De waarheid heeft vier gezichten - Simon Truwant
Waarheid staat, net als onze liberale democratie, almaar meer onder druk. We leven in een zogenaamd post-truth tijdperk, wat zich uit in verschillende fenomenen: fake news, alternatieve feiten, desinformatie, misinformatie, samenzweringstheorieën, wetenschapsontkenning, filterbubbels, echokamers, polarisatie en populisme. Het lijkt er soms wel op dat er geen degelijk publiek debat meer kan of mag worden gevoerd. Maar hoe is het, voorbij de slogans en oppervlakkige inzichten, nu echt gesteld met ons publiek debat? En vooral, wat kunnen we hier individueel en collectief aan doen?
Deze vragen tracht Simon Truwant te beantwoorden in zijn recente boek. Hij beschrijft de belabberde staat van het publiek debat, maar beperkt zich niet tot een diagnose en een analyse. Hij biedt vooral ook nuttige inzichten en hoopvolle remedies die moeten leiden tot een beter publiek debat. Dit centrale begrip omschrijft hij als “het geheel van discussies, gesprekken en losse bevindingen die mensen met elkaar uitwisselen over maatschappelijke thema’s zoals de kwaliteit van ons onderwijs, klimaattransitie, migratie, zorg voor LGBTQIA+-personen, drugsbeleid, betaalbare woningen, statiegeld, klassenjustitie of een vermogensbelasting”.
Maar ook trivialere onderwerpen zijn volgens hem onderwerp van publiek debat. Als cultuurfilosoof bekijkt hij het publiek debat als een maatschappelijk en cultureel fenomeen, waarbij de opinies van politici, experten en opiniemakers in de publieke ruimtes en die van andere burgers op private discussieplekken elkaar wederzijds beïnvloeden. Zoals het een goed filosoof betaamt, probeert hij eerst enkele termen helder te omschrijven, met name het cruciale begrip ‘waarheid’. Waarheid lijkt soms meer gebaseerd op perceptie, strategie, emoties en buikgevoel dan op feiten, maar Truwant wijst een enge opvatting van waarheid als louter feitelijkheid van de hand. Als ethicus is het dan weer zijn uitdrukkelijke intentie om “een soort deontologie van het publiek debat te ontwikkelen”.
Het kader dat hij hiervoor ontwikkelt, noemt hij waarheidspluralisme. Waarheid is geen monolithisch begrip, maar valt uiteen in verschillende vormen van waarheid. Truwant onderscheidt vier soorten: feitelijke, ideologische, pragmatische en existentiële waarheid, of respectievelijk “waarheid als feitelijkheid, als logische samenhang, als pragmatisch succes en als doorleefde ervaring”. Ik noteerde geregeld deze vier letters in de marge: F-I-P-E. Deze vierdeling vormt de rode draad doorheen het boek. Feitelijke uitspraken zijn empirisch te verifiëren als correct of incorrect. Ideologische opinies zijn enkel geldig als ze logisch coherent zijn. Pragmatische uitspraken worden beoordeeld op hun collectief praktisch nut. Existentiële meningen zijn dan weer al dan niet authentiek voor zover ze zo aanvoelen. “Terwijl de wetenschap uitvlooit wat waar is, bespreekt de politiek wat waardevol is, bepaalt de economie wat waarde heeft en streeft het individu naar een waarachtige omgang met dit alles. Kunst (en ook religie) tracht tenslotte een glimp op te vangen van ‘het Ware’.”
Truwant licht in zijn diagnose van het publiek debat deze vier waarheidsvormen één voor één verder toe, niet louter door middel van definities, maar vooral aan de hand van negatieve maatschappelijke evoluties die elk van deze waarheidsvormen ondermijnen: informatiestress door een overvloed aan informatie, meningsmoeheid door een stortvloed aan meningen, een vertrouwenscrisis ten opzichte van experten, politici en zogenaamde mainstream journalisten, maar ook zelfs pestgedrag door polarisatie en wantrouwen onder burgers. “Mensen geven […] niet meer om feiten, maar hechten wel heel veel waarde aan hun eigen mening; ze wantrouwen anderen die de waarheid in pacht menen te hebben en respecteren niet wie hun eigen waarheid uitdaagt.”
