Zwaag: De zeven levens van Joost Zwagerman - Maria Vlaar

Zwaag: De zeven levens van Joost Zwagerman - Maria Vlaar

Hoe heeft hij het gedaan?

Wie heeft hem gevonden?

Het zijn dé vragen die je hoort als iemand zelfmoord heeft gepleegd. Het slachtoffer in kwestie is de Nederlandse schrijver Joost Zwagerman (1963-2015) en over diens leven schreef generatiegenoot Maria Vlaar een 650 pagina’s tellende biografie met als titel Zwaag: De zeven levens van Joost Zwagerman.

Vermits een biografie geen thriller is, krijgt u van mij de antwoorden op de twee vragen hierboven bij het eind van de recensie.

‘Dat kan je je gezin niet aandoen!’

Albert Camus zei ooit: ‘Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord’ en Zwagerman heeft die zin meermaals geciteerd, het thema zelfmoord was voor hem van wezenlijk belang. Het was hij die het boek Touched with fire (1993) onder mijn aandacht bracht, bij ons vertaald als De verzengende muze, een werk dat de relatie tussen manisch-depressiviteit en zelfmoord verkent en de schrijnende verhalen optekent van eeneiige tweelingen die bij geboorte gescheiden worden, maar toch later op een paar dagen van elkaar zelfmoord plegen zonder het van elkaar te weten; wat van erfelijke belasting van zelfmoord een moeilijk te ontkennen feit maakt. Ook Zwagerman was door dit soort bloed ‘bevlekt’, vandaar ook zijn grote interesse voor de auteurs van De laatste deur (1983), de zogenaamde ‘zelfmoordbijbel’ van Jeroen Brouwers.

Ik kan me nog bijzonder levendig herinneren hoe Zwagerman bij Klara vertelde dat hij zo boos was op zijn vader omdat die een zelfmoordpoging had ondernomen. ‘Dat kan je je gezin niet aandoen!’ riep hij. Hoe Zwagerman over zelfmoord dacht, heeft velen radicaal anders over die problematiek doen denken, mezelf incluis. Het was dan ook een grote schok toen ik een paar jaar later vernam dat Zwagerman een eind aan zijn leven had gemaakt.

De schrijver

Joost was al heel vroeg voorbestemd om te schrijven, als kind produceerde hij de Zwagergids, een handgeschreven en zelf geïllustreerd eenmanstijdschrift over televisie en actualiteit. Dat was geen bevlieging van een paar afleveringen, de kleine Joost hield dit vol van zijn negende tot zijn vijftiende.

Hij deed dat in een lerarengezin dat vrij normaal was, afgezien van een moeder met een schoonheidsobsessie die grensde aan de smetvrees, en een vader die op een blauwe maandag ervandoor ging met een andere vrouw, maar enkele weken later voor zijn zoon terugkeerde. Er volgde nog een broertje voor Joost, het werd het lievelingskind van zijn moeder.

Joost debuteerde als romancier op zijn 22ste en zou een tiental romans schrijven, waaronder bestsellers als Gimmick! (1989), dat zich afspeelt in het jaren tachtig clubleven met veel flower powder en neusvertier, twee termen die Zwagerman voor cocaïnesnuiven muntte; Vals licht (1991) dat zich afspeelt in het raamprostitutiemilieu, Zwagerman had in die tijd ook een relatie met een sekswerker; en De buitenvrouw (1994) over een doodgewone man die op zijn school een affaire met een zwarte collega begint, een beetje zoals zijn eigen vader ooit.

Helemaal aan het begin van zijn carrière probeert Zwagerman als dichter een literaire stroming in het leven te roepen, de Maximalen. Veelzeggend uit die tijd is een column, "Het juk van het grote niets" (1987) waarin hij de toenmalige poëzie bestempelt als ‘stilletjes, zo minnetjes, zo duf en klein en muf’ en hij neemt aanstoot aan het veelvuldig gebruik van woorden als ‘stilte, witheid, leegte, het "niets", verdwijning, afwezigheid’.

