Democratie is meer dan de volkswil – Eva Vanhoorne

Democratie is meer dan de volkswil – Eva Vanhoorne

Meer dan een derde van de Belgen vindt dat beslissingen die de meerderheid wil, moeten worden uitgevoerd, zelfs wanneer ze botsen met de rechtsstaat. Dat is misschien wel de meest verontrustende conclusie van de recente peiling van De Stemming. Niet zozeer de groei van de zogenaamde "radicale partijen", maar vooral het feit dat steeds minder mensen lijken te begrijpen wat een democratische rechtsstaat eigenlijk is.

Professor Stefaan Walgrave verwijst daarbij naar wat de Nederlandse schrijver Ilja Leonard Pfeijffer de "absolute democratie" noemt: het idee dat politici simpelweg moeten uitvoeren wat de meerderheid wil. Dat klinkt democratisch. Maar dat is het niet. Want zodra de volkswil de enige maatstaf wordt, verdwijnt precies wat een democratische rechtsstaat onderscheidt van pure meerderheidsmacht.

Een democratische rechtsstaat is gebouwd op het inzicht dat ook meerderheden grenzen nodig hebben. Daarom bestaan grondwetten. Daarom bestaan grondrechten. Daarom bestaan onafhankelijke rechtbanken. Niet om de democratie tegen te werken, maar om burgers te beschermen tegen machtsmisbruik, minderheden te beschermen tegen de grillen van de meerderheid en ervoor te zorgen dat ook verkozen meerderheden zich aan bepaalde spelregels houden. De rechtsstaat begrenst de democratie dus niet ondanks de democratie. Hij begrenst haar om de democratie mogelijk te maken.

Twee verontrustende evoluties

Tegelijk zie je vandaag twee evoluties die steeds vaker door dezelfde politieke actoren worden aangestuurd.

Enerzijds worden wetten, rechterlijke uitspraken en grondrechten steeds vaker voorgesteld als hinderpalen voor daadkrachtig bestuur. Van Donald Trump, die verklaarde dat "He who saves his country does not violate any law", tot zijn uitspraak dat hij het internationaal recht niet nodig heeft omdat hij zijn eigen moraliteit volgt… Telkens opnieuw klinkt dezelfde redenering. De leider weet wat nodig is. En als wetten, rechters of verdragen daarbij in de weg staan, dan zijn zij het probleem.

Ook dichter bij huis duikt die logica op. Tijdens de opvangcrisis werd de Belgische overheid herhaaldelijk veroordeeld omdat zij haar wettelijke verplichtingen niet nakwam. Toch verschoof het debat opvallend vaak van de vraag waarom die uitspraken niet werden uitgevoerd naar de vraag of zulke juridische verplichtingen een streng migratiebeleid niet onmogelijk maakten.

Een gelijkaardige redenering zie je in het debat over artikel 23 van de Grondwet en het standstillbeginsel. Wanneer grondrechten of rechterlijke controle beleidskeuzes begrenzen, verschuift de aandacht niet zelden van de vraag of die bescherming noodzakelijk is naar de vraag of ze niet te ver gaat. Dat is een fundamentele verschuiving. Niet langer staat centraal of machthebbers zich aan de wet houden. Centraal staat of de wet machthebbers niet te veel belemmert.

Maar tegelijk gebeurt nog iets anders. Wie op die wettelijke grenzen wijst, wordt steeds vaker zelf het probleem. Tijdens de opvangcrisis stonden niet de veroordelingen van de overheid centraal, maar rechters die zich zogezegd met het beleid zouden bemoeien. In het debat over artikel 23 worden rechters weggezet als activistisch, vakbonden als blokkeerders en middenveldorganisaties als hinderpalen voor democratisch bestuur. En het blijft niet bij woorden. Kritische middenveldorganisaties verliezen subsidies. Adviesraden worden afgebouwd of genegeerd. Organisaties worden ontmoedigd om de overheid juridisch ter verantwoording te roepen.

Dat is geen toeval. Wie wettelijke grenzen als hinderpalen beschouwt, heeft er alle belang bij dat ook degenen die die grenzen bewaken aan geloofwaardigheid verliezen. Eerst worden de grenzen van de macht gerelativeerd. Vervolgens wordt de legitimiteit ondergraven van degenen die eraan herinneren dat die grenzen bestaan.

Ook lokaal zichtbaar

Die dubbele evolutie blijft niet beperkt tot nationale regeringen of internationale politiek. Ook lokaal zie je hoe juridische bezwaren steeds vaker ondergeschikt worden gemaakt aan politieke wenselijkheid, terwijl degenen die daarop wijzen zelf het probleem dreigen te worden.