Ondanks het feit dat er misschien te veel feiten en meningen bestaan en tegelijkertijd te weinig vertrouwen en respect, geeft Truwant de hoop op een redelijk(er) publiek debat nog niet op. Het probleem bestaat er ook in dat het publiek debat gekaapt wordt door onwaarachtige spelers, zoals leugenaars, zeveraars, complotdenkers, trollen, hypocrieten, relativisten, twijfelhandelaars en populisten. Aan de hand van zijn waarheidspluralisme ontmaskert Truwant deze onwaarachtige sujetten stuk voor stuk binnen één van de vier specifieke waarheidsvormen. Hij doet dit aan de hand van talloze voorbeelden, waarbij steevast dezelfde namen passeren: Trump, Musk, Bannon, Farage, Baudet[1], Wilders en andere usual suspects. Het betreft toevallig allemaal politici of politieke influencers. Truwant verwijst hierbij naar Hannah Arendt die eerder al schreef dat waarachtigheid nooit tot de politieke deugden heeft behoord.[2]
Sinds de eerste regeerperiode van Trump zijn we volgens sommigen beland in een post-truth tijdperk waarin gedeelde objectieve standaarden voor waarheid stilaan verdwenen zijn en we heen en weer geslingerd worden tussen feiten en alternatieve feiten. Truwant is kritisch ten opzichte van het gebruik van de term ‘post-truth’ in de zin dat we collectief onverschillig zouden zijn geworden ten aanzien van de waarheid. De term beschrijft volgens hem eerder de staat van ons publiek debat, dat lijdt aan “waarheidsmonisme”, namelijk de opvatting dat enkel feiten waarheid kunnen bevatten. De essentiële boodschap en basisgedachte van het boek is dat waarheid niet kan of mag gereduceerd worden tot louter feitelijkheid. Feitelijke argumenten zijn belangrijk, maar mogen het publiek debat niet domineren, monopoliseren of koloniseren. In die zin kan waarheidspluralisme ook omschreven worden als ‘post-one-truth’.
Truwant spreekt daarnaast ook van een “tijdperk van onwaarachtigheid”[3] omwille van een brede maatschappelijke onverschilligheid ten aanzien van de waarheid. Toch hebben de meeste deelnemers aan het publiek debat nog wel een intentie om tot gezamenlijke waarheidsvinding te komen, of minstens toch enige interesse in de waarheid. Het opzet van Truwant is om deelnemers aan het publiek debat opnieuw te laten “(h)erkennen welke vorm van waarheid wanneer op het spel staat”. Wie geen onderscheid kan maken tussen de vier gezichten van de waarheid lijdt volgens Truwant aan gezichtsverlies.
In het laatste deel van zijn boek reikt Truwant, na zijn uitgebreide diagnose en analyse van het publiek debat, ook enkele remedies aan, opnieuw toegespitst op zijn vierdelig waarheidspluralisme: factchecking, kritisch denken, tegenverhalen en meningenpauze of -hygiëne. Factchecking bindt de strijd aan met leugens en gezever, maar hierin schuilt een risico op gezichtsverlies door enkel te focussen op feitelijkheid. Kritisch denken is de vaardigheid om niet zomaar aan te nemen wat anderen zeggen, maar eveneens om ons eigen denken niet zonder meer te vertrouwen. Kritiek op anderen zonder zelfkritiek is geen waarachtige kritiek. Tegenverhalen (counter narratives) aanleveren is dan weer een actieve strategie om het publiek debat een nieuwe richting te geven.
Het meest gehypete maatschappelijke tegenverhaal van de afgelopen tien jaar is volgens Truwant de dreiging van woke, maar dit is volgens hem intussen ideologisch gezien geen bruikbare term meer. Woke was een hondenfluitje dat volgens mij intussen algemeen bekend geworden is en dat te pas en te onpas wordt bovengehaald, vaak als dooddoener in een debat. Als laatste remedie bespreekt Truwant een meningenpauze of meningenhygiëne. Hierbij houdt men de eigen mening voor zich of wacht men minstens tot men over voldoende informatie beschikt. Dit vergt enige zelfbeheersing, maar ook het nodige inzicht om niet alles persoonlijk op te vatten.