Dat hij zich zo keerde tegen die woorden, was haast profetisch want zijn allerlaatste verzameling essays, De stilte van het licht staat bol van dat soort woorden, met name de laatste stukken, die verzameld zijn onder de titel ‘Verdwijnen’. Daar is het een en al wit, leegte, verdwijnen, niets, en eindeloosheid. Het opschrift van dat boek bestaat trouwens uit enkele dichtregels van Gerrit Kouwenaar, de dichter waar Zwagerman zich zo tegen verzette in “Het juk van het niets”. Maria Vlaar, de auteur van de biografie, gebruikt diezelfde regels als opschrift in haar laatste hoofdstuk dat getiteld is ‘Het verlangen naar afwezigheid’.

Pomo

Maar het is niet de poëzie noch de romans van Zwagerman die mij in de tijd dat ik hem ontdekte, boeide. Zelf was ik in het zog van de digitale revolutie gefascineerd geraakt door het postmodernisme, de tijd van het knippen en plakken, citeren, samplen, het via hyperlinks heen en weer springen en het ‘componeren’ met andermans schrijfsels.

Dat was Joost ten voeten uit, over de Zwagergids die hij als kind maakte, vertelde hij in De Morgen in 1992:

‘Ik vormde bestaande artikelen om tot die van mij. Interviews met sterren en tv-persoonlijkheden van die tijd. Ik maakte daar gefingeerde ontmoetingen van met antwoorden uit die echte ‘grote mensen’-interviews. Ik annexeerde, plagieerde en komponeerde - misschien was ik wel de jongste postmodernist van Nederland.’

De postmodernen waren in die tijd gek op het naast elkaar zetten van hoge en lage kunst. De term nobrow is daar eind twintigste eeuw voor gemunt, een kruising van highbrow en lowbrow, en hoewel Joost die term bij mijn weten niet gebruikte in bundels als Pornotheek Arcadië (2000) en Het vijfde seizoen (2003), was er in zijn schrijven één al sprake van vervlechting, verstrengeling en verknoping van hoge en lage cultuur. Het woord dwarsverband valt ook wel eens. Alles is er geconnecteerd, rechtstreeks of onrechtstreeks. En op tentoonstellingen die hij cureerde, hing hij oud naast nieuw werk, en soms ook twee werken naast elkaar enkel en alleen voor het kleureffect. Zo’n beetje wat het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen sinds de heropening ook doet.

Voor vele nobrow-adepten was het een droom dat het onderscheid tussen highbrow en lowbrow volledig zou verdwijnen, dat opera van z’n sokkel zou vallen en artistieke pornografie een nastrevenswaardige kunststroming op zich zou worden. Het is bij die droom gebleven.

En als tijdens de hoogdagen van het postmodernisme, Zwagerman soms van plagiaat beschuldigd wordt, van het feit dat hij geen ‘kern’ zou hebben, bijt hij van zich af dat hij niet neerkijkt op plagiaatplegers, na-apers en nabootsers. Originaliteit is van ondergeschikt belang in het postmodernisme. In schril contrast met het modernisme dat nog trots uitriep ‘Make it new!’, zei het postmodernisme, ‘er is niks nieuws onder de zon, laten we het oude aan elkaar breien tot iets nieuws. De combinatie is de vernieuwing.

Hitler in de polder

Joost heeft als opiniemaker een politieke episode gehad en in die periode publiceerde hij onder andere Hitler in de polder & Vrij van God (2009) waarin hij de politieke commentatoren aan de linkerkant verweet wél heel kritisch te zijn voor de christenen maar dat helemaal niet te zijn voor de moslims. Hij vond het bovendien erg gratuit dat velen ter rechterzijde zonder veel aarzeling door de linkerzijde met Hitler en de zijnen vergeleken werden.

