen te ondersteunen wanneer zij tijdelijk of langdurig in moeilijkheden verkeren. Maar hulp wordt pas werkelijk duurzaam wanneer zij opnieuw ruimte schept voor eigen verantwoordelijkheid.
Niemand kan leven in de plaats van een ander. En uiteindelijk kan niemand duurzaam geholpen worden wanneer hij niet ook bereid is zichzelf te helpen. Dat is geen gebrek aan solidariteit. Integendeel. Het is juist een uiting van vertrouwen in de menselijke mogelijkheden. Daarom verzet verantwoordelijk individualisme zich ook tegen betutteling. Hulp moet mensen ondersteunen, maar mag hun verantwoordelijkheid niet overnemen. Zodra de overheid of een instelling structureel beslist in de plaats van burgers, verzwakt zij precies het vermogen dat zij zegt te willen beschermen: hun autonomie.
Mensen zijn immers geen passieve ontvangers van beleid. Zij zijn actieve deelnemers aan de samenleving. Dat is ook de reden waarom ik mij moeilijk kan vinden in twee tegenovergestelde denkbeelden. Enerzijds het idee dat de overheid alle maatschappelijke problemen kan oplossen. Anderzijds de overtuiging dat iedereen volledig aan zichzelf moet worden overgelaten. Beide vertrekken uiteindelijk van een onvolledig mensbeeld. Het eerste onderschat de verantwoordelijkheid van de burger. Het tweede onderschat de verantwoordelijkheid van de samenleving. Het moderne liberalisme kiest volgens mij bewust naar een ander evenwicht. Een samenleving waarin mensen verantwoordelijkheid opnemen voor zichzelf. Maar waarin de gemeenschap eveneens verantwoordelijkheid opneemt voor de voorwaarden die vrijheid mogelijk maken.
Dat vraagt ook een andere kijk op succes. Succes is nooit uitsluitend een individuele verdienste. Niemand groeit zonder ouders, leraren, vrienden, collega's, verenigingen en een rechtsstaat die vrijheid beschermt. Maar evenmin groeit iemand zonder eigen inzet. Vrijheid is daarom altijd een samenspel tussen persoonlijke inzet en maatschappelijke kansen. Hoe de overheid dat evenwicht kan ondersteunen zonder de verantwoordelijkheid van burgers over te nemen, komt verderop aan bod.
Verantwoordelijk individualisme betekent daarom niet dat ieder alleen voor zichzelf verantwoordelijk is. Het betekent dat vrije mensen verantwoordelijkheid opnemen voor hun keuzes én voor de samenleving waarvan zij deel uitmaken. Vrijheid is geen recht dat wij alleen opeisen. Zij is een verantwoordelijkheid die wij samen dragen.
7. Vrijheid begint bij het geweten
Wanneer vrijheid verantwoordelijkheid vraagt, rijst vanzelf een volgende vraag. Waar vindt die vrijheid haar oorsprong? Voor mij ligt het antwoord niet in de eerste plaats bij de wet. Ook niet bij de overheid. Niet bij een politieke partij. Niet bij een religieuze autoriteit. En evenmin bij de publieke opinie. Vrijheid begint bij het geweten.
Het geweten is het vermogen van de mens om zelfstandig na te denken over goed en kwaad, keuzes af te wegen en verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen ervan. De apostel Paulus schrijft in zijn Brief aan de Romeinen dat ieder mens vanuit zijn eigen overtuiging moet handelen. Vele eeuwen later beschrijft Étienne de La Boétie hoe vrijheid ook verloren gaat wanneer mensen ophouden zelfstandig te denken.[1]
Als jonge man stond ik bijzonder kritisch tegenover de katholieke Kerk. Ik was wat men toen zonder aarzelen een papenvreter noemde. Pas later ben ik gaan beseffen dat mijn fundamentele bezwaar zich niet richtte tegen een bepaalde religie, maar tegen iedere vorm van dogmatiek die het persoonlijke geweten wil vervangen. Ik ben mijn vrijzinnige overtuiging altijd trouw gebleven. Ik hang zelf geen religie aan. Maar mijn houding tegenover gelovigen is in de loop van mijn leven grondig veranderd. Mijn vrouw, de inmiddels overleden Eugénie, heeft daarin een beslissende rol gespeeld. Zij was afkomstig uit de traditionele Russisch-orthodoxe geloofstraditie, maar bovenal was zij een vrouw met een uitzonderlijke openheid, cultuur, menselijkheid en verbondenheid. Door haar heb ik geleerd dat religie voor veel mensen niet in de eerste plaats een ideologie is, maar een bron van hoop, troost, zingeving en verbondenheid. Zij liet mij ervaren dat achter een geloof vaak geen verlangen schuilt om anderen te overtuigen, maar om betekenis te geven aan het leven en kracht te vinden in moeilijke momenten.
