Iran, de internationale rechtsorde en de rol van Europa – Ivan Vandermeersch

Iran, de internationale rechtsorde en de rol van Europa – Ivan Vandermeersch

In tijden van oorlog ontstaat vaak de verleiding om complexe conflicten te herleiden tot eenvoudige antwoorden. Het Iraanse regime is repressief, destabiliseert de regio en onderdrukt al decennialang zijn bevolking. Weinigen zullen rouwen om haar verdwijning. Toch blijft een fundamentele vraag overeind: niet alleen of een regime kan verdwijnen, maar vooral wat er ontstaat wanneer het verdwijnt. In de internationale politiek blijkt het immers vaak eenvoudiger om macht te vernietigen dan om orde te herstellen.

De recente Amerikaanse en Israëlische aanvallen op Iran vertrekken impliciet van een eenvoudige redenering: het regime vormt de dreiging, dus door het regime uit te schakelen verdwijnt ook die dreiging. Die redenering is niet nieuw. Ze lag ook aan de basis van eerdere interventies in Irak en Libië. De geschiedenis leert echter dat het verwijderen van een regime zelden automatisch leidt tot stabiliteit. Integendeel, wanneer staatsstructuren instorten, ontstaat vaak een machtsvacuüm dat nieuwe en moeilijker controleerbare dreigingen creëert.

Een vijandige staat kan gevaarlijk zijn. Maar een staatloos gebied waarin wapens, milities en rivaliserende machtsgroepen opereren, kan nog gevaarlijker zijn. De internationale veiligheid is na 1945 grotendeels gebaseerd op een eenvoudig principe: zelfs rivalen hebben een “retouradres”. Er bestaat een regering, een hoofdstad en een hiërarchie waarmee onderhandeld kan worden en die verantwoordelijk kan worden gehouden. Wanneer dat institutionele kader wegvalt, wordt een conflict diffuus en moeilijk beheersbaar.

Dat risico is in het geval van Iran bijzonder relevant. Iran is geen klein land, maar een complexe samenleving van bijna negentig miljoen inwoners met een lange institutionele geschiedenis en een belangrijke regionale rol. Een abrupte implosie van dat staatsapparaat zou niet alleen interne instabiliteit kunnen veroorzaken, maar ook regionale schokgolven. De vraag is dus niet enkel of het regime kan verdwijnen, maar vooral wat er daarna ontstaat.

In het huidige debat worden vaak twee tegengestelde posities ingenomen. Sommigen verdedigen de militaire operatie als een noodzakelijke veiligheidsmaatregel tegen een destabiliserend regime. Anderen zien in de aanvallen vooral een herhaling van eerdere interventies die chaos hebben achtergelaten. Beide perspectieven bevatten elementen van waarheid, maar geen van beide volstaat op zichzelf.

De kernvraag is namelijk strategischer: wie beheert de dag na de bommen?

Die vraag is niet alleen relevant voor Iran, maar ook voor Europa. De Europese Unie heeft deze oorlog niet gekozen, maar zal onvermijdelijk de gevolgen ervan ondervinden. Dat wordt vandaag al zichtbaar. Europese landen bereiden evacuaties van burgers voor, energieprijzen reageren op onzekerheid in de regio, en militaire middelen worden verschoven om Europese belangen te beschermen. Zelfs wanneer Europa geen actieve partij is in de militaire operatie, wordt het conflict dus al snel een Europese realiteit.

Dat plaatst Europa voor een dilemma. Enerzijds bestaat er een legitieme verplichting tot solidariteit met Europese lidstaten en partners in de regio. Wanneer het territorium van een Europese staat of de veiligheid van Europese burgers wordt bedreigd, is defensieve steun niet alleen begrijpelijk maar ook juridisch en politiek verdedigbaar. Anderzijds heeft Europa er weinig belang bij om volledig op te gaan in een logica van escalatie. Wie vandaag partij wordt in een conflict, verliest morgen geloofwaardigheid als bemiddelaar.