Rond die tijd was hij ook presentator van het programma Zomergasten, waar wij hier in Vlaanderen Alleen Elvis blijft bestaan van hebben gemaakt. Als het programma op 29 augustus 2004, tijdens het interview met Ayaan Hirsi Ali, de film Submission vertoont, en op 2 november, net iets meer dan twee maand later, de regisseur Theo van Gogh door een islamfundamentalist wordt vermoord, slaat de angst om Zwagermans hart. Je zou van minder zenuwachtig worden. De jaren negentig en tweeduizend waren in Nederland beslist gewelddadiger dan de voorgaande periode en Joost zat op de eerste rij bij een aantal nare gebeurtenissen: zo was er de tot op heden onopgehelderde bomaanslag in 1994 op kunstenaar en vriend Rob Scholte die toen beide benen verloor; de moord op Fortuyn in 2002 en de net genoemde moord op Theo van Gogh. Ook bij de zelfmoord van huisarts Nico Tromp in 2013 en bij de euthanasie van jeugdvriend Rogi Wieg in 2015 was Zwagerman nauw betrokken. En dat Anil Ramdas zelfmoord pleegde nadat ze beiden heel lang in een bijzonder bitsige polemiek verwikkeld waren, maakte dat de hoeveelheid narigheid in de omgeving van Zwagerman zich opstapelde. Maria Vlaar vraagt zich trouwens af waarom zoveel van de generatie van Zwagerman tussen hun vijftigste en zestigste, vrij jong dus, overleden.

Geld en aanzien

De grootste verrassing van deze bio is hoe kleinzielig Zwagerman zich in de echtscheiding tussen Arielle, de liefde van zijn leven en de moeder van zijn drie jongste kinderen, en hemzelf heeft gedragen. Dat hij weigerde haar een redelijke alimentatie voor de kinderen te betalen. Dat Zwagerman als romanschrijver minder populair werd, zal er mee te maken hebben gehad. Romans, als ze goed verkopen, brengen immers veel geld in het laatje. Later in zijn leven ging Joost meer essays schrijven en bloemlezingen maken, vermoedelijk het werk waar hij nog het langst om herinnerd zal worden, maar dat is financieel minder interessant. En je oogst er bovendien minder bewondering mee, bewondering die uitbleef op het moment dat niet hij, maar A.F.Th. van der Heijden wordt aangeduid als rechtmatig literair erfgenaam van de grootste nog levende auteur Harry Mulish. Er is ook de teleurstelling als hij merkt dat hij zelfs niet in het lijstje voorkomt van Arnold Heumakers over romanschrijvers die in de jaren tachtig debuteerden en nu nog altijd springlevend zijn. Hij had ooit gehoopt helemaal bovenaan de literaire apenrots te staan, maar hij ziet zichzelf plots gereduceerd tot cultschrijver en educatieve kunstcriticus.

Over dat beschouwend werk lieten zijn tegenstanders zich ook wel eens geringschattend uit, hij was immers toch geen kunstcriticus? Op die manier zag Zwagerman zich nergens ernstig genomen. Niet als auteur, niet als kunstcriticus. Joost was iemand die zich dat heel erg aantrok. Hij was niet als Woody Allen bijvoorbeeld, die ik ooit in een interview hoorde antwoorden op de vraag over hoe hij zichzelf zag: ‘een mislukt saxofonist’. Dat de man films maakt die door de kritiek en het publiek als briljant worden beschouwd, telde voor hem niet mee. Dat soort zelfrelativeringsvermogen had Zwagerman niet. Hij heeft blijkbaar nooit beseft dat in elk leven plaats voor krenking dient gemaakt te worden.

Moraal

Zwagerman leed aan een gespleten, dubbele moraal. Er was een moraal die voor hem gold en een voor zijn naasten. Hij mocht vreemdgaan, zijn liefjes, zelfs de hele losse, niet. Hij mocht liegen, zijn broer niet. Hij mocht geld belangrijk vinden, zijn collega’s werden verwacht in de eerste plaats kunstenaar te zijn, en dan pas kruidenier. De lat lag altijd heel hoog.

Ondanks dat hij een boegbeeld is voor vooruitstrevend Nederland, is Zwagerman toch heel traditioneel en hecht hij op financieel vlak veel belang aan mannelijkheid en de behoefte kostwinner van het gezin te zijn. Van zijn vrouw Arielle had hij niets liever gehad dan dat ze zich fulltime met de kinderen bezighield, hij zag haar het liefst gereduceerd tot huismoeder. Hij gaf uiting aan zijn jaloezie op iemand als Mulisch, die blijkbaar nooit iets in het huishouden heeft moeten doen. Het doet denken aan Hugo Claus, die ik ooit in een interview met misplaatste trots hoorde zeggen dat hij niet eens wist hoe hij een ei moest bakken.