Die ervaring heeft mijn vrijzinnigheid niet verzwakt, maar verdiept. Ik heb geleerd een duidelijk onderscheid te maken tussen een geloofstraditie die uitnodigt tot bezinning, spiritualiteit en medemenselijkheid, en het politieke of ideologische gebruik dat van religie kan worden gemaakt. Zodra een geloof wordt ingezet als instrument van macht of om anderen hun levenswijze op te leggen, verliest het iets van zijn oorspronkelijke bedoeling. Maar wanneer het mensen helpt om met meer hoop, meer liefde en meer verbondenheid in het leven te staan, verdient het hetzelfde respect als iedere andere oprechte levensbeschouwelijke keuze.
Ik ben niet opener geworden voor dogma's. Ik ben opener geworden voor mensen. Misschien is dat ook de vrijzinnigheid waarin ik vandaag geloof: niet de strijd tegen religie, maar het blijvende respect voor de vrijheid van ieder mens om, volgens zijn eigen geweten, zijn levensbeschouwelijke weg te kiezen. Mijn hele leven heb ik geloofd in een plicht tot ongehoorzaamheid. Niet omdat regels geen waarde zouden hebben, maar omdat geen enkele autoriteit het menselijk geweten mag vervangen.
Christophe Busch heeft die overtuiging verdiept door te tonen hoe de Holocaust ook begrepen moet worden vanuit de daders en de omstanders, en hoe conformisme en blinde volgzaamheid tot maatschappelijke rampen kunnen leiden.[2] Diezelfde gedachte vinden wij ook terug bij Hannah Arendt, een van de belangrijkste politieke denkers van de twintigste eeuw.[3] Vanuit haar eigen ervaringen met het nazisme onderzocht zij hoe totalitaire systemen ontstaan en hoe gewone mensen kunnen meewerken aan groot onrecht. Wereldberoemd werd haar analyse van het proces tegen Adolf Eichmann, waarin zij het begrip de banaliteit van het kwaad introduceerde.[4] Daarmee bedoelde zij niet dat het kwaad onbelangrijk of alledaags is, maar dat het vaak ontstaat wanneer mensen ophouden zelfstandig te denken, hun morele verantwoordelijkheid uit handen geven en bevelen uitvoeren zonder zich nog af te vragen of die rechtvaardig zijn.
Arendt toont daarmee aan dat de grootste bedreiging voor een vrije samenleving niet alleen uitgaat van fanatieke leiders of extremistische ideologieën, maar ook van de gedachteloosheid van gewone mensen die hun eigen morele oordeel uitschakelen. Vrijheid begint daarom niet bij gehoorzaamheid, maar bij het vermogen zelfstandig te oordelen, verantwoordelijkheid op te nemen en, wanneer dat nodig is, tegen de stroom in te durven gaan. In die zin sluiten de analyses van Hannah Arendt en Christophe Busch nauw op elkaar aan. Beiden tonen aan dat een democratische samenleving slechts kan blijven bestaan wanneer burgers hun geweten blijven gebruiken, kritisch durven nadenken en weigeren hun morele verantwoordelijkheid uit handen te geven. Juist daarom vormen zelfstandig en kritisch denken, persoonlijke verantwoordelijkheid en de bereidheid tot dialoog onmisbare voorwaarden voor een vrije en democratische rechtsstaat.
Daarom geloof ik dat zelfstandig en kritisch denken niet alleen een recht is, maar soms ook een morele plicht. Een geweten ontstaat niet vanzelf. Het wordt gevormd door opvoeding, onderwijs, cultuur, ontmoeting, debat en levenservaring.