Als oppositieraadslid in Brugge bots ik daar geregeld op. Zo bevestigde de West-Vlaamse gouverneur Carl Decaluwé expliciet dat drie politiecommissarissen jarenlang niet volgens de voorgeschreven procedure waren benoemd. Je zou verwachten dat zo'n vaststelling aanleiding geeft tot een correctie van de procedure. Toch werden de tijdelijke aanstellingen nadien gewoon opnieuw verlengd.

Bij het Palestina-krijtprotest op de Burg stuurde het stadsbestuur meer dan twintigduizend euro aan facturen naar een actievoerder als "drukkingsmiddel", zoals burgemeester Dirk De fauw van Brugge het zelf noemde. Juristen, advocaten en ikzelf wezen op het ontbreken van een duidelijke wettelijke basis en op de vrijheid van meningsuiting. Toch ging het debat uiteindelijk niet over die juridische bezwaren, maar over trouwfoto's en toeristische beeldvorming.

Hetzelfde zag ik bij de deontologische code voor stadsmedewerkers, waarin letterlijk staat dat medewerkers zowel privé als professioneel geen commentaar geven op hun werkgever. Toen ik erop wees dat zo'n bepaling moeilijk te verzoenen valt met de vrijheid van meningsuiting werd het voorstel niet aangepast maar gewoon goedgekeurd.

Over elk van die dossiers afzonderlijk kan men discussiëren. Maar samen tonen ze een patroon. Niet de vraag of iets wettelijk is, staat centraal, maar de vraag of het politiek wenselijk wordt geacht.

Minstens even opvallend is wat er gebeurt met degenen die daarop wijzen. Dat bleek recent nog uit de reactie van burgemeester Dirk De fauw op de column van Joris Van der Aa in De Morgen getiteld: “ Brugs burgemeester Dirk De fauw vindt het eigenlijk belachelijk dat ook hij zich aan de wet moet houden.” In plaats van inhoudelijk in te gaan op de beschreven feiten, werd vooral de boodschapper geviseerd. Van der Aa zou geen journalist zijn geweest maar een opiniemaker. Zijn analyse zou negatief zijn. Zijn conclusies zouden onjuist zijn. Maar daarmee blijft de kernvraag onbeantwoord: kloppen de feiten of niet?

En precies daar raken beide evoluties elkaar. Eerst worden juridische bezwaren gerelativeerd. Vervolgens verschuift de aandacht naar degenen die die bezwaren formuleren. Niet de juridische kritiek wordt het probleem, maar de criticus.

Het zijn kleine dossiers in vergelijking met nationale politiek. Maar precies daarom zijn ze interessant. Ze tonen hoe de spanning tussen macht en tegenmacht zich niet alleen manifesteert in parlementen en regeringen, maar ook in gemeenteraadszalen.

Het echte gevaar

Bestuurders hebben altijd geprobeerd grenzen op te zoeken. Dat is van alle tijden. Het echte gevaar ontstaat wanneer burgers die logica beginnen overnemen. Wanneer rechters activistisch worden genoemd zodra ze de macht begrenzen. Wanneer journalisten verdacht worden gemaakt zodra ze kritische vragen stellen. Wanneer activisten, vakbonden, middenveldorganisaties of oppositiepartijen vooral als stoorzenders worden gezien omdat ze beleid in vraag stellen.

Dan verdwijnt niet alleen het respect voor de rechtsstaat. Dan verdwijnt ook het besef waarom die rechtsstaat ooit werd opgebouwd. De peiling van De Stemming is daarom meer dan een momentopname van politieke voorkeuren. Ze legt een dieper probleem bloot: een groeiende vervreemding van de democratische rechtsstaat zelf.

Dat is geen probleem dat rechters alleen kunnen oplossen. Of politici. Of journalisten. Het is een opdracht voor onderwijs, media, middenveld, religies, levensbeschouwingen en eigenlijk voor iedereen die de democratie genegen is. Want democratie sterft zelden op het moment dat wetten worden overtreden. Ze verzwakt wanneer burgers beginnen geloven dat die wetten er eigenlijk niet toe doen. En wanneer degenen die daarop wijzen als het probleem worden gezien.

Precies daarom zullen we niet alleen de democratie moeten verdedigen, maar ook alles wat haar begrenst, corrigeert en controleert. Want zonder tegenmacht blijft uiteindelijk niet alleen weinig over van ons begrip van democratie, maar ook van de democratie zelf.

 

Eva Vanhoorne

De auteur is gemeenteraadslid voor Groen Brugge

Print Friendly and PDF
Regering zoekt 7 miljard, maar belastingbasis kromp al met 21 miljard euro – Paul De Grauwe

Regering zoekt 7 miljard, maar belastingbasis kromp al met 21 miljard euro – Paul De Grauwe