Truwant stelt terecht dat we niet over alles een mening moeten hebben. Er bestaat inderdaad niet zoiets als een plicht tot meningsuiting, enkel een recht op vrije meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting is een cruciale democratische waarde, maar wordt soms onbegrensd voorgesteld. Volgens mij zijn gedachten en meningen absoluut vrij, maar toch bestaan er ook onwaarachtige of ongepaste meningsuitingen. Truwant geeft met de Duitse filosoof Christian Bermes enkele criteria. Een gepaste mening is coherent met andere opvattingen, afgestemd op de situatie, duidelijk gekaderd, vanuit een gedeelde betekeniscontext en afgestemd op de praktische, morele of politieke implicaties ervan. Het publiek debat is volgens Truwant “niet zozeer gebaat […] bij minder meningen maar wel bij betere. Daarmee bedoel ik dus niet ‘juiste’ opinies die netter klinken of die mij persoonlijk beter bevallen […]. Goede, productieve meningen zijn oefeningen in denken, spreken en luisteren […]. Ze nodigen uit tot gedachtewisseling, gesprek of dialoog. Ze maken duidelijk waar we zelf voor staan maar tonen tegelijkertijd empathie voor anderen. Kortom, het zijn authentieke uitdrukkingen van existentiële waarheid.”
Truwant ontwikkelt tot slot een strategie gebaseerd op zijn theorie van het waarheidspluralisme in vijf heldere stappen die het publiek debat misschien niet definitief zullen redden, maar toch aanzienlijk zouden kunnen stimuleren en vitaliseren. In tegenstelling tot het waarheidsrelativisme, installeert het waarheidspluralisme “vier bruggen voor waarachtige conversaties tussen mensen”. Het is alvast de verdienste van Truwant om met zijn theorie van het waarheidspluralisme een helder, toepasbaar, en tegelijk hoopvol kader te schetsen voor het publiek debat.
Zoals gezegd in de inleiding, vat Truwant zijn waarheidspluralisme op als “een deontologisch kader” voor het publiek debat. Vanuit ethisch perspectief bespeur ik doorheen het boek echter ook sporen van andere ethische theorieën, meer bepaald een vorm van utilitaristisch denken en zelfs een zekere deugdenethiek. Deontologie heeft zeker haar nut “als poortwachter van de poortwachters” van het publiek debat, namelijk wetenschappers, journalisten en rechters. Zij zijn vanuit hun beroepsgroep gebonden aan een eigen deontologische code.
Welke deontologische regels bestaan er dan voor de deelnemers aan het publiek debat? Het waarheidspluralisme is inderdaad een vorm van epistemische deontologie, namelijk van gedragsregels voor waarheidsvinding binnen het publiek debat. Maar het is ook deels consequentialistisch van aard. Immers, het waarheidspluralisme kijkt ook naar de gewenste of verwachte gevolgen, namelijk een waarachtig en constructief publiek debat. Misschien is het dan eerder een vorm van regelutilitarisme? Alleszins is de derde vorm van waarheid, de pragmatische waarheid, overduidelijk utilitaristisch van insteek. Een pragmatische waarheidsclaim is waar in zoverre ze praktisch nuttig is of omdat ze werkt in een bepaalde context. Een pragmaticus zoekt naar die oplossing waar de meeste mensen baat bij hebben. Het waarheidspluralisme zal er evenwel voor zorgen dat deze pragmatische insteek niet de bovenhand haalt in het publiek debat en nutsberekening niet het enige criterium voor publieke uitspraken wordt.
Daarnaast lees ik op verschillende plaatsen in het boek ook een deugdenethische benadering. Truwant verwijst soms naar algemene deugden, zoals bijvoorbeeld vertrouwen, civiel respect en beleefdheid, zij het slechts in algemene bewoordingen. Zo ook wordt de remedie van kritisch denken opgevat als een “attitude die we ons eigen moeten maken”, hetgeen sterk lijkt op een deugd of karaktereigenschap. Zoals gezegd, zijn meningen volgens de auteur bij voorkeur gepast. Gepastheid is een deugdenethisch concept.[4] Meer algemeen kan het in dit boek cruciale begrip ‘waarachtigheid’ zelfs als een specifieke epistemische deugd beschouwd worden. Bij momenten lijkt Truwant een Aristotelische mesotiek te hanteren: “Voor een geslaagd publiek debat moeten mensen een middenweg zoeken tussen de extremen ‘zo en niet anders!’ en je-m’en-foutisme. […] Waarachtige meningen situeren zich ergens in dit spanningsveld tussen verantwoordelijkheid en openheid”. Kortom, waarachtigheid is dus een positieve eigenschap, houding of intentie van een behoorlijke deelnemer aan het publiek debat, meer bepaald “de wens om samen tot een beter begrip van een maatschappelijke kwestie te komen”.