Een geweten kan nooit worden uitbesteed. Niet aan een religieuze of levensbeschouwelijke gemeenschap. Niet aan een ideologie. Niet aan een politieke partij. Niet aan een overheid. Niet aan een algoritme. En ook niet aan artificiële intelligentie. Al deze kunnen richting geven, argumenten aanreiken of inspireren, maar geen ervan kan de morele verantwoordelijkheid van de mens overnemen. Artificiële intelligentie kan informatie analyseren, argumenten ordenen en alternatieven aanreiken. Maar zij kan nooit de morele verantwoordelijkheid dragen voor menselijke keuzes. Die verantwoordelijkheid blijft altijd bij de mens zelf.
Wie zijn geweten uit handen geeft, geeft uiteindelijk ook een deel van zijn vrijheid uit handen. Dat gebeurt niet noodzakelijk bewust. Een mens kan zo sterk gevormd worden door zijn omgeving, zijn opvoeding, een religieuze of politieke overtuiging of de druk van een groep, dat hij nauwelijks nog merkt waar het oordeel van anderen eindigt en het zijne begint. Misschien begint vrijheid daarom niet bij een wet, maar in de stilte waarin een mens zichzelf de vraag durft te stellen: 'Handel ik werkelijk volgens mijn eigen geweten?'
8. De bijsturende staat
Wanneer wij de mens zien als een vrij, verantwoordelijk en voortdurend lerend wezen, heeft dat onvermijdelijk gevolgen voor de manier waarop wij de overheid begrijpen. De overheid is geen doel op zich. Zij bestaat om de samenleving mogelijk te maken. Toch heeft de geschiedenis aangetoond hoe gemakkelijk staten zichzelf belangrijker gaan vinden dan de mensen die zij moeten dienen.
Sommigen verwachten dat de overheid vrijwel alle maatschappelijke problemen oplost. Anderen menen dat de overheid zich zo veel mogelijk moet terugtrekken. Beide visies vertrekken volgens mij van een onvolledig mensbeeld. Een overheid die alles wil regelen, dreigt het initiatief van burgers te verstikken. Maar een overheid die zich volledig terugtrekt, laat mensen aan hun lot over. Vrijheid kan slechts bestaan wanneer ook de voorwaarden voor die vrijheid aanwezig zijn. Daarom pleit ik voor wat ik een bijsturende staat noem: een overheid die niet voortdurend in de plaats van de samenleving treedt, maar de voorwaarden schept waarin burgers, ondernemingen, verenigingen en lokale gemeenschappen zich kunnen ontplooien.
Het alternatief voor vertrouwen is een cultuur van permanente controle. Elke samenleving moet fraude en misbruik bestrijden, maar wanneer controle het uitgangspunt wordt en vertrouwen de uitzondering, verandert ook de verhouding tussen overheid en burger. Dan wordt de burger niet langer beschouwd als een verantwoordelijke medebouwer van de samenleving, maar als een potentiële verdachte. Een vrije rechtsstaat vertrekt vanuit het omgekeerde uitgangspunt. Misschien schuilt hier ook een waarschuwing voor de toekomst. Een samenleving heeft nood aan deskundigheid, wetenschap, technologie en degelijk bestuur. Maar wanneer deskundigheid de plaats inneemt van het democratische gesprek, ontstaat een ander gevaar.
Een technocratische samenleving vertrekt vaak vanuit de overtuiging dat voor elk maatschappelijk probleem één optimale oplossing bestaat, die door experten kan worden bepaald. Daarmee dreigt zij te vergeten dat mensen geen variabelen in een model zijn, maar vrije wezens met een geweten, verantwoordelijkheid en creativiteit. Technocratie begint zelden met dwang. Zij begint met de overtuiging dat systemen beter weten dan mensen wat goed voor hen is. Algoritmen, databanken en digitale infrastructuren kunnen waardevolle hulpmiddelen zijn, maar zij mogen nooit het democratische gesprek of het menselijke oordeel vervangen. Zodra systemen de plaats innemen van verantwoordelijkheid, dreigt de burger gereduceerd te worden tot een object van beheer in plaats van een subject van vrijheid. Wanneer de menselijke maat verdwijnt, dreigt de technocratie langzaam haar democratische karakter te verliezen. Niet noodzakelijk door openlijke onderdrukking, maar doordat burgers steeds minder ruimte krijgen om zelf te oordelen, verantwoordelijkheid op te nemen en het beleid kritisch te bevragen.