Een geopolitieke speler wordt immers niet alleen gedefinieerd door zijn militaire capaciteiten, maar ook door zijn vermogen om diplomatieke ruimte te bewaren. In conflicten die uiteindelijk uitgeput raken – en dat gebeurt vaker dan men denkt – ontstaat vaak een moment waarop onderhandelingen opnieuw mogelijk worden. Europa kan alleen een rol spelen in zo’n fase als het zijn positie als institutionele en diplomatieke actor behoudt.

Dat betekent niet dat Europa naïef moet zijn over machtspolitiek. De internationale rechtsorde staat onder druk, en grootmachten hebben in de geschiedenis vaker verdragen en normen naast zich neergelegd wanneer hun strategische belangen dat vereisten. Toch blijft het internationale recht bijzonder belangrijk voor kleinere staten. Het biedt een kader dat willekeur en pure machtspolitiek probeert te beperken. Voor landen zoals België is het verdedigen van dat kader geen idealisme, maar eigenbelang.

De huidige situatie roept bovendien een bredere vraag op die verder reikt dan het Iraanse dossier alleen. Het debat over internationaal recht en geopolitieke legitimiteit speelt zich immers niet af in een vacuüm. Ook binnen de democratische wereld groeit het gevoel dat strategisch leiderschap onder druk staat. Wanneer politieke systemen sterk gedomineerd worden door binnenlandse polarisatie, electorale korte-termijn-logica en permanente mediaconfrontatie, wordt het moeilijker om consistente internationale strategieën te ontwikkelen.

Democratieën hebben historisch een belangrijk deel van hun legitimiteit ontleend aan hun vermogen om niet alleen macht uit te oefenen, maar ook een geloofwaardig normatief kader te verdedigen. Wanneer internationale regels selectief worden toegepast of wanneer strategische beslissingen onvoldoende worden ingebed in een duidelijk juridisch en moreel kader, verliest dat systeem een deel van zijn overtuigingskracht.

Voor kleinere staten is die evolutie van groot belang. Landen zoals België hebben hun veiligheid en welvaart historisch ontwikkeld binnen een internationale orde waarin regels, verdragen en multilaterale instellingen een zekere voorspelbaarheid bieden. Wanneer die orde onder druk komt te staan, verschuift het internationale systeem opnieuw richting machtspolitiek, een ontwikkeling waarmee kleinere staten traditioneel bijzonder bedachtzaam omgaan.

Voorzichtigheid in geopolitieke crises mag daarom niet worden verward met zwakte. Het erkennen van veiligheidsdreigingen en het verdedigen van internationale normen kunnen perfect samengaan met strategische terughoudendheid. Het echte gevaar schuilt vaak niet in de complexiteit van een conflict, maar in de illusie dat complexe conflicten eenvoudig kunnen worden opgelost.

Misschien ligt daar ook een diepere les voor Europa. Oorlogen eindigen zelden met de vernietiging van een vijand alleen. Ze eindigen wanneer een nieuwe politieke en economische orde opnieuw stabiliteit mogelijk maakt. De geschiedenis leert dat vrede duurzamer wordt wanneer samenlevingen economisch met elkaar verbonden raken, wanneer handel en samenwerking opnieuw perspectief bieden waar eerder isolatie en conflict overheersten.

De Europese ervaring na 1945 illustreert dat inzicht. Stabiliteit op ons continent werd niet alleen verzekerd door militaire afschrikking, maar ook door economische integratie en wederzijdse afhankelijkheid. Door samen markten, industrie en infrastructuur te organiseren, werd oorlog tussen Europese staten steeds minder denkbaar.

Wie vandaag nadenkt over de toekomst van Iran, en breder over de stabiliteit van het Midden-Oosten, kan daarom niet alleen denken in termen van militaire strategie. Op een bepaald moment zal ook de vraag gesteld moeten worden hoe politieke stabiliteit, economische wederopbouw en regionale samenwerking opnieuw mogelijk worden.

Macht kan regimes vernietigen. Maar duurzame stabiliteit ontstaat pas wanneer samenlevingen opnieuw een toekomst zien die niet op oorlog is gebouwd.

 

Ivan Vandermeersch

De auteur is Ere Secretaris-Generaal BAM

Print Friendly and PDF
Zou Viktor Orbán in april kunnen verliezen? – Zselyke Csaky

Zou Viktor Orbán in april kunnen verliezen? – Zselyke Csaky