De burger in opstand – Guy Verhofstadt
In juni 2023 vond in Utrecht een studiedag plaats rond politici en schrijverschap. Historici dachten er na over de verwantschap tussen politiek en schrijverschap. Onder redactie van organisatoren Gertjan Schutte, Coen Brummer en Remieg Aerts verscheen naar aanleiding hiervan een jaar later de bundel Machtswoorden (Amsterdam, 2024). Een van de gedeelde inzichten bestond er in dat politiek en schrijverschap meer aan elkaar verwant zijn dan men op het eerste gezicht zou denken. Het huwelijk is niet altijd gelukkig en er is een wisselende kwaliteit van het genre, mede ingegeven door de inbreng van ghostwriters. En een vraag die opduikt, is of het politieke boek een instrument van analyse is dan wel van zelflegitimatie.
Interessant genoeg behandelt ook Guy Verhofstadt in zijn nieuwe boek De burger in opstand het thema dat op die studiedag in Nederland centraal stond. Hij verwijt de politieke klasse een gebrek aan noemenswaardige geschriften. Er verschijnen te weinig boeken waarin politici uitleggen hoe ze de wereld zien en hoe ze vinden dat die moet worden veranderd of getransformeerd. Verhofstadt kent de gebruiken. Hij verwijst naar de boekjes van enkele tientallen bladzijden die politici plegen in aanloop naar verkiezingen. Een praktijk die hij op een typische manier becommentarieert: “Daarvan heb ik er zelf ook een paar geschreven, ze zijn niet van belang.” Het is zelfonthulling én programmaverklaring in één zin.
De burger in opstand wil inderdaad iets anders zijn: een politiek-filosofisch manifest dat niet alleen de crisis van de liberale democratie behandelt (zoals in de ondertitel De toekomst van de politiek & de liberale democratie wordt aangegeven) maar ook de crisis van het kapitalisme en in mindere mate de cultuurcrisis. De auteur heeft het overigens zelf even over een ‘polycrisis’. Verhofstadt beschrijft zelf zijn motivatie. Hij is ervan overtuigd met dit boek een betere bijdrage te kunnen leveren aan de politieke omwenteling dan nog eens vijf jaar in een volgens hem onmachtig Europees parlement te verwijlen. Die ambitie, een nieuw project bieden dat de populistische golf een halt toeroept, verklaart de urgentie van het boek maar bevat impliciet misschien ook wel de kwetsbaarheid van de uitgave.
Een halve eeuw politiek als laboratorium
Het boek is drieledig: een memoires-achtig deel, een brede analyse en vervolgens voorstellen. Het eerste persoonlijk deel beschrijft hoe Verhofstadt tot de politiek is gekomen: zijn jeugd, zijn studententijd, zijn vroege fascinatie voor libertaire en neoliberale denkers. Hij beschrijft hoe hij in 1979 als jonge man naar het congres van de liberale partij trok en er nieuwe krijtlijnen trok. In die jaren haalde hij ook internationale denkers als Friedrich Hayek, Arthur Laffer en James Buchanan naar België. Op 28 jaar werd hij partijvoorzitter en een paar jaar later minister. De episodes zijn levendig verteld: de devaluatie van de frank, zijn contact met Thatcher, zijn afkeer van de Belgische verzuiling, een anekdote over het verbieden van de aankoop van dure Duitse automerken voor de collega-ministers omwille van besparingen. Dat laatste was een voorstel dat hem misschien meer nog dan andere gewenste hervormingen de das omdeed, schrijft hij met een voor hem typische kwinkslag. Zijn politieke credo was eenvoudig en getekend door het toenmalige heersende neoliberale denken: “Ik hield het principe aan dat in een vrije samenleving de burger nooit gedwongen kan worden meer tijd te werken voor de gemeenschap dan voor zichzelf.” Toen hij in 1988 ondanks goede verkiezingsresultaten uit de regering werd geweerd, was dit een donderslag bij heldere hemel: “Ik was ontzet, verbouwereerd, razend kwaad vooral”. Deze feiten zijn eerder al beschreven, maar voor toekomstige historici vormen deze passages interessante getuigenissen.
Wat volgde was een periode van oppositioneel denken en van internationale verkenning in een tijd dat de wereld bewogen tijden meemaakte: de val van de Muur en reizen naar Oost-Europa. Een mijlpaal in zijn denken betekende de genocide in Rwanda (1994). Het bracht Verhofstadt de overtuiging bij dat de mens niet van nature goed is en dat de staat noodzakelijk blijft om dat te reguleren. Het eerste Burgermanifest (1991) en de oprichting van een nieuwe partij (VLD, overigens niet bij name genoemd in het boek) leidden uiteindelijk tot het premierschap in de periode 1999-2008.
Daarna volgde een tweede politieke loopbaan in Europa, als parlementslid, als fractieleider van de Europese liberalen, onderhandelaar bij de Brexit, deelnemer aan de Conferentie over de Toekomst van Europa. Dat laatste initiatief in 2021-2022 was volgens Verhofstadt “de zoveelste mislukte poging om Europa de nieuwe werkelijkheid van de eenentwintigste eeuw binnen te loodsen”. Verhofstadt zet zijn ambities als Europees federalist in de verf en betreurt het dat hij zijn idealen niet ingelost ziet. Die persoonlijke verankering geeft het boek geloofwaardigheid maar uiteraard meteen ook een bepaalde kleur en stempel. Wie vijftig jaar in de politiek heeft meegedraaid, heeft een arsenaal aan ervaringen maar uiteraard ook zijn eigen persoonlijke thematische voorkeuren en bilan van resultaten.
Eén ijkpunt keert in het boek met regelmaat terug: de financieel-economische crisis van 2008. Verhofstadt beschouwt het als een cruciale gebeurtenis (in mindere mate ook de aanslagen van 11 september 2001) in de recente geschiedenis. Historici onderschatten soms het belang ervan en het is goed dat een toen actief politicus dit zo benoemt. De economische gevolgen waren ingrijpend. Verhofstadt citeert met precisie: terwijl de financiële crisis aan de Amerikaanse kant van de Atlantische Oceaan ontstond, verdubbelde het bbp van de VS tussen 2008 en nu van vijftien naar dertig biljoen dollar. De EU, in 2008 nog rijker dan de VS, haalde in 2024 de twintig biljoen niet. De VS zijn nu per hoofd van de bevolking dubbel zo rijk als de EU. Dat cijfer vat voor Verhofstadt samen wat de Europese bezuinigingspolitiek heeft aangericht. Vermogen groeide sneller dan inkomen. De middenklasse voelde zich verraden. En in het politieke vacuüm dat ontstond, marcheerden de populisten binnen, zowel op rechts als, in mindere mate, op links.
Populisme en democratische erosie
De burger in opstand is een boek over heel wat thema’s, maar enkele zaken steken er toch bovenuit. Populisme en democratische erosie zijn met grote voorsprong het dominante thema. Trump, Brexit, Orbán, de methoden van populistisch rechts, de ‘gereedschapskist’ van demagogen, ondergaan haarscherpe analyses die je als lezer leest en herleest. Verhofstadt is de verliezen van de liberale democratie aan het tellen en hij telt ze zorgvuldig. Digitalisering en de macht van Big Tech vormen een tweede groot thema. De techrevolutie is voor hem geen bevrijdende kracht maar een ‘rioolput’ die de klassieke journalistiek heeft vervangen door anonieme algoritmen, die verkiezingscampagnes hebben omgevormd tot microtargeting en die het internet en de sociale media hebben getransformeerd tot echokamers. Geopolitiek en grootmachtenconflict vormen een derde pijler, gevolgd door de crisis van het kapitalisme en de groeiende ongelijkheid.
De Derde Weg van Blair, Die Neue Mitte van Schröder en de navolging in andere West-Europese landen boden als politieke stroming in de jaren negentig een antwoord op een gevoel van polariteit tussen de klassieke sociaaldemocratie met haar nadruk op de verzorgingsstaat en overheidsingrijpen enerzijds, en het Thatcheriaanse/Reaganiaanse neoliberalisme met zijn nadruk op vrije markt en terugtredende overheid anderzijds. Deze aanpak liet de werkende klasse in de steek, en in dat gat sprongen de populisten. “Hoop is wat mensen in beweging houdt,” schrijft hij, en populisme biedt geen hoop, enkel wraak. De vraag naar sterk politiek leiderschap is daarom meer dan ooit groot. Verhofstadt verwijt tegelijkertijd vooral de hedendaagse Europese politiek het ontbreken van durf en van grote leidende figuren zoals Obama of Churchill.
Thema’s die minder of nauwelijks aan bod komen zeggen ook wel iets. Migratie is aanwezig als verklaringsfactor voor het populisme, maar Verhofstadt is minder pessimistisch over massamigratie dan populisten. Hij ziet gecontroleerde migratie als economisch noodzakelijk en pleit voor een cultuurtolerante gemeenschap die wel een gemeenschappelijke liberaal-democratische grondslag vereist. Interessant is ook zijn stelling rond de hoofddoekendiscussie. In een liberale democratie mag iedereen dragen wat hij of zij wil, om welke reden ook, religieus, smaak of wat dan ook. De recente pandemie tot slot is slechts marginaal aanwezig, als illustratie van transnationale kwetsbaarheid, niet als structureel element in de analyse.