Een democratie sterft zelden doordat zij te weinig expertise bezit. Zij verzwakt wanneer expertise de plaats inneemt van het menselijke oordeel. Vaak bestaat haar belangrijkste opdracht erin ervoor te zorgen dat burgers, verenigingen, ondernemingen en lokale gemeenschappen zelf oplossingen kunnen ontwikkelen. Niet de overheid bouwt de samenleving. De samenleving bouwt zichzelf. De overheid maakt dat mogelijk. Misschien is dat uiteindelijk de diepste betekenis van de bijsturende staat: geen overheid die wantrouwt, geen overheid die alles controleert, maar een overheid die gelooft in de kracht van vrije, verantwoordelijke en betrokken burgers. Want uiteindelijk is niet de staat de drager van de vrijheid, maar de mensen zelf.
9. De rechtsstaat als beschermer van de vrijheid
Een vrije samenleving heeft nood aan een democratische overheid. Maar dat alleen volstaat niet. Ook een democratische meerderheid kan zich vergissen. Ook een verkozen regering kan rechten en vrijheden beperken. De geschiedenis leert ons dat vrijheid niet alleen door openlijke dictaturen wordt bedreigd. Zij kan ook langzaam worden uitgehold binnen een democratisch systeem wanneer de macht onvoldoende wordt begrensd en de instellingen die haar moeten controleren geleidelijk worden verzwakt.
Daarom is de rechtsstaat een van de grootste verwezenlijkingen van onze beschaving. Hij beschermt niet de macht. Hij beschermt de mens. In een rechtsstaat staat niemand boven de wet. Niet de burger. Niet de regering. Niet het parlement. Niet de rechter. En evenmin de meerderheid. De rechtsstaat is geen correctie op de democratie, maar haar noodzakelijke aanvulling.
Daarom vormt de scheiding der machten een van de belangrijkste waarborgen van een vrije samenleving. Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht moeten kunnen samenwerken, maar geen van hen mag de andere overheersen. Evenwicht is geen hinderpaal voor goed bestuur. Het is een bescherming tegen machtsmisbruik. Vandaag krijgt die bescherming een nieuwe betekenis. Macht wordt niet langer uitsluitend uitgeoefend via wetten of instellingen, maar ook via digitale infrastructuren. Wanneer registratie, controle, verificatie en uitvoering samenvallen in één technisch systeem, dreigt de scheiding der machten ook operationeel te verzwakken. Daarom moet de rechtsstaat niet alleen de politieke macht begrenzen, maar ook de technologische macht.
Macht heeft immers de natuurlijke neiging zichzelf uit te breiden. De rechtsstaat herinnert iedere macht eraan dat ook zij grenzen heeft. Dat geldt vandaag misschien meer dan ooit. Wij leven in een tijd waarin de roep om daadkracht steeds luider klinkt. Mensen verwachten oplossingen, snelle beslissingen en sterk leiderschap. Dat is begrijpelijk. Maar juist in moeilijke tijden groeit de verleiding om procedures, parlementen, rechters en onafhankelijke instellingen als hinderpalen te beschouwen die politici zouden moeten wegnemen. Nochtans is enige traagheid soms de prijs van de vrijheid. Een samenleving die uitsluitend snelheid nastreeft, dreigt haar zorgvuldigheid te verliezen. En zonder zorgvuldigheid verdwijnt uiteindelijk ook de rechtvaardigheid.
De afbraak van een rechtsstaat gebeurt zelden van de ene dag op de andere. Zij verloopt meestal geleidelijk. Verkiezingen blijven bestaan. Parlementen blijven vergaderen. Rechtbanken blijven formeel functioneren. Maar stap voor stap wordt de feitelijke ruimte voor tegenspraak kleiner. Kritische media verliezen hun onafhankelijkheid. Controleorganen worden verzwakt. Benoemingen worden gepolitiseerd. Tegenmacht wordt voorgesteld als obstructie. Dit is het pad naar een illiberale democratie. Hongarije heeft getoond hoe ver zo'n geleidelijke uitholling kan gaan. Het voorbeeld is ook om een andere reden belangrijk: instellingen die jarenlang zijn verzwakt, worden niet in enkele maanden opnieuw sterk. Vertrouwen tussen burgers en overheid groeit langzaam. Onafhankelijkheid moet niet alleen juridisch worden hersteld, maar ook opnieuw een democratische cultuur worden. Een rechtsstaat wordt niet in één verkiezing afgebroken. Maar hij wordt evenmin in één verkiezing hersteld.
De recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten leggen een andere kwetsbaarheid bloot. De Amerikaanse Grondwet heeft gedurende meer dan twee eeuwen krachtige grenzen aan de macht gesteld. Toch blijkt dat zelfs een sterk constitutioneel systeem niet alles kan voorzien. Een rechtsstaat leeft niet alleen van geschreven regels, maar ook van politieke zelfbeperking, institutionele loyaliteit en de bereidheid de geest van de regels te respecteren. Wanneer een president onafhankelijke of partijoverschrijdende instellingen kan herschikken of hun leiding ontslaan, wordt zichtbaar hoe kwetsbaar die waarborgen kunnen zijn. De beslissing in 2026 om de leden van de federale Election Assistance Commission te ontslaan, in de aanloop naar de tussentijdse verkiezingen, is daarvan een verontrustende illustratie. Het punt is niet dat de Amerikaanse Grondwet waardeloos of slecht ontworpen zou zijn. Het punt is dat regels tekortschieten wanneer politieke actoren elke juridische ruimte tot het uiterste benutten of overschrijden en de ongeschreven democratische normen niet langer als bindend beschouwen.
De rechtsstaat is daarom geen bouwwerk van steen dat, eenmaal opgericht, vanzelf blijft staan. Hij is een levende cultuur. Hij vraagt burgers en machthebbers die aanvaarden dat ook hun eigen overtuiging, meerderheid en macht begrensd moeten blijven. Dat maakt ook duidelijk waarom populisme zo gevaarlijk kan worden. Populisme behoort niet uitsluitend tot één politieke familie. Het kan zich rechts, links, nationalistisch of zelfs technocratisch voordoen. Het gemeenschappelijke kenmerk is dat het de problemen in de samenleving afschuift op anderen en dat er eenvoudige en snelle oplossingen bestaan om die problemen op te lossen. En daarbij de overtuiging dat één leider, één partij of één beweging als enige de ware wil van het volk vertegenwoordigt.
Zodra die overtuiging terrein wint, verdwijnt geleidelijk de ruimte voor nuance, tegenspraak, onafhankelijke rechtspraak, vrije pers en kritische burgers. Wie de tegenmacht als vijand van het volk voorstelt, bereidt de afbraak van de rechtsstaat voor. Een democratie leeft immers niet alleen van verkiezingen. Zij leeft ook van instellingen die de macht durven begrenzen, van rechters die onafhankelijk kunnen oordelen, van journalisten die vrij onderzoek kunnen voeren, van verenigingen die afwijkende standpunten verdedigen en van burgers die kritiek mogen uiten. Dat alles maakt de democratie niet zwakker. Het maakt haar sterker.
Vrijheid vraagt dus meer dan verkiezingen. Zij vraagt instellingen, evenwicht, tegenspraak, onafhankelijke rechtspraak, vrije media en burgers die hun verantwoordelijkheid blijven opnemen. Maar zij verzwakt evenzeer wanneer macht zich niet langer laat begrenzen door recht, tegenspraak en onafhankelijke instellingen. Misschien is dat uiteindelijk de diepste betekenis van de rechtsstaat. Hij beschermt de democratie niet tegen het volk. Hij beschermt haar tegen de verleiding van de onbeperkte macht. De waardigheid van een democratie wordt daarom niet gemeten aan de macht van haar meerderheid. Zij wordt gemeten aan de bescherming die zij biedt aan iedere mens, ook wanneer die alleen staat.