Als epiloog voor ongeduldige lezers past Truwant zijn waarheidspluralisme toe op het zeer beladen transgenderdebat en toont hij aan hoe de impasse doorbroken kan worden. Tot slot voegt hij ook een handige woordenlijst toe met definities van cruciale begrippen die hij doorheen het boek hanteert. Een namenregister achteraan had misschien wel nuttig geweest, maar dat is misschien voor een (hopelijk) volgende druk.
Het begrip ‘waarheid’ is in essentie mogelijks wel het meest gecontesteerde ‘essentieel gecontesteerde begrip’ omdat iedereen er zijn of haar invulling aan wil geven. Men kan een waarheidsclaim betwisten, bespotten en zelfs negeren, in de hoop anderen te kunnen overtuigen. Volgens Arendt “zouden we wat we niet kunnen veranderen, waarheid kunnen noemen. Metaforisch is het de grond waarop we staan en de hemel die zich boven ons uitstrekt”.[5] Het komt erop aan om elkaars waarheidsclaims beter te begrijpen om (opnieuw?) gedeelde epistemische grond onder de voeten te krijgen. Doorheen het boek komen woorden als ‘begrijpen’, ‘begrip’ en ‘begripvol’ herhaaldelijk voor. Hierbij moet ik denken aan het befaamde advies van Spinoza om “het menselijk gedrag te begrijpen en het niet te bespotten, te beklagen of te verafschuwen”.[6] Dergelijke openheid van geest is volgens mij nog steeds essentieel en broodnodig.
Dit alles maakt dit boek tot een must-read voor alle burgers en politici die, ondanks alles, oprecht geïnteresseerd zijn (en willen blijven) in publieke waarheidsvinding en hierbij minder gezichtsverlies willen lijden. De diverse gezichten van de waarheid tonen de waarachtige deelnemer aan het publiek debat immers het epistemische gelaat van de Ander, om het met een allusie op Levinas te zeggen. Dit boek van Truwant kan zelfs de meest verbitterde en misantrope lezer opnieuw hoopvol stemmen, want het is niet voorbij of na de waarheid maar doorheen het prisma van het waarheidspluralisme dat er diepere inzichten verscholen liggen die opnieuw uitzicht bieden op een open, constructief en weerbaar publiek debat. En dat is en blijft op zijn beurt een noodzakelijke voorwaarde voor een weerbare liberale democratie.
Recensie door Frederic Heylen, kernlid Liberales, fredericheylen@hotmail.com
Simon Truwant, De waarheid heeft vier gezichten. Hoe we het publiek debat kunnen redden, Houtekiet, 2025
[1] Zie bijvoorbeeld voor de hondenfluitjes van Baudet: De sluier van Baudet - Frederic Heylen — Liberales.
[2] H. Arendt, “Waarheid en politiek”, in H. Arendt, Tussen verleden en toekomst. Acht oefeningen in het politieke denken, Octavo, 2023, 285. Truwant gebruikt de voor hem cruciale term waarachtigheid, in de zin van een interesse in of gerichtheid op waarheid. In de oorspronkelijke Engelse tekst gebruikt Arendt het woord ‘truthfulness’, hetgeen in deze recente Nederlandstalige vertaling vertaald wordt als ‘oprechtheid’. Waarachtigheid is niet helemaal hetzelfde als oprechtheid. Oprechtheid wijst eerder op een open en transparante houding, die echter volgens mij ook betrekking kan hebben op feiten, meningen, verhalen en gevoelens.
[3] Dit kunnen we dan weer omschrijven als post-truthfulness.
[4] E. Brugmans, “Gepastheid” In M. Becker, B. van Stokkom, P. Van Tongeren en J.P. Wils (eds.), Lexicon van de ethiek, Van Gorcum, 2007, 136-137.
[5] H. Arendt, “Waarheid en politiek”, in H. Arendt, Tussen verleden en toekomst. Acht oefeningen in het politieke denken, Octavo, 2023, 327.
[6] B. de Spinoza, Politiek Traktaat. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Maarten van Buuren, Ambo|Anthos, 2020, 142.