Bouwstenen voor een herboren liberalisme
Het derde en constructieve deel is in wezen de kern van het boek. Verhofstadt bouwt zijn voorstellen op in zes hoofdstukken, elk onderbouwd met empirisch materiaal en internationale voorbeelden. Volkskapitalisme is wellicht het meest uitgewerkte en intellectueel meest consistente voorstel. Herverdeling door de staat werkt niet meer, stelt Verhofstadt. De cijfers over sociale uitgaven en ongelijkheid tonen dat overduidelijk. De kern van het probleem is de kloof tussen kapitaal en arbeid, en die kloof sluit je niet door belastingen maar door kapitaal te democratiseren. Zijn voorstel: bedrijven kiezen tussen vennootschapsbelasting betalen of volledig vrijgesteld zijn in ruil voor werknemersparticipatie die alle werknemers, niet alleen managers, als aandeelhouders opneemt.
Andere voorstellen betreffen gekapitaliseerde pensioenfondsen naar Nederlands model, woonvouchers in plaats van sociale woningbouw om gettovorming te doorbreken, een universeel basisinkomen via negatief belastingkrediet dat de bureaucratische kluwen van de verzorgingsstaat vervangt, een universeel startkapitaal voor jongvolwassenen gefinancierd via een hervormde erfbelasting, een belasting op de grote techbedrijven zoals Google, Amazon, Facebook en Apple (GAFA). De voorstellen zijn uiteraard niet allemaal nieuw (dat weet de auteur ook: tijdens zijn politieke carrière lanceerde hij bijvoorbeeld reeds het idee van een vorm van negatieve inkomstenbelasting) maar ze worden op een coherente manier samengebracht in één logica van eigendomsverspreiding.
Het onderdeel ‘Binaire democratie’ lijst de politieke voorstellen op. Met ‘binair’ is bedoeld dat naast periodieke verkiezingen er ook ruimte is voor een permanent en gestructureerd systeem van burgerparticipatie. Verhofstadt laat zich onder andere inspireren door de befaamde toespraak van de Amerikaanse president Abraham Lincoln uit 1863, de zogenaamde Gettysburg Address. Lincoln definieerde democratie als “een regering van het volk, door het volk en voor het volk”. Verhofstadt benadrukt dat cruciale kleine woord dóór. Lincoln belooft inderdaad niet alleen een bestuur van en voor het volk, maar vooral ook dóór het volk, wat veel verder gaat dan de praktijk in de meeste van onze democratieën. De representatieve democratie heeft de eerste twee beloften gedeeltelijk ingelost, maar de derde nooit. Verhofstadt schrijft dat zijn voorstel voor een permanente directe democratie ook in het verlengde ligt van een belangrijke tekst die tijdens de Franse Revolutiedagen van 1789 tot stand kwam, de zogenaamde Déclaration des Droits de l'Homme et du Citoyen. Die tekst gaf aan alle burgers het recht persoonlijk of via vertegenwoordigers deel te nemen aan de totstandkoming van de wet. De binaire democratie die hij voorstelt, geeft elke burger bij elke beslissing de keuze: vertegenwoordiging of directe stem. Referenda naar Zwitsers model (regelmatig, bindend, over meerdere onderwerpen tegelijk) zijn daarin één instrument. Aanvullend pleit Verhofstadt bijvoorbeeld ook voor rechters aangesteld via loting als enige methode om de politisering van de rechtbanken definitief te doorbreken (“toeval vervangt politieke voorkeur”) en voor campagnefinanciering herleid tot individuele bijdragen door burgers.
Vrij internet (derde onderdeel) vertrekt van de premisse dat vrijheid van meningsuiting niet minder regulering vereist maar meer concurrentie: opsplitsing van Big Tech, afschaffing van Sectie 230 (bepaling van een Amerikaanse wet die techplatforms tot nu toe vrijwaart van aansprakelijkheid voor de content) zodat de technologiebedrijven dan wel aansprakelijk worden voor de inhoud die hun algoritmen versterken, en gespecialiseerde internetrechtbanken die in real time oordelen over algoritmische discriminatie. Data moeten volgens Verhofstadt eigendom zijn van de burger. En alle AI-systemen moeten zich identificeren als kunstmatig, als enige manier om de werkelijkheidsvertekening door deepfakes in te dammen.