10. Waar het voor mij begon
Ik werd geboren als vijfde in een gezin van zeven kinderen, na vier jongens en vóór mijn zus en onze jongste broer. In zo'n groot gezin zoekt ieder kind haast vanzelf zijn plaats. Ik heb de mijne niet altijd gemakkelijk gevonden. Mijn vader was magistraat en voedde ons op met een strengheid die in die tijd gebruikelijk was. In zijn beroep was hij een rechtvaardig man, iets waarvoor ik altijd respect heb gehad. We kwamen uit Brugge en verhuisden naar Gent toen ik nog klein was. Ik groeide op in een gezin waarin de katholieke traditie en de waarden van die tijd vanzelfsprekend aanwezig waren. Zoals dat toen vaak ging, speelde ook het sociale leven zich grotendeels af binnen de vertrouwde kring waarin mijn ouders leefden.
Een ogenschijnlijk onbeduidende gebeurtenis bracht mij in contact met een andere wereld. Als jongen was ik op stap met Yannick De Clercq aan de Gentse Watersportbaan toen hij vertelde dat er die zondag bij hem thuis entrecote op tafel kwam en vroeg of ik niet mee wilde eten. Dat leek mij een uitstekend argument. Ik fietste dus naar het huis van Willy De Clercq en Fernande Fazzi.[5] Aan die eerste maaltijd herinner ik mij zelfs een klein tafereel. De béarnaise werd rond de tafel doorgegeven, maar nog vóór ze mij had bereikt, schepte Alex, de broer van Yannick, doodgemoedereerd het laatste lepeltje op zijn bord. Hij kreeg prompt een stevige terechtwijzing van zijn vader … en ik at mijn eerste entrecote bij de familie zonder béarnaise. Het zijn van die volstrekt onbelangrijke details die een mens zoveel jaren later merkwaardig genoeg nog haarscherp voor zich ziet.
Ik bleef er terugkomen. Gaandeweg ontdekte ik dat in dat huis een andere regel gold. Niet dat je dezelfde mening moest hebben, maar dat je een mening moest hébben. Je moest nadenken, argumenteren en bereid zijn je eigen oordeel te vormen. Dat je conclusie kon verschillen van die van Willy De Clercq was veel minder belangrijk dan de weg die je had afgelegd om ertoe te komen. Voor mij was dat een kleine intellectuele bevrijding. Ook de mensen die er over de vloer kwamen, maakten indruk op mij. Aan dezelfde tafel konden mensen van verschillende sociale, professionele en politieke achtergronden terechtkomen: iemand uit een arbeidersmilieu naast iemand uit de burgerij, gelovigen en niet-gelovigen, mensen van links naast liberalen, overtuigingen die soms mijlenver uit elkaar lagen. Het verschil werd er niet weggewerkt. Het mocht juist zichtbaar zijn, zolang men bereid was met elkaar te praten en naar elkaar te luisteren. Meningen konden er botsen, borrelen en veranderen. Ik vond dat buitengewoon boeiend en vooral bijzonder plezierig.
Ook Fernande Fazzi speelde in die open sfeer een belangrijke rol. Zij was in Gent een bekende advocate en had een uitgesproken persoonlijkheid en intellectuele présence.[6] Ik herinner mij vooral haar doordringende nieuwsgierigheid naar mensen en ideeën, een eigenschap die ik later ook bij haar dochter Marian zou herkennen. Het was een huis waar vragen stellen minstens even belangrijk was als antwoorden geven.
Die ontdekking van een andere wereld had bij mij aanvankelijk ook een keerzijde. Tegenover het katholicisme waarin ik thuis was opgegroeid, ontwikkelde ik als jonge liberaal een behoorlijk heftige tegenreactie. Zodra ik daartoe de vrijheid voelde, werd ik wat men toen zonder veel omwegen een felle ‘papenvreter’ noemde. De ‘kaloten’ moesten het geregeld ontgelden. Wie pas een deur naar de vrijheid heeft ontdekt, wil ze blijkbaar soms zo hard opengooien dat hij vergeet dat ook aan de andere kant mensen staan.
Het was uitgerekend Willy De Clercq die mij daarin wat afremde. Toen ik weer eens bijzonder strijdvaardig tegen het katholieke kamp tekeer was gegaan, keek hij er met zijn gebruikelijke relativering naar en merkte op: ‘Het zijn altijd de bekeerlingen die het hevigst zijn.’ Het was een kleine opmerking, maar ze is mij bijgebleven. Hij had voor mij mee de deur naar het liberalisme en de vrijheid geopend, maar leerde mij tegelijk dat vrijheid weinig betekent wanneer zij alleen wordt opgeëist voor wie denkt zoals jij. Tolerantie wordt pas werkelijk interessant tegenover degene met wie je het grondig oneens bent. Ook daarin moest ik dus mijn eigen weg afleggen: van conformiteit naar verzet, en van verzet naar verdraagzaamheid. Vrijheid bleek niet alleen het recht te zijn om mij los te maken van een wereld waarin ik mij niet altijd thuis voelde. Zij hield ook de verantwoordelijkheid in om anderen het recht te laten in een wereld te leven waarvoor zij zelf gekozen hadden.