Men zegt wel eens dat Zwagerman bezweken is aan zijn eigen torenhoge morele eisen. Aan de angst om ontmaskerd te worden, dat alleen de schaamte nog over zou blijven… Zwagerman kreeg wat dat betreft weinig weerwerk, alleen Pamela Koevoets heeft hem op zijn plaats gezet, hem heel goed geanalyseerd ook.

Die morele eisen komen ook aan bod in het beeld dat hij had van de kunstenaar. Kunstenaars waren geen gewone mensen, ze waren Collega’s van god, de titel van een van zijn bundels. Hij vond die kunstenaars werkelijk goddelijk en gedroeg zich ook in het algemeen als een fan boy. Kunst, zijn grote troost, verving God. Maar zijn liefde voor kunst zou uiteindelijk niet genoeg blijken om hem bij de levenden te houden.

Ook een ziekte die alleen maar erger zou worden, de ziekte van Bechterew, een soort reuma die in de familie zat, die vroeger bij minder goede medische zorgen voor vergroeiingen kon zorgen, trokken hem weer naar het aardse plan, een gebied waar hij moeilijk toeven kon.

Seksverslaving

‘Ik wist niet dat het zo’n seksueel dier was’, kirt Chantal Pattyn koket tijdens een uitzending van Pompidou op Klara naar aanleiding van het verschijnen van deze biografie. Nee, dat wisten wij ook niet en dat is normaal want niemand loopt in principe te koop met zijn vita sexualis, maar in een biografie kan je daar moeilijk om heen. Nu moeten wij wel toegeven dat het bij Joost wel de spuigaten uitliep, er komen tientallen bedpartners naar voren, we worden er jaloers van. Joost hield niet van rondborstige moedertypes, hij hield van jongensachtige meisjes met smalle heupen en kleine borsten. Vlaar heeft het over 'Joosts voorkeur voor jongensmeisjes , knokig en met jongensachtige contouren.' Zo, dat weten we dan ook weer. Zelf noemde hij zich een meisjesjongen en als puber was er even twijfel of hij gay was. Toch wordt er geen gewag gemaakt van een homoseksueel contact.

Het laatste hoofdstuk

In deze biografie pleegt Joost zelfmoord in het voorlaatste hoofdstuk. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de theorie dat Joost vond dat zijn werk zijn plaats zou innemen. Het was het moeilijkste stuk om door te komen. Er was geen relaas van de begrafenis. Geen relaas van de naasten, hoe zij op deze kromdaad reageerden. Nee, een vage theorie dat om een goed kunstenaar te zijn je als mens moet verdwijnen. Toch is het mooi mooi dat je kan terugkoppelen naar de profetische woorden van "Het juk van het grote niets" (1987) waarin Zwagerman zich verzette in het hermetisch nihilisme dat haast zijn zelfmoordcredo werd.

Het voorlaatste hoofdstuk

De apotheose van dit boek zit dus in het voorlaatste hoofdstuk.

Op een dag betrapt Maaike Pereboom, Joosts laatste vriendin, hem op het kopen van een stuk touw. Ze praten erover. Het blijkt een constructief gesprek. Ze gooien samen dat touw in de prullenbak. Maar achter haar rug vist Joost het er terug uit.

Met datzelfde touw verhangt Joost zich op dinsdagochtend acht september 2015 in de trappenhal van zijn huis.

Ik vermoed dat Maaike Pereboom hem daar heeft aangetroffen, maar daar geeft het boek geen uitsluitsel over.

Jan-Willem Geerinck is kernlid van Liberales

Maria Vlaar, Zwaag: De zeven levens van Joost Zwagerman (2025) is verschenen bij De Arbeiderspers en kost € 45,00 voor de hardcover editie, en rond de € 19,99 voor de e-book versie.

Print Friendly and PDF
Het wereldwijde gevaar van irredentisme – Dirk Verhofstadt

Het wereldwijde gevaar van irredentisme – Dirk Verhofstadt

De weg naar slavernij – Friedrich Hayek

De weg naar slavernij – Friedrich Hayek