In het onderdeel ‘de Democratische Alliantie’ schetst Verhofstadt met verve zijn ideeën voor de internationale orde. Hij wijst erop dat de vorming van BRICS (het samenwerkingsverband van grote niet-westerse economieën) dat zich profileert als “waarschijnlijk de grootste nederlaag voor de westerse diplomatie in de eenentwintigste eeuw”. Grote democratieën van het mondiale Zuiden zijn door westerse arrogantie in de armen van Rusland en China gedreven. Het streefdoel moet zijn een wereld met uitsluitend democratische samenlevingen, wat leidt naar een vreedzame wereld, omdat democratieën geen onderlinge oorlogen voeren. Hier komt zijn Europese visie terug naar boven wanneer hij pleit voor een grote gezamenlijke Europese strijdmacht. Verhofstadt is tegelijkertijd eerder sceptisch over de slaagkansen van het Europees federalisme. Er is te veel nostalgie voor het verleden en te weinig inspiratie voor de toekomst.
Planetarisme als vijfde centraal thema met voorstellen zal sommige lezers inspireren maar bij anderen dan weer net de wenkbrauwen doen fronsen. De natiestaat is volgens Verhofstadt een historische tussenfase, geen eindpunt. Klimaat, pandemieën en oorlog zijn planetaire problemen. Concrete voorstellen op dit vlak kunnen zijn een mondiale emissiehandelsmarkt, een hervormd VN-systeem als Planetaire Vergadering, en een Earth Citizens Party als eerste werkelijk mondiale politieke partij. Het hoofdstuk bevat meer speculatieve passages over de ontdekking van buitenaards leven als motor van planetaire eenheid. Het zijn ideeën die wellicht dichter bij filosofie dan bij beleidsadvies staan, maar die Verhofstadts kosmopolitisch engagement illustreren.
Burgerisme
De vijf bouwstenen worden samengebracht onder een overkoepelende nieuwe ideologie: burgerisme. Socialisme en liberalisme zijn voor Verhofstadt uitgebluste ideologieën van de negentiende en twintigste eeuw. Beide hebben gefaald. Het ‘burgerisme’ (“vernieuwd liberalisme dat ten goede komt aan iedereen en niet alleen aan enkele bevoorrechten”) wil de burger centraal stellen in economie én politiek, niet via meer staat maar via meer eigendom, meer participatie, meer directe zeggenschap. De nieuwe existentiële kloof is niet meer links versus rechts, maar elitarisme versus burgerisme. Het is een optimistisch slotakkoord van tientallen bladzijden vol interessante voorstellen.
De vraag blijft wie dit manifest politiek gaat dragen. Wat kan de rol zijn van liberale politieke partijen? Wat kunnen zij nog doen? De werknemersparticipatie, de monetarisering van data, de binaire democratie zijn in elk geval radicale maar geen anti-liberale voorstellen. Ze vertrekken vanuit eigendom, vrijheid en individuele zelfbeschikking als kernwaarden, en proberen die waarden consistent door te trekken naar wie er tot nu toe weinig van heeft geprofiteerd. Dat is een discussie die liberalen en beleidsvoerders die zich door het liberalisme laten inspireren voor zichzelf kunnen en moeten voeren.
De kracht van het boek ligt in de uitmuntende diagnose. Verhofstadt is helder, goed gedocumenteerd en intellectueel eerlijk over het falen van het liberalisme. Maar de remedies roepen vragen op die het boek niet altijd beantwoordt. Het zou naïef zijn om te denken dat een boek of denker alle huidige en toekomstige problemen kan oplossen. Het beste dat een politiek boek kan doen, is de verbeelding stimuleren. En daar slaagt een duidelijk nog steeds bevlogen Guy Verhofstadt met glans.
Mocht in België ooit een colloquium over politici en schrijverschap worden georganiseerd zoals dat in 2023 in Nederland plaatsvond, dan levert dit boek alvast het bewijs dat politici wel degelijk kunnen schrijven en met een onderbouwde visie een rol kunnen spelen in het maatschappelijke debat. De burger in opstand verdient een brede lezerskring, ook en misschien vooral buiten de liberale familie.
Recensie door Peter Laroy
De auteur is directeur van Liberas (www.liberas.eu)
Guy Verhofstadt, De burger in opstand. De toekomst van de politiek & de liberale democratie, de Arbeiderspers, 2026, 430 pp.
Op donderdag 19 maart om 20 uur organiseren Liberales en Liberas de voorstelling van het boek De burger in opstand van Guy Verhofstadt. Na een beknopt introductiegesprek over het boek met Lawrence Vanhove, volgt een uitgebreide Q&A sessie waar inhoudelijke vragen kunnen gesteld worden. Dit vindt plaats in de zaal Liberas, Kramersplein 23 te Gent. Inkom is gratis, inschrijven op inschrijven@liberas.eu met vermelding Guy Verhofstadt.