Dat betekende overigens niet dat ik de bruggen met mijn eigen familie verbrak. Misschien is mijn oudste broer Patrick daarvan het mooiste voorbeeld. Patrick koos voor een heel andere levensweg dan ik: hij werd priester en bouwde later een academische loopbaan uit in de ethiek en de godsdienstpsychologie. Levensbeschouwelijk verschillen wij van elkaar. Toch vroeg ik hem in 1987 om peter te worden van mijn dochter. Zoveel jaren later weet ik dat dit een bijzonder goede keuze was. Hij is voor haar een fantastische peter, met wie zij ook over moeilijke vragen open kon spreken en bij wie zij steeds een eerlijk antwoord vond. Het heeft mij geleerd dat verschillen in overtuiging menselijke verbondenheid niet in de weg hoeven te staan. Misschien krijgt verdraagzaamheid zelfs pas werkelijk betekenis wanneer zij niet abstract blijft, maar gestalte krijgt in de relaties met mensen die ons dierbaar zijn en die de wereld heel anders bekijken dan wijzelf.
Van Willy De Clercq leerde ik bovendien dat die houding niet ophield wanneer politiek ernstig werd. Ik mocht af en toe met hem mee naar Brussel wanneer het parlement vergaderde. Voor mij was dat telkens een belevenis. Vanop de publiekstribune kon ik de debatten volgen en van dichtbij kennismaken met een politieke wereld die ik tot dan toe vooral van buitenaf kende. Tijdens een van die zittingen zag ik hoe Willy De Clercq bijzonder scherp werd aangepakt door de socialistische voorman André Cools.[7] Ik herinner mij nog hoe fel het debat was en hoezeer dat op mij indruk maakte. Toen we later met de wagen naar Gent terugreden, maakte ik mij verontwaardigd over de manier waarop Cools hem had aangevallen. Zijn antwoord was verrassend eenvoudig: ‘Maar Ivan, dat is toch zijn rol? Hij zit in de oppositie. In zijn plaats zou ik precies hetzelfde doen.’
Die woorden zijn mij bijgebleven. Het was wellicht mijn eerste echte les in democratie. Een politieke tegenstander is geen vijand. Hij kan je hard bestrijden en toch een noodzakelijke rol vervullen binnen hetzelfde democratische bestel. Veel later zou Willy De Clercq trouwens betreuren dat, door de vermenigvuldiging van parlementen, regeringen en politieke functies, politici elkaar steeds minder persoonlijk leerden kennen. Voor hem bemoeilijkte ook dat het politieke bedrijf. Democratie leeft immers niet alleen van instellingen en regels, maar ook van mensen die, ondanks hun verschillen, met elkaar kunnen blijven spreken.
Er was nog een andere eigenschap van Willy De Clercq die mij is bijgebleven: zijn zelfspot. Veel later, toen hij politiek minder actief was geworden, gingen we op zaterdagmiddag geregeld samen eten. Ik kwam uit Brussel, we lunchten samen en daarna ging ik mijn ouders bezoeken. Op een dag had hij de rekening betaald en zijn wisselgeld gekregen. Even later riep hij de ober terug en vroeg of het misschien kon dat hij zijn wisselgeld nog niet had ontvangen. De man verzekerde hem enigszins onthutst dat hij het zonet had teruggegeven. Willy De Clercq besefte zijn vergissing en antwoordde onmiddellijk: ‘Och jong, je moet mij begrijpen. Ik ben nog minister van Financiën geweest.’
Die zelfspot heb ik altijd bewonderd. Ze relativeert niet de verantwoordelijkheid die iemand draagt, maar wel het belang dat hij aan zichzelf toekent. Misschien heb ik ook daarvan iets proberen mee te nemen: overtuigingen mogen sterk zijn, maar wie zichzelf voortdurend ernstig neemt, loopt het risico uiteindelijk ook zijn eigen gelijk te ernstig te nemen. Achteraf bekeken heeft het huis van Willy De Clercq en Fernande Fazzi mij dan ook veel meer gegeven dan politieke belangstelling alleen. Ik ontdekte er het plezier van het verschil: zelf nadenken, een eigen mening vormen, luisteren naar iemand die anders denkt, een politieke tegenstander niet tot vijand maken en voldoende afstand tot jezelf bewaren om ook met jezelf te kunnen lachen.
Het heeft mij vooral geleerd dat een mens niet opgesloten hoeft te blijven in de wereld waarin hij geboren wordt. Andere mensen kunnen deuren openen, niet door te bepalen welke weg je moet volgen, maar eenvoudigweg door te laten zien dat er andere wegen bestaan. Een ander hoeft mij zelfs niet te overtuigen om mijn wereld groter te maken. Soms volstaat het dat hij mij dwingt opnieuw na te denken. Achteraf zie ik ook dat mijn eigen ontwikkeling veel minder rechtlijnig was dan ik toen dacht. Ik ben van een wereld van traditie naar een soms bijna even dogmatisch verzet daartegen gegaan, om pas geleidelijk te begrijpen dat vrijheid zonder verdraagzaamheid zichzelf tegenspreekt. Ook mijn liberalisme was niet plotseling af. Het moest groeien, gecorrigeerd worden en zich voeden met nieuwe mensen en nieuwe ervaringen.
Misschien ligt daar een deel van de oorsprong van wat ik zoveel jaren later in dit essay probeer te verwoorden. Een mens wordt gevormd door zijn afkomst, maar wordt er niet definitief door bepaald. Hij verandert door ontmoetingen, kennis, twijfel, liefde, tegenspraak en nieuwe ervaringen. Vrijheid betekent niet dat iedereen hetzelfde denkt, maar juist dat mensen verschillend mogen denken en toch met elkaar verbonden kunnen blijven.
Een mens is nooit af. En voor mij begon een belangrijk deel van die ontdekking bijzonder prozaïsch: met een jongen op een fiets, een uitnodiging voor een entrecote en een béarnaise die hem nét niet bereikte.
Ivan Vandermeersch
De auteur is een liberale essayist. Het tweede deel van dit essay met als titel ‘En iedereen is anders’, verschijnt volgende week.
[1] Étienne de La Boétie (1530–1563), Frans humanist en politiek denker, vooral bekend om zijn Vertoog over de vrijwillige slavernij, waarin hij onderzoekt waarom mensen zich vrijwillig aan macht en tirannie onderwerpen.
[2] Christophe Busch (1977), Belgisch criminoloog en historicus, gespecialiseerd in radicalisering, extremisme en processen van collectief geweld. Hij was onder meer directeur van Kazerne Dossin en de huidige directeur van het Hannah Arendt Instituut. Hij is auteur van het boek De duivel in elk van ons.
[3] Hannah Arendt (1906–1975), Duits-Amerikaanse politiek denker, bekend om haar analyses van totalitarisme, macht en individuele verantwoordelijkheid. In Eichmann in Jerusalem (1963) introduceerde zij het begrip ‘de banaliteit van het kwaad’.
[4] Adolf Eichmann (1906–1962), Duits SS-functionaris en een van de centrale organisatoren van de deportatie van Europese Joden naar concentratie- en vernietigingskampen tijdens de Holocaust. Hij werd in 1960 in Argentinië gevangengenomen, in Israël berecht en in 1962 geëxecuteerd.
[5] Willy De Clercq (1927–2011) was een Belgisch liberaal politicus en een van de prominente figuren van het naoorlogse Belgische liberalisme. Hij was onder meer minister van Financiën, vicepremier en Europees commissaris.
[6] Fernande Fazzi (1926-2019) was de echtgenote van Willy De Clercq en een vooraanstaande advocate aan de balie van Gent.
[7] André Cools (1927–1991), Belgisch socialistisch politicus en jarenlang een van de invloedrijkste figuren binnen de Waalse socialistische beweging. Hij was onder meer vicepremier en voorzitter van de Belgische Socialistische Partij